Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BL1014

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
07/4060
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. Omkering van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/4060

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 6 mei 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Lelystad, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [00].H.97) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 154.651 (fl. 340.806).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 september 2007 eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 september 2007, ontvangen bij de rechtbank op

18 september 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008 te Arnhem.

Eiser en zijn gemachtigde zijn daar -met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank- niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser drijft in 1999 een taxionderneming in de vorm van een eenmanszaak.

Eiser heeft over 1999 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen van € 22.185 (fl. 48.890). In deze aangifte is een bedrag van € 37.850 (fl. 83.411) aan winst uit onderneming aangegeven in verband met de exploitatie van het taxibedrijf. Uit de jaarstukken over 1999 volgt dat met de taxionderneming in totaal een omzet is behaald van € 267.995 (fl. 590.584).

Met dagtekening 26 januari 2001 is de aanslag IB/PVV over 1999 aan eiser opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 20.823 (fl. 45.890).

In januari 2001 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij de taxionderneming van eiser. De bevindingen van dit onderzoek zijn aanleiding geweest tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. Bij dit onderzoek hebben acht chauffeurs die voor eisers taxibedrijf werkzaam zijn geweest, tegenover de FIOD-ambtenaren bekennende c.q. belastende verklaringen afgelegd. Uit die verklaringen is naar voren gekomen dat de chauffeur(s) na afloop van de dienst de originele rittenstaat inleverde en dat de helft van de opbrengst, nadat deze was verminderd met brandstofkosten en betaalde tipgelden, werd achterhouden als zwart loon. De originele rittenstaten werden vervolgens vernietigd in de papierversnipperaar. Eiser zou vervalste rittenkaarten hebben opgemaakt en deze hebben verwerkt in de boekhouding van de taxionderneming. Het onderzoek heeft ondermeer geleid tot de conclusie dat de omzet van het taxibedrijf tot de helft werd afgeroomd en dat eiser zodoende een te laag resultaat heeft aangegeven in de aangifte IB/PVV over 1999.

Eiser is door de Rechtbank Zwolle, het Gerechtshof Arnhem en de Hoge Raad strafrechtelijk veroordeeld wegens het ondermeer opzettelijk onjuist aangifte IB/PVV over 1999 doen.

De bevindingen van het FIOD-onderzoek en het boekenonderzoek zijn voor verweerder aanleiding geweest tot het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV over 1999 (hierna: de navorderingsaanslag). De navorderingsaanslag is gedagtekend op 19 mei 2004. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is uitgegaan van het –tijdens het FIOD-onderzoek- gebleken uitgangspunt dat slechts de helft van de omzet fiscaal verantwoord werd. De navorderingsaanslag is als volgt vastgesteld:

1999

Vastgesteld belastbaar inkomen € 20.823 (fl. 45.890)

Omzetcorrectie € 267.994 (fl. 590.582)

Af: loonbetalingen buiten boekhouding € 66.755 -/- (fl. 147.110)

Af: naheffing loonbelasting € 52.242 -/- (fl. 115.127)

Af: naheffing omzetbelasting € 15.169 -/- (fl. 33.429)

Gecorrigeerd belastbaar inkomen € 154.651 (fl. 340.806)

Met dagtekening 14 oktober 2006 heeft verweerder aan eiser een “Mededeling inkomstenbelasting/premie volksverz.” verzonden betreffende de navorderingsaanslag.

Eiser heeft bij brief van 20 oktober 2006, ontvangen bij verweerder op 21 oktober 2006, bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

Bij uitspraak op bezwaar van 12 september 2007 heeft verweerder eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar ambtshalve beoordeeld. Dit heeft niet geleid tot een verlaging van de navorderingsaanslag.

3. Geschil

In geschil is of verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan wel op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht.

Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend als deze voor het einde van de 6-wekentermijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De rechtbank stelt voorop dat eerst dient te worden vastgesteld wanneer de bezwaartermijn is aangevangen. In beginsel geldt, indien het besluit per post wordt verzonden, de dag van verzending als de dag van bekendmaking van het besluit.

Eiser heeft bij brief van 2 november 2007 aangegeven dat hij niet eerder bezwaar heeft kunnen maken omdat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen. Eiser stelt dat hij in 2006 via een overzicht van verweerder voor het eerst op de hoogte is geraakt van het bestaan van de navorderingsaanslag. Eiser heeft niet (gemotiveerd) betwist dat verweerder het aanslagbiljet vóór of uiterlijk op de datum van de dagtekening naar het juiste adres heeft verzonden. Nu het aanslagbiljet is gedagtekend op 19 mei 2004 en de rechtbank geen aanleiding heeft om aan te nemen dat dit besluit pas na die datum is verzonden, stelt de rechtbank vast dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 30 juni 2004. Dit betekent dat eiser zijn bezwaarschrift van 20 oktober 2006 te laat heeft ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dit kader is van belang of eiser het aanslagbiljet heeft ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder het bewijs te leveren dat het aanslagbiljet op het adres van eiser is aangeboden of ontvangen, dan wel hem anderszins heeft bereikt (vgl. Hoge Raad 27 maart 1996, nr. 30 803, BNB 1996/229 en Hoge Raad 23 december 1998, nr. 34 121, BNB 1999/42). Nu verweerder slechts op basis van vermoedens de stelling inneemt dat eiser het aanslagbiljet wél heeft ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Derhalve acht de rechtbank verweerder er niet in geslaagd om de betwisting van de ontvangst van het aanslagbiljet te ontkrachten.

Op grond van het vorenoverwogene oordeelt de rechtbank dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser ter zake van het te laat ingediende bezwaarschrift in verzuim is geweest. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser binnen een week heeft gereageerd nadat hij bekend is geworden met de navorderingsaanslag. Nu er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Eisers beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dient de rechtbank verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van deze regel kan worden afgeweken als partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter of indien duidelijk is dat eiser niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (vgl. HR 9 juni 2006, BNB 2006/290). Verweerder is in de uitspraak op bezwaar reeds ambtshalve ingegaan op het bezwaar van eiser. Nu alle relevante feiten op dat moment al bekend waren bij verweerder en eiser de rechtbank nadrukkelijk heeft verzocht om de zaak verder af te doen, oordeelt de rechtbank dat de zaak niet naar verweerder terugverwezen hoeft te worden. Derhalve kan de rechtbank overgaan tot inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser opzettelijk een onjuiste aangifte IB/PVV over 1999 heeft gedaan. Volgens verweerder heeft dit tot gevolg dat ingevolge artikel 27e van de AWR de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Daarnaast is verweerder van oordeel dat eiser niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52, eerste lid, van de AWR en de bewaarplicht van artikel 52, vierde lid, van de AWR. Verweerder wijst erop dat dit tot gevolg heeft dat het beroep ongegrond moet worden verklaard tenzij gebleken is dat en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is.

Verweerder heeft zich bij de vaststelling van de navorderingsaanslag op het standpunt gesteld dat eiser in zijn fiscale jaarstukken slechts de helft van de werkelijk behaalde omzet heeft verantwoord. Dit standpunt is gebaseerd op de bevindingen van het FIOD-onderzoek. Verweerder wijst erop dat niet meer kan worden vastgesteld wat eiser daadwerkelijk aan omzet heeft behaald, aangezien de originele rittenstaten zijn vernietigd en in de administratie valse rittenstaten zijn opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar de bevindingen van het FIOD-onderzoek, voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser tot een aanmerkelijk bedrag, zowel in absolute als relatieve zin (in verhouding tot het aangegeven belastbaar inkomen), verwijtbaar te laag aangifte heeft gedaan. Hierdoor heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan. Toepassing van artikel 27e, onder a, van AWR brengt mee dat de rechtbank de navorderingsaanslag in stand moet laten, tenzij eiser aantoont dat en in hoeverre de door verweerder opgelegde navorderingsaanslag onjuist is.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag vernietigd dient te worden. Nu eiser deze stelling niet nader heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond of en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is.

De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De navorderingsaanslag dient te berusten op een redelijke schatting (vgl. HR 29 september 1993, BNB 1993/330).

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder de correctie willekeurig heeft vastgesteld, nu de bevindingen van het FIOD-onderzoek en het boekenonderzoek ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslag.

Gelet op het vorenoverwogene verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond en dient de navorderingsaanslag te worden gehandhaafd.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar ongegrond en handhaaft de navorderingsaanslag, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.A.V. Boxem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.