Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BH0122

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/2673
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft niet binnen een termijn van zes weken een besluit genomen tot het maken van bezwaar tegen het besluit van de minister. Dit gebrek kan niet worden geheeld. De minister had daarom het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2673

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 2 december 2008

inzake

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, eiser,

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 april 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2007 heeft verweerder aan eiser een bijdrage van

€ 1.150.711,44 toegekend voor de kosten van opsporing en ruiming van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog die met betrekking tot het project Waalsprong in 2006 zijn gemaakt.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, de bijdrage verhoogd met een bedrag van € 23.216,18 en voor het overige het eerder genoemde besluit van 4 december 2007 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. S.G. Blasweiler, als advocaat bij de gemeente Nijmegen werkzaam, namens eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 21 oktober 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Blasweiler. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Wellenberg, werkzaam bij het ministerie van verweerder.

3. Overwegingen

De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd te besluiten namens de gemeente, het college of de raad rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

Uit deze bepalingen volgt dat aan het college de bevoegdheid toekomt om bezwaar te maken, tenzij die bevoegdheid is overgedragen aan één of meer anderen. Een besluit tot het maken van bezwaar moet binnen de termijn van zes weken worden genomen. Een bevoegdheidsgebrek kan na het verstrijken van deze termijn niet meer worden geheeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 februari 2004, LJN: AO2893).

Bij brief van 17 december 2007 heeft P.A.M. Steijn, directeur van de Directie Wijk & Stad van de gemeente Nijmegen, tegen het besluit van 4 december 2007 bezwaar gemaakt.

Op schriftelijke vragen van de rechtbank heeft eiser bij brief van 1 september 2008 geantwoord dat de directeur gelet op de mandaatregeling van de gemeente Nijmegen niet bevoegd was om namens hem tegen het besluit van 4 december 2007 bezwaar te maken. Verder heeft mr. Blasweiler ter zitting medegedeeld dat eiser tijdens de termijn van zes weken niet zelf een besluit tot het maken van bezwaar heeft genomen.

Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 december 2007 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verweerder heeft het besluit derhalve ten onrechte op grondslag van het bezwaar heroverwogen. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 6:7 van de Awb en artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet. Nu slechts één uitkomst op het bezwaar mogelijk is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2007 niet-ontvankelijk verklaren.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 december 2007 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 288 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, en mrs. G.H.W. Bodt en J.H.A. van der Grinten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 2 december 2008