Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BL1611

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
07/2690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Met verkoop van aandelenportefeuille behaalde winst kan niet via de “ruilgedachte” als niet gerealiseerd worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/2690

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 juni 2008

inzake

Stichting [X], gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [00].V.56.0112) vennootschapsbelasting met dagtekening 23 december 2006 opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 402.073.

Eiseres heeft op 10 januari 2007 bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 mei 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 juni 2007, ontvangen bij de rechtbank op 27 juni 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2008 te Arnhem.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar bestuurder [A], bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres voert de pensioenrechten uit welke zijn verleend aan in totaal vijf personen. Begin 2005 besloot de laatste der pensioengerechtigden (de heer [B]) per 1 september 2005 (vervroegd) met pensioen te gaan.

Per 31 december 2004 beliep het totaal van de effecten op de balans bij eiseres € 1.965.179. De effecten worden beheerd door ABN AMRO Bank (hierna: de bank). Aan dit beheer door de bank ligt een tussen de bank en eiseres gesloten “vermogensbeheerovereenkomst met volmacht” ten grondslag. Eiseres kan deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen. De bank beheerde de effecten volgens het profiel “gemengd aandelen”. Overeenkomstig dit profiel bestond de assetmix op 1 januari 2005 ongeveer uit 55% aandelen, 40% obligaties en 5% liquiditeiten/diversen.

Op grond van het feit dat de heer [B] vervroegd met pensioen ging, is in 2005 op grond van algemeen geldende bancaire normen door de bank aangedrongen op aanpassing van het beleggingsprofiel naar een profiel met een lager risico. Uiteindelijk is eiseres hiermee akkoord gegaan en zijn op 22 december 2005 nagenoeg alle aandelen vervreemd, waarbij eiseres per saldo een positief resultaat van € 282.289 behaalde. Deze verandering van de assetmix diende ervoor te zorgen dat de effectenportefeuille van eiseres viel binnen het beleggersprofiel “gemengd obligaties”. De assetmix van dit profiel is als volgt: aandelen 40%, obligaties 55% en liquiditeiten/diversen 5%.

Eiseres heeft de opbrengst op 22 en 29 december 2005 aangewend voor de aanschaf van nieuwe effecten. Een deel van de aandelen is vervangen door obligaties en de resterende aandelen zijn vervangen door minder risicovolle aandelen. Vóór de verkoop van het aandelenpakket (ultimo derde kwartaal 2005) was volgens opgaaf van de bank de verdeling tussen de effecten als volgt: aandelen 58,71%, obligaties 30,31% en liquiditeiten/diversen 10,98%. Na de verkoop van de aandelen (ultimo vierde kwartaal 2005) was volgens opgaaf van de bank de verdeling tussen de effecten als volgt: aandelen 48,5%, obligaties 44,1% en liquiditeiten/diversen 7,4%.

3. Geschil

Eiseres is primair van mening dat het met de verkoop van de aandelen behaalde resultaat op grond van de ruilarresten (met name het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1999, BNB 1999/321) niet tot de belastbare winst behoefde te worden gerekend. Redengevend hiervoor acht eiseres het feit dat niet winstrealisatie redengevend is geweest voor de vervreemding, doch de wens om te voldoen aan bancaire eisen. Verder stelt eiseres ter ondersteuning van het primaire standpunt dat het op 22 en 29 december 2005 aangekochte aandelenpakket van geheel gelijke aard is als het op 22 december 2005 vervreemde aandelenpakket, zodat dit (bedrijfs)economisch dezelfde plaats inneemt. Eiseres acht van belang dat zij, anders dan in de zaak die leidde tot bovengenoemd arrest, de verkoopopbrengst niet naar keuze kon herbeleggen, aangezien de herbelegging diende plaats te vinden binnen het nieuwe risicoprofiel en op grond van de vermogensbeheerovereenkomst niet eiseres, maar de bank feitelijk binnen het risicoprofiel die keuze kon maken.

Subsidiair is eiseres van mening dat op grond van de ruilarresten slechts een gedeelte van het verkoopresultaat tot de winst behoeft te worden gerekend, te weten een gedeelte dat in verhouding staat met de door de herschikking binnen de effectenportefeuille veroorzaakte afname van de post “aandelen” binnen de feitelijke assetmix van eiseres. De rechtbank verstaat deze beroepsgrond, herleid voor kennelijke verrekeningen, aldus. Nu deze post “aandelen” hierdoor daalde met 17,39% (een afname van 58,71% naar 48,5% is, anders dan eiseres meent niet een afname van 10,21%), dient 17,39% van het verkoopresultaat, te weten een bedrag van € 49.090 (17,39% van € 282.289) tot de belastbare winst te worden gerekend.

Meer subsidiair stelt eiseres zich op eenzelfde standpunt, doch dit standpunt gaat ervan uit dat dat gedeelte van de verkoopopbrengst tot de belastbare winst dient te worden gerekend, dat in verhouding staat met het verschil in de post “aandelen” tussen het beleggersprofiel “gemengd aandelen” (aandelen 55%) en het beleggerprofiel “gemengd obligaties” (aandelen 40%). Gecorrigeerd voor kennelijke verrekeningen komt dit standpunt van eiseres erop neer dat 27,27% (een afname van 55% naar 40% is, anders dan eiseres meent niet een afname van 15%) van het verkoopresultaat, te weten een bedrag van € 76.980 (27,27% van € 282.289) tot de belastbare winst dient te worden gerekend.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

Verweerder is van mening dat de ruilarresten niet van toepassing zijn en het verkoopresultaat terecht tot de belastbare winst is gerekend. Redengevend hiervoor acht verweerder het feit dat de nieuw aangekochte effecten niet van geheel gelijke aard zijn en niet eenzelfde economische plaats innemen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Als hoofdregel heeft te gelden dat bij vervreemding van een vermogensbestanddeel het verschil tussen de boekwaarde en de waarde van de ontvangen tegenprestatie in de winst tot uiting komt. Indien sprake is van ruil, of van een situatie waarbij na vervreemding van het vermogensbestanddeel een vervangend vermogensbestanddeel wordt aangekocht, laat goed koopmansgebruik echter toe dat, indien het vervangend vermogensbestanddeel functioneel en economisch dezelfde plaats inneemt binnen het ondernemingsvermogen, winstrealisatie ter zake van de vervreemding achterwege blijft.

Met betrekking tot effecten heeft de Hoge Raad in bovenvermeld arrest de hoofdregel gepreciseerd. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat bij vervreemding van tot een ondernemingsvermogen behorende effecten in beginsel sprake is van winstrealisatie. Volgens de Hoge Raad ligt zulks slechts anders indien sprake is van nieuw aangekochte effecten welke van geheel gelijke aard zijn als de verkochte effecten en daardoor in economische zin dezelfde plaats innemen in de effectenportefeuille.

De rechtbank is van oordeel dat de vervangende effecten van eiseres niet aan bovengenoemd criterium voldoen. Het doel van de aan- en verkoop van de aandelenportefeuille van eiseres is volgens eiseres geweest om te komen tot een assetmix dat paste bij een beleggersprofiel met een lager risico. Daarbij zijn (nagenoeg) alle aandelen vervreemd en zijn met de opbrengst deels andere, minder risicovolle effecten (blijkbaar voornamelijk obligaties) aangekocht en deels wederom aandelen aangekocht, doch aandelen welke minder risicovol waren. Bij de vervangende effecten stond (ten opzichte van de oorspronkelijke effecten) derhalve voorop de noodzaak om deze effecten binnen afzienbare tijd om te kunnen zetten in liquiditeiten en de noodzaak om dit te kunnen doen binnen aanvaardbare risico’s. Redengevend is hiervoor (onder andere) geweest het vervroegd opeisbaar zijn van de pensioenverplichtingen jegens [B]. Bij de vervangende effecten lag aldus, binnen een bepaalde bandbreedte meer de nadruk op waardevastheid en liquiditeit dan bij de vervreemde aandelen, terwijl bij de vervreemde aandelen meer de nadruk lag op (verwacht) rendement dan bij de vervangende effecten. Hoewel zowel de vervreemde aandelen als de aangekochte effecten dienden ter dekking van dezelfde pensioenverplichtingen, betekent het bovenstaande dat naar het oordeel van de rechtbank de vervangende aandelen niet van geheel gelijke aard zijn als de verkochte effecten en daardoor in economische zin niet dezelfde plaats innemen in de effectenportefeuille van eiseres.

De stelling van eiseres dat niet zij, doch de bank de vrije keuze had bij de vervanging van de effecten, leidt, wat er verder van deze stelling zij, niet tot een ander oordeel, nu eiseres de vermogensbeheerovereenkomst met onmiddellijke ingang kon opzeggen.

Ten slotte kan ook het feit dat winstrealisatie niet het oogmerk van eiseres zou zijn geweest, eiseres niet baten, nu het bestaan van een dergelijk oogmerk geen voorwaarde is voor winstrealisatie.

Gelet op het vorenoverwogene kunnen zowel het primaire, als het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van eiseres niet slagen en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr.M.C.G.J. van Well, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.