Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BJ2836

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
AWB 07/2116 en 07/2117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete. Administratieve boekingsfout over een langere periode kan leiden tot meerdere boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2116 en 07/2117

Uitspraakdatum: 29 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het jaar 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB), aanslagnummer [F.01], opgelegd ten bedrage van € 61.445, alsmede bij beschikking een boete van € 3.072 (5%).

Verweerder heeft aan eiseres over het jaar 2005 een naheffingsaanslag OB, aanslagnummer 89.13.031.F.01.5501, opgelegd ten bedrage van € 85.227, alsmede bij beschikking een boete van € 4.261(5%).

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voor het jaar 2004 en 2005 opgelegde boetes.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 april 2007 de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 14 mei 2007, ontvangen bij de rechtbank op 21 mei 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2007 te Arnhem.

Namens eiseres is aldaar verschenen mr. [A] (hierna: de gemachtigde) tot bijstand vergezeld van [B] (direkteur van eiseres). Namens verweerder is verschenen [C].

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Hij heeft deze pleitnota voorgelezen.

2. Feiten

Eiseres houdt zich bezig met het exploiteren en doen exploiteren van een transport-, expeditie- en opslagbedrijf.

Bij eiseres heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. Hiervan is op 2 januari 2007 rapport opgemaakt. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften Vennootschapsbelasting en OB over de jaren 2002 en 2003. Het rapport is aan eiseres toegezonden. Zij heeft het rapport doorgezonden aan de gemachtigde.

Bij brief van 17 januari 2007 heeft de gemachtigde schriftelijk op het rapport gereageerd.

Deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Wij willen benadrukken, dat de administratie van cliënte op een correcte wijze wordt bijgehouden. De afwijkingen in de aangiften omzetbelasting hebben niet te maken met slordigheden maar met een systeemfout qua boekingssystematiek. In het transport is gebruikelijk bij bovennormale stijgingen van de brandstofprijs een toeslag op de brandstof te berekenen. Dit is in casu ook gebeurd, waarbij echter deze (bruto)brandstoftoeslag niet in de omzet is geboekt, maar direct in mindering is gebracht op de kostenrekening brandstof. De omzetbelasting is door deze wijze van boeken niet direct zichtbaar geworden en derhalve ongelukkigerwijs niet direct afgedragen. Opzet speelt hierbij geen enkele rol. Eerst bij het samenstellen van de jaarrekening is een en ander duidelijk geworden. In jaarrekening zijn

de juiste bedragen vermeld.

(…)

Helaas kan worden vastgesteld, dat men zich onvoldoende heeft gerealiseerd, dat vermelding in de jaarrekening niet gelijk stond aan het doen van een suppletie aangifte, (…). Uitgaande van het feit,

dat de belastingdienst als eenheid opereert (dus zowel voor de vennootschapsbelasting als de omzetbelasting is dezelfde eenheid competent) is ervan uit gegaan, dat nu de gegevens middels (de bijlage bij) genoemde aangifte vennootschapsbelasting aan de belastingdienst werden verstrekt een aparte suppletie omzetbelasting achterwege kon blijven. Eerst bij het boekenonderzoek is cliënt duidelijk geworden, dat dit niet het geval is. Cliënt betreurt deze gang van zaken ten zeerste, doch acht opzet c.q grove schuld, zeker gezien de hierboven geschetste gang van zaken, absoluut niet aan de orde. Er is over meerdere jaren een zelfde systematische boekingsfout gemaakt, welke fout is geconstateerd bij het samenstellen van de jaarrekening. In dit verband merken wij nog op, dat de jaarrekeningen pas in een laat stadium zijn afgewikkeld. Mede hierdoor heeft genoemde foutieve boekingsmethodiek helaas langere tijd kunnen plaatsvinden. In dat verband is het voorts naar ons oordeel uitermate onredelijk, nu sprake is van een systeemfout, over alle jaren boeten op te leggen. Zeker het opleggen van een vergrijpboete dient naar ons oordeel niet plaats te vinden.

In het licht van bovenstaande komt ons voorts vreemd over, dat over het jaar 2002 een vergrijpboete wordt opgelegd van 50 procent en over het jaar 2003 een verzuimboete van

10 procent. Er is immers sprake van één feit (een systematische fout welke zich over meerdere jaren uitstrekte), waarbij opzet of grove schuld absoluut niet aan de orde zijn (zie hiervoor).

(…)

Nu het rapport van het boekenonderzoek echter voorligt hebben wij geconstateerd, dat blijkens genoemd rapport uitsluitend over de jaren 2002 en 2003 naheffing plaatsvindt. Dit is onjuist. Ook in de jaren 2004 en 2005 heeft genoemde systeemfout plaatsgevonden. Gezien de hoge brandstofprijzen in deze jaren is sprake van aanzienlijke nog af te dragen bedragen aan omzetbelasting. (…) Inmiddels heeft cliënte deze bedragen aan de belastingdienst overgemaakt. Het systeem van boeken is aangepast, zodat de in het verleden plaats gevonden hebbende systeemfout niet langer aan de orde kan zijn.

Op grond van bovenstaande verzoeken wij u uw standpunt, dat sprake zou zijn van opzet of grove schuld, een vergrijpboeten van 50 procent rechtvaardigend, te heroverwegen. Hierbij kan voorts nog worden meegenomen, dat alsdan sprake zou zijn van een in absolute zin onevenredig hoge sanctie, zulks gezien de voorliggende feiten en omstandigheden (zie hiervoor).”

Over het jaar 2002 is aan eiseres een vergrijpboete opgelegd van 50%. Over het jaar 2003 is een verzuimboete opgelegd van 10%.

Verweerder heeft op 1 februari 2007 schriftelijk gereageerd op de brief van de gemachtigde van 17 januari 2007.

In de brief van 1 februari 2007 is met betrekking tot de boete het volgende vermeld:

“Standpunt inspecteur

De kennisgeving is louter bedoeld om tegen de aangekondigde boete te ageren. Indien u ook na het ontvangen van de aanslagen nog steeds overwegende bezwaren tegen de correcties heeft, kunt u deze via de gebruikelijke rechtsmiddelen bestrijden. Wel heeft de controlerend ambtenaar de argumenten m.b.t. de correcties beoordeeld, maar in dit stadium geen reden gezien om daarop terug te komen.

De gronden voor het opleggen van de boete hebben niet zozeer te maken met de gemaakte fouten waardoor de verschillen zijn ontstaan, maar met het feit dat voor het geconstateerde bedrag dat te weinig is afgedragen geen suppletie is ingediend.

Gezien de hoogte van de te weinig afgedragen BTW in absolute zin over het jaar 2002, wordt (voorwaardelijke) opzet verondersteld, nu het nog verschuldigde bedrag uit de jaarrekening blijkt en belanghebbende van het bestaan van die schuld op de hoogte moet of zou moeten zijn. Dit pleit temeer, omdat mag worden aangenomen, dat nu belanghebbende kennelijk zelf de aangiften BTW verzorgt, hij ook met de regels hieromtrent op de hoogte zal zijn. Althans indien dit niet het geval mocht zijn, heeft hij door toch zelf de aangiften BTW te verzorgen daarmee willens en wetens de reële kans aanvaard, dat dit handelen tot gevolg heeft dat te weinig belasting wordt afgedragen. Dit is gelijk te stellen met voorwaardelijk opzet. Daarnaast mag ook worden aangenomen, dat het jaarrapport met belanghebbende wordt besproken, waarbij alsdan op de nog in te dienen suppletie wordt gewezen.

Ook zal bij de afwikkeling van het jaarrapport 2003 en vervolgens 2004 en 2005 opgevallen zijn dat de balansschulden over voorgaande jaren nog niet was afgedragen, hetgeen dan aanleiding zal zijn om actie te ondernemen.

Ook al zal belanghebbende van de gedachte uitgaan, dat met de indiening van de jaarstukken geen suppletie nodig was, dan nog zal hij zich in een later stadium realiseren, dat die gedachte kennelijk niet juist is, nu geen aanslagen BTW werden opgelegd.

Wat het opleggen van een verzuimboete over 2003 betreft, kan worden opgemerkt dat bij het opleggen van de boetes de resolutie van de staatssecretaris d.d. 18 december 2001, DGB2001/1694M is toegepast. Volgens die resolutie wordt een verzuimboete van 10% opgelegd, indien de nog af te dragen belasting minder dan 10% bedraagt van de belasting die op aangifte is voldaan en tevens minder dan € 11.500 bedraagt. In casu is dit het geval m.b.t. het jaar 2003. In het jaar 2002 wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld om een boete van 50% op te leggen, wegens aangenomen opzet. (…)

“Beslissing

Op grond van artikel 67f van de AWR en paragraaf 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 handhaaf ik het voornemen om een vergrijpboete van 50% wegens

(voorwaardelijke) op te leggen over het jaar 2002.

Ingevolge paragraaf 44 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 worden de omstandigheden genoemd, die aanleiding kunnen zijn om de boete te matigen. Ik constateer,

dat inmiddels het systeem van boeken is aangepast, zodat de in het verleden plaats gevonden

hebbende systeemfout niet langer aan de orde zou kunnen zijn. Bovendien is naar aanleiding van het boekenonderzoek actie ondernomen voor de jaren 2004 en 2005 en zijn grote verschillen die dezelfde oorzaak hadden alsnog afgedragen. Ook constateer ik een verhoudingsgewijs groot verschil in de uitwerking van de straftoemeting ten aanzien van 2002 en het latere jaar 2003. Gezien het geheel van feiten en omstandigheden ben ik van mening, dat de boete gematigd dient te worden tot een bedrag van € 6.000.

De grondslag van de boete is de correctie die is aangebracht.”

Met betrekking tot de jaren 2004 en 2005 heeft eiseres op 23 februari 2007 respectievelijk

27 maart 2007 een suppletieaangifte OB ingediend. Naar aanleiding hiervan zijn naheffingsaanslagen OB alsmede verzuimboetes van 5% opgelegd.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of voor de onderhavige jaren, 2004 en 2005, terecht een verzuimboete aan eiseres is opgelegd.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beide boetes tot nihil dan wel vermindering tot een nader door de rechtbank te bepalen bedrag. Tevens verzoekt zij om toekenning van een proceskostenvergoeding.

Verweerder concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar en ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Niet horen in bezwaar

Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Zij acht dit onrechtmatig.

Op grond van artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) juncto artikel 7:2 van de Awb, kan een belanghebbende op zijn verzoek worden gehoord.

Nu eiseres in de bezwaarfase geen verzoek tot horen bij verweerder heeft ingediend, oordeelt de rechtbank dat er geen schending van de hoorplicht heeft plaatsgevonden.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

Verzuimboetes

Voor de jaren 2004 en 2005 zijn aan eiseres verzuimboetes opgelegd. Deze verzuimboetes zijn opgelegd ingevolge artikel 67c van de AWR en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB 1998).

Artikel 67c, eerste lid, van de AWR bepaalt dat, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden betaald niet, gedeeltelijk niet, of niet binnen de door de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur een boete van maximaal € 4.537 kan opleggen.

Op grond van paragraaf 24, eerste lid, van het BBBB 1998 bedraagt de verzuimboete

10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4.537. In afwijking van het eerste lid van paragraaf 24 kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537 indien sprake is van vrijwillige verbetering in de zin van paragraaf 28, derde lid van het BBBB 1998.

Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de jaren 2004 en 2005 de situatie zich voordoet zoals omschreven in artikel 67c van de AWR juncto paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998.

Verweerder heeft met inachtneming van voornoemde bepalingen voor de jaren 2004 en 2005 een verzuimboete opgelegd van 5%.

Vertrouwensbeginsel

Eiseres stelt evenwel dat er in casu, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, geen plaats (meer) is voor het opleggen van een (verzuim-)boete voor de jaren 2004 en 2005. Zij doet in dit kader een beroep op het vertrouwensbeginsel. Aan de brief van verweerder van 1 februari 2007 stelt eiseres het vertrouwen te hebben ontleend dat de boete over de jaren 2002, 2003, 2004 én 2005 in totaal € 6.000 zou bedragen. Nu dit bedrag reeds is opgenomen in de naheffingsaanslag OB over de periode tot en met 2003 is er, in de visie van eiseres, geen ruimte meer voor het opleggen van een (verzuim-)boete over de jaren 2004 en 2005.

Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat verweerder verwachtingen bij eiseres heeft gewekt door middel van het doen van bepaalde uitlatingen, handelingen of juist door het nalaten daarvan. Op grond van hetgeen ter zitting is aangevoerd

alsmede op grond van de gedingstukken, waaronder in het bijzonder het hiervoor geciteerde deel van de brief van verweerder van 1 februari 2007, is niet aannemelijk geworden dat verweerder verwachtingen heeft gewekt bij eiseres waaraan eiseres redelijkerwijs het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat over de jaren 2004 en 2005 geen (verzuim-)boete (meer) zou worden opgelegd. Daarbij hecht de rechtbank in het bijzonder waarde aan de omstandigheid, welke ter zitting door verweerder naar voren is gebracht, dat ten tijde van de brief van 1 februari 2007 aan eiseres nog geen verzuimboetes waren opgelegd over de jaren 2004 en 2005. Gelet hierop kon eiseres de brief van 1 februari 2007 redelijkerwijs niet opvatten als een toezegging met betrekking tot de (maximale) hoogte van de boetes over de jaren 2002 tot en met 2005.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft dan ook geen doel.

Proportionaliteitsbeginsel

Ter zitting heeft eiseres de rechtbank verzocht de boetes over de jaren 2004 en 2005 in ieder geval te matigen. Eiseres is van mening dat het gaat om één feit (de systeemfout) en dat in het licht van dit gegeven de “totale” boete erg hoog is.

De rechtbank verstaat het betoog van eiseres aldus dat zij stelt dat de boetes niet in verhouding staan tot de ernst van het feit (proportionaliteitsbeginsel).

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiseres veronderstelt, het in deze niet gaat om één feit, waarvoor (slechts) één boete kan worden opgelegd. De grond voor het opleggen van de boetes is niet gelegen in de systeemfout, maar is gelegen in het feit dat voor het geconstateerde verschil door eiseres niet tijdig een suppletieaangifte OB werd ingediend.

In de omstandigheden van het geval (zie hiervóór onder 2.) heeft verweerder aanleiding gezien de boetes over de jaren 2002 en 2003 te matigen. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de verzuimboetes over de jaren 2004 en 2005 te matigen.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank de hoogte van de over de jaren 2004 en 2005 opgelegde verzuimboetes passend en geboden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan dient te worden geconcludeerd dat de boetes niet in verhouding staan tot de ernst van het feit.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier,

De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.