Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BL1612

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
07/2290
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terecht de terschikkingstellingsregeling toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/2290

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 10 maart 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd met aanslagnummer [00].H.16. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.537 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.667. Tevens is bij beschikking € 2.732 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 april 2007 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.276 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.667. De heffingsrente is verminderd tot € 1.692.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 mei 2007, ontvangen bij de rechtbank op 22 mei 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008 te Arnhem.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde] en vergezeld van haar echtgenoot. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Eiseres is onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met de heer [A] (hierna: de echtgenoot).

Eiseres is eigenaar van het pand [a-straat 1] te [Q]. De echtgenoot heeft in het pand een Chinees Indisch restaurant geëxploiteerd. Van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1994 heeft hij het restaurant samen met twee compagnons geëxploiteerd. Vanaf 1 januari 1995 drijft hij het restaurant in de vorm van een eenmanszaak.

Eiseres heeft het pand verhuurd aan haar echtgenoot en zijn compagnons. Tot de gedingstukken behoort een huurovereenkomst van 1 augustus 1992 tussen eiseres, verhuurder, en haar echtgenoot en zijn compagnons, huurders. De overeengekomen huurprijs bedraagt f 10.500 per maand.

Met ingang van 1 februari 1999 heeft de echtgenoot het restaurant voortgezet als een afhaalrestaurant in een deel van het pand. De rest van het pand, bestaande uit het restaurant en de parkeergelegenheid (hierna: de bedrijfsruimte), is verhuurd aan de heer [B]. De heer [B] heeft in de bedrijfsruimte een casino geëxploiteerd.

Verweerder heeft een huurovereenkomst van 1 februari 1999 overgelegd, waarin de echtgenoot van eiseres optreedt als verhuurder en de heer [B] als huurder. De overeengekomen huurprijs bedraagt f 10.000 per maand.

Met ingang van 1 april 2000 is een nieuwe huurovereenkomst aangegaan met de heer [B]. Bij deze overeenkomst treden eiseres en haar echtgenoot samen op als verhuurder. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaren. De overeengekomen huurprijs bedraagt f 18.000 per maand.

De huurbedragen van f. 18.000 per maand zijn door de heer [B] betaald aan de echtgenoot van eiseres, die de ontvangsten heeft verantwoord in de kasboeken van zijn onderneming.

Met ingang van 8 augustus 2001 is de huurovereenkomst met de heer [B] tussentijds en met onmiddellijke ingang beëindigd.

Op 30 september 2001 heeft de echtgenoot de exploitatie van het afhaalrestaurant overgedragen aan de broer van eiseres.

Met ingang van 1 oktober 2001 hebben eiseres en haar echtgenoot, samen optredend als verhuurder, de bedrijfsruimte verhuurd aan de heer [C].

Eiseres heeft voor het jaar 2001 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.335. Omdat verweerder van mening is dat de terbeschikkingsregeling van toepassing is op het door eiseres aan haar echtgenoot ter beschikking gestelde pand, heeft hij de aangifte IB/PVV voor het jaar 2001 bij de aanslagregeling gecorrigeerd volgens onderstaande berekening.

Box 1: ontvangen huur 1-1-2001 t/m 30-09-2001, 9 x f 18.000 = F 162.000

-/- rente en kosten - F 30.797

Belastbaar inkomen uit werk en woning F 131.203 € 59.537

Box 3: per 01-01-2001 valt het pand door de

terbeschikkingstellingsregeling in box 1, derhalve wordt het

voordeel in box 3 gehalveerd € 3.667

In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt verminderd:

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning F 131.203

Af: de door eiseres gestelde voor twee maanden niet ontvangen

huur van (2 x f 18.000 =) F 36.000

Af: advocaatkosten F 4.187

Uiteindelijk vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning F 91.016 € 41.276

3. Geschil

In geschil is of verweerder terecht de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) heeft toegepast.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

“Onder werkzaamheid wordt mede verstaan:

a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - door deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden;”

Vast staat dat eiseres eigenaar is van het pand. Ook staat vast dat zij het pand in augustus 1992 heeft verhuurd aan haar echtgenoot, die tot 1 februari 1999 een restaurant heeft geëxploiteerd in het gehele pand en vanaf 1 februari 1999 een afhaalrestaurant in een deel van het pand. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat de situatie op 1 januari 2001 anders was dan voor die datum. Daarmee is de toepasselijkheid van de terbeschikkingstellingsregeling, die per 1 januari 2001 is ingevoerd, in beginsel gegeven. De echtgenoot van eiseres is immers een verbonden persoon en eiseres stelt aan hem een vermogensbestanddeel (het pand) ter beschikking dat door hem wordt gebruikt om belastbare winst uit onderneming te behalen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat eiseres het pand heeft verhuurd aan de heer [B]. Nu de heer [B] geen verbonden persoon is, is de terbeschikkingstellingsregeling volgens hem niet van toepassing.

De gemachtigde heeft desgevraagd bevestigd dat de huur van f. 18.000 per maand door de heer [B] is betaald aan de echtgenoot van eiseres en bij de echtgenoot als winst is verantwoord. Ook heeft de gemachtigde bevestigd dat de echtgenoot van eiseres nog steeds een deel van het pand huurt van eiseres voor het exploiteren van het afhaalcentrum. Eiseres ontvangt hiervoor geen huur en zij krijgt ook niets van de huur van de heer [B].

De gemachtigde kon geen verklaring geven voor het feit dat in het huurcontract met de heer [B] niet alleen eiseres als verhuurder is genoemd, maar ook haar echtgenoot. Hij heeft opgemerkt dat dit een administratieve kwestie is.

De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, aangezien uit de gang van zaken volgt dat de echtgenoot van eiseres feitelijk is opgetreden als verhuurder ten opzichte van de heer [B]. Op basis van de huurovereenkomsten die zich in het dossier bevinden en op basis van de huurontvangsten bij de echtgenoot, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiseres het hele pand aan haar echtgenoot ter beschikking heeft gesteld. De huurovereenkomst met de heer [B] moet in het licht van de feitelijke gang van zaken naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een onderverhuur door de echtgenoot van eiseres aan de heer [B]. De omstandigheid dat eiseres in het huurcontract met de heer [B] mede als verhuurder is genoemd, is onvoldoende voor een ander oordeel, aangezien eiseres geen huur van de heer [B] heeft ontvangen. De stelling dat de vermelding van de echtgenoot van eiseres in het huurcontract met de heer [B] een administratieve kwestie is, overtuigt niet, juist omdat eiseres de huur van de heer [B] niet heeft ontvangen. De huur van de heer [B] is zelfs als winst van de echtgenoot van eiseres verantwoord.

De door verweerder berekende correctie is naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog. Verweerder heeft immers slechts gerekend met de huurprijs die is overeengekomen met de heer [B] voor een deel van het pand. Aan eiseres zou daarnaast een huurbedrag moeten toekomen voor het deel van het pand dat door de echtgenoot wordt gebruikt voor exploitatie van het afhaalcentrum. Verweerder heeft kennelijk ervan afgezien om voor dat deel een zakelijke huurprijs te bepalen en die prijs op te tellen bij de correctie.

Voor zover in het beroepschrift nog andere beroepsgronden gelezen kunnen worden, betreffen deze de bepaling van de winst van de echtgenoot van eiseres. Aangezien de winst van de echtgenoot niet van invloed is op de onderhavige aanslag van eiseres, kunnen die beroepsgronden onbesproken blijven.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. L.B.M. Klein Tank en mr. A.M.F. Geerling , rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.