Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BK0977

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
AWB 07/2689
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Beroep op saldomethode op uitkering uit kapitaalverzekering met lijfrenteclausule via gelijkheidsbeginsel niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2484

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2689

Uitspraakdatum: 17 maart 2008

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, hierna: IB/PVV (aanslagnummer [.].H37) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.183.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2007 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij ongedateerde brief, ontvangen bij de rechtbank op 27 juni 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007 te Arnhem.

Eiseres is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

De zaak is aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen intern nadere inlichtingen in te winnen en zijn bevindingen daaromtrent op schrift aan de rechtbank te doen toekomen.

Verweerder heeft bij brief van 11 januari 2008 schriftelijk gereageerd. Eiseres is in de gelegenheid gesteld op deze brief schriftelijk te reageren. Dit heeft zij gedaan bij brief van 28 januari 2008.

Beide partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere mondelinge behandeling.

2. Feiten

Eiseres is geboren op 7 april 1949 en is ongehuwd. Zij is thans werkzaam bij de Stichting [B] in [Q].

In 1988 heeft eiseres een verzekeringsovereenkomst gesloten bij [C] (hierna: de verzekeraar). Dit betreft een zogenoemde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule (hierna: de verzekering). De expiratiedatum van de verzekering verliep op 31 december 2003.

De koopsom bedroeg fl. 17.500. Deze koopsom is door de vader van eiseres betaald aan de verzekeraar.

In 1988 ontving eiseres een bijstandsuitkering. Zij stelt dat zij in 1988 geen aangifte heeft gedaan voor de IB/PVV.

Na expiratie van de verzekering in 2003 heeft eiseres van het expiratiekapitaal geen lijfrente aangekocht. Het expiratiekapitaal, ter grootte van € 23.441, is aan eiseres uitgekeerd. Zij heeft dit bedrag niet vermeld in de aangifte IB/PVV 2003.

Verweerder heeft dit na constatering in 2006 gecorrigeerd, hetgeen heeft geresulteerd in de onderhavige navorderingsaanslag.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of het gehele expiratiekapitaal dat eiseres in 2003 uit hoofde van de verzekering heeft ontvangen, belast is voor de IB/PVV. In dat verband is met name in geschil of de zogenoemde saldo-methode kan worden toegepast.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt de vraag bevestigend.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

In het beroepschrift van eiseres is het volgende opgenomen:

“Betreft bezwaar aanslagen 2003 en 2004 met als kenmerk 0[.] (…)

In het jaar 2003 en 2004 kreeg ik van de [C] lijfrenteverzekeringen uitgekeerd die indertijd door mijn vader zijn afgesloten.

(…) en daar kreeg ik aan het eind van 2006 een naheffing t.w.

€ 9481,- over het jaar 2003 en

€ 9695,- over het jaar 2004. (…)

Het is in dit geval een kwestie van vertrouwen.”.

Bij het beroepschrift was gevoegd het besluit van 31 mei 2007, kenmerk 0[.] inzake de navorderingsaanslag inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2003, aanslagnummer [.].H37.

In de brief van 6 juni 2007 van verweerder aan eiseres is onder meer het volgende opgenomen:

“Na correspondentie heb ik uw bezwaar tegen de aanslag 2003 en het verzoek tegen de aanslag 2004 d.d. 31 mei 2007 afgewezen. Uw brief geeft mij geen aanleiding mijn standpunt te wijzigen. (…)

Mocht u het niet eens zijn met de uitspraken van 31 mei 2007 dan verwijs ik u naar de toelichting bij het bezwaar inzake de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de uitspraak.”.

In vervolgcorrespondentie van eiseres en verweerder inzake voormelde brief van 6 juni 2007 is telkens sprake van de aanslag met kenmerk 0[.].”.

Tegen de aanslag IB/PVV 2004 is eerst circa een half jaar na dagtekening bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding en heeft ambtshalve geen aanleiding gevonden die aanslag te herzien. Eiseres heeft ter zake geen enkel verweer gevoerd en heeft ter zake geen enkel gegeven en/of omstandigheid aangevoerd.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 31 mei 2007 inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 met aanslagnummer 0[.].H37.

Belastbaarheid expiratiebedrag

Het door eiseres in 2003 ontvangen expiratiekapitaal behoort ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 tot de inkomsten uit de zogenoemde box 1. Dat punt is overigens op zich niet in geschil.

Saldomethode

Het bedrag dat daarbij voor de belastingheffing in aanmerking moet worden genomen is in de wet gesteld op het expiratiekapitaal, verminderd met het bedrag dat indertijd bij de bepaling van het belastbare inkomen als lijfrentepremie (waaronder begrepen de koopsom)

in aanmerking kon worden genomen.

Dit betekent dat, nu vaststaat dat de koopsom in het jaar 1988 als persoonlijke verplichting volledig aftrekbaar was van het zuivere inkomen, het expiratiekapitaal tot het volle bedrag belastbaar is. Niet van belang is derhalve of de koopsom daadwerkelijk in aftrek is gebracht. Dit volgt uit het gebruik van het woord “kon” in artikel 25, eerste lid onderdeel g, onder ten 1e van de Wet IB 1964.

Goedkeurend beleid

Voor het geval in het jaar van betaling van de koopsom deze niet ten laste is gebracht van het inkomen, is in de Resolutie van de Staatssecretaris van 29 juni 1990, nr DB90/3579, BNB 1990/341 (hierna: de Resolutie), onder voorwaarden goedgekeurd dat deze niet in aftrek gebrachte koopsom wordt aangemerkt als koopsom die niet op het inkomen in mindering kon worden gebracht.

Bedoelde voorwaarden luiden:

1. dat de belastingplichtige aantoont dat de lijfrentepremies (koopsom) in het verleden niet op het inkomen in mindering zijn gebracht;

2. dat de belastingplichtige tegenover de inspecteur aannemelijk maakt dat het niet aftrekken niet is te wijten aan opzet of grove schuld, of wel dat niet welbewust is afgezien van aftrek van premie.

De bewijslast inzake het niet in aftrek hebben gebracht van de koopsom in het jaar van storting (1988) rust op eiseres.

Eiseres heeft gesteld dat het voor haar onmogelijk is aan te tonen dat zij de koopsom niet in aftrek heeft gebracht op haar inkomen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Eiseres kan daardoor niet van de in de Resolutie gegeven goedkeuring profiteren.

Dit betekent dat het expiratiekapitaal volledig belast is.

Gelijkheidsbeginsel

Op 19 november 2007, na het indienen van het verweerschrift, heeft eiseres een nader stuk ingediend, waarin zij refereert aan de (in haar visie) vergelijkbare situatie van haar broer en zus.

De rechtbank verstaat dit aanvullend stuk aldus dat eiseres een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel.

Gelet op het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank besloten de zaak aan te houden. Verweerder heeft nader onderzoek gedaan naar de situatie van de broer en de zus van eiseres. De desbetreffende broer ressorteert onder dezelfde eenheid als eiseres. De zus ressorteert onder de eenheid Belastingdienst/regio [R]. Verweerder heeft intern inlichtingen ingewonnen en zijn bevindingen neergelegd in het schrijven van 11 januari 2008. In haar reactie van 28 januari 2008 gaat eiseres nader in op de brief van verweerder van 11 januari 2008 en gaat zij in op de positie van andere familieleden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid, een begunstigend oogmerk of door schending van de meerderheidsregel en bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Wanneer is gehandeld uit een oogmerk van begunstiging is eerst sprake van gelijke gevallen als deze tot dezelfde groep behoren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn brief van 11 januari 2008 aannemelijk gemaakt dat eiseres rechtens en feitelijk niet in dezelfde situatie verkeert als haar broer en zus. Hieruit volgt dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

Ter toelichting merkt de rechtbank nog het volgende op. Verweerder is bevoegd ter zake van één broer van eiseres. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens, ter zake ligt de bewijslast overigens in principe op eiseres, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van begunstigend beleid van de verweerder. Nu sprake is van twee gevallen waarvoor verweerder bevoegd is, kan ook de zogenoemde meerderheidsregel geen toepassing vinden. Ook rekening houdende met hetgeen is komen vast te staan met betrekking tot de andere familieleden van eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding tot toepassing van de saldomethode.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Gelet op het vooroverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.D. van Norden, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.