Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BH0572

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/2476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering van voorschotten op subsidies, verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (SAN). De onverschuldigdheid van de voorschotten is niet komen vast te staan, zodat verweerder niet bevoegd was om de voorschotten terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2476

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 december 2008

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door R. Hertgers,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 april 2008.

2. Procesverloop

Bij besluiten van 13 juni 2005 (gewijzigd bij besluit van 12 november 2007), 14 juni 2005, 30 mei 2006 (gewijzigd bij besluit van 8 november 2007) en 8 juni 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit subsidies verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (SAN).

Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder eiser in verband met twee geconstateerde overtredingen een korting opgelegd van twee maal 5% per aanvraag op de voorschotten die over 2007 zijn verstrekt, te weten een bedrag van € 1.395,44, en dat bedrag van eiser teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard, de korting teruggebracht tot één maal 5% en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 21 oktober 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door bc. R. Hertgers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Bouchiba en mr. S. Peters, werkzaam bij de Dienst Regelingen.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt kort gezegd het standpunt van verweerder ten grondslag, dat terecht een korting van één maal 5% is opgelegd over de in 2007 verstrekte voorschotten, omdat op 3 september 2007 is geconstateerd dat twee geiten van eiser geen oormerken hadden en hij daarmee niet heeft voldaan aan de Europese en nationale minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, kortom de Goede Landbouwkundige Praktijk.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het primaire besluit van 26 november 2007 betreft mede een besluit tot terugvordering van verstrekte voorschotten als bedoeld in artikel 4:57 van de Awb. Volgens vaste rechtspraak kan een terugvorderingsbesluit alleen rechtmatig worden genomen, indien vaststaat dat sprake is van onverschuldigde betaling. Daarvan is eerst sprake, indien de publiekrechtelijke titel waarop de betaling berust, in dit geval de subsidieverlening, niet langer bestaat. Daartoe dient het bestuursorgaan over te gaan tot een besluit tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of tot vaststelling van de subsidie. Om redenen van rechtszekerheid moet een dergelijk besluit expliciet worden genomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2008, LJN: BC7593, en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 18 december 2003, LJN: AO1341).

Ter zitting is namens verweerder desgevraagd verklaard dat met het besluit van 26 november 2007 de subsidieverlening niet is gewijzigd of ingetrokken, maar is beoogd toepassing te geven aan artikel 39 van de SAN, dat in het tweede lid voorziet in een vermindering van het voorschot indien de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidieverlening, niet zijn nageleefd.

De rechtbank moet evenwel vaststellen dat deze bepaling ziet op de verstrekking van voorschotten en dat uit de bepaling niet voortvloeit dat bij een overtreding zoals hier aan de orde de reeds verstrekte subsidiebedragen onverschuldigd zijn betaald. De rechtbank stelt voorts vast, dat een (expliciet) besluit tot intrekking of wijziging van de subsidieverlening of vaststelling van de subsidie niet is genomen, zodat de onverschuldigdheid van de betaling niet is komen vast te staan. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bevoegd om op de voet van artikel 4:57 van de Awb over te gaan tot terugvordering van verstrekte voorschotten. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 5,60 aan reiskosten wegens het bijwonen van de zitting. De gestelde kosten van rechtsbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu ter zitting is gebleken dat R. Hertgers slechts incidenteel rechtshulp verleent, zodat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is. Ook de gestelde verletkosten van € 50 komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu die kosten niet met bewijsstukken zijn onderbouwd. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 5,60 en wijst de provincie Gederland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de provincie Gelderland het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mrs. D.S.M. Bak en J.H.A. van der Grinten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 24 december 2008