Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG9658

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-12-2008
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
171471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt daarbij dat de in artikel 210 lid 1 Rv vervatte regel dat een conclusie die strekt tot het in vrijwaring op roepen van iemand dient te worden genomen “voor alle weren” een uitwerking is van een meer algemene regel die beoogt een goede procesorde te bevorderen en tijdverlies te voorkomen. Deze strekking dwingt er niet toe dat het vrijwarings¬verzoek enkel om de reden dat het in de conclusie tekstueel ná het antwoord in reconventie is geplaatst wordt afgewezen of terzijde wordt gesteld (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1994, 488 met conclusie Vranken 10-12).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171471 / HA ZA 08-1037

Vonnis in incident van 31 december 2008

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

BRUNO NEBELUNG GMBH & CO KG,

gevestigd te Everswinkel, Duitsland,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G.J.M. LEIJSER B.V.,

gevestigd te Huissen,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. B. Nijman te Wageningen.

Partijen zullen hierna Nebelung en Leijser genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring

- de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vaststaande feiten in het incident

In het incident staat - voor zover hier van belang - het volgende vast.

2.1. Nebelung is een leverancier van zaadgoed en stekmateriaal. Leijser exploiteert een potplantenkwekerij.

2.2. Nebelung en Leijser hebben in de periode van oktober 2005 tot en met juni 2006 een aantal koopovereenkomsten met elkaar gesloten, uit hoofde waarvan Nebelung aan Leijser goederen (kort omschreven: stekmateriaal) heeft geleverd. Zij heeft Leijser daarvoor facturen gestuurd voor een totaal bedrag van € 78.133,80.

2.3. Op faxpapier van Nebelung is een overeenkomst opgesteld met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

Sehr geehrte, Heer Leyser

Bij deze krijgt U van ons de bevestiging van afname van de volgende produkten in het voorjaar 2006. […]

Ondertekend op 18-11 2005 in tweevoud.

Bruno Nebelung Leyser bv

De overeenkomst is ondertekend door Leijser. Namens Nebelung is getekend door de heer M.H. [betrokkene] (verder: [betrokkene]).

2.4. Op briefpapier van Nebelung is een overeenkomst opgesteld met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

Koopovereenkomst

Bij deze de overeenkomst tussen de bedrijven Waterdrinker; Bruno Nebelung GMBH en Leyser BV.

Het gaat hierbij om de introductie en vermarkting van de nieuwe produkten in het voorjaar 2006.

[…]

Wij verbinden ons aan afname, mits de kwaliteit overeenkomt met de door ons gestelde eisen. […].

Aanspreekpersoon voor alle partijen is de Heer [betrokkene].

Voor ondertekening in drievoud

Waterdrinker bv Nebelung GMBH Leyser BV

De overeenkomst is ondertekend door Leijser. [betrokkene] heeft opnieuw namens Nebelung getekend. Ook onder de naam Waterdrinker is een handtekening geplaatst.

3. De vorderingen in de hoofdzaak

in conventie

3.1. Nebelung vordert samengevat - veroordeling van Leijser tot betaling van € 78.133,80, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Nebelung stelt - kort weergegeven - dat Leijser gehouden is de in r.ov. 2.2. genoemde facturen te voldoen. Leijser voert verweer. Op de stellingen van partijen zal zonodig in het verdere verloop van de procedure verder worden ingegaan.

in reconventie

3.3. Leijser vordert samengevat - veroordeling van Nebelung tot betaling van € 412.600,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. Leijser stelt dat Nebelung tekort is geschoten in de nakoming van de in r.ov. 2.3 en 2.4. genoemde overeenkomsten (verder: de afnameovereenkomsten). Leijser heeft daardoor schade geleden die Nebelung dient te vergoeden.

3.5. Nebelung voert verweer in de zelfde conclusie als waarin zij de hierna te behandelen vordering tot oproeping in vrijwaring heeft gedaan. Op de stellingen van partijen zal in de verdere loop van de procedure zonodig verder worden ingegaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1. Nebelung vordert dat haar wordt toegestaan M.H. [betrokkene] ten aanzien van de recon¬ven¬tionele vordering in vrijwaring op te roepen. Zij legt daaraan, kort weergegeven, de volgende stellingen ten grondslag.

4.2. [betrokkene] was niet bevoegd de afnameovereenkomsten namens Nebelung aan te gaan nu hij daarvoor onvoldoende gevolmachtigd was. Het valselijk jegens derden voorwenden van voldoende vertegenwoordigingbevoegdheid levert jegens Nebelung “wanprestatie” op. Indien de rechtbank in de hoofdzaak van oordeel is dat Nebelung jegens Leijser gebonden is aan de afnameovereenkomsten en dat zij de door Leijser gevorderde schade dient te dragen, dient [betrokkene], als pseudo-gevolmachtigde, haar daarvan te vrijwaren.

4.3. Leijser voert als eerste verweer tegen de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van [betrokkene] dat deze moet worden afgewezen, omdat deze vordering in strijd met het bepaalde in artikel 210 lid 1 Rv niet vóór alle weren is ingesteld.

4.4. De rechtbank stelt vast dat de inciden¬tele vordering tot vrijwaring is ingediend in een conclusie die door Nebelung is aangeduid als “conclusie van antwoord in reconventie tevens incidentele conclusie van eiser tot oproeping in vrijwaring”. De incidentele vordering is dus aangekondigd in de kop van de conclusie. De incidentele vordering en het antwoord in reconventie maken feitelijk deel uit van één conclusie.

4.5. De enkele omstandigheid dat de incidentele vordering in de conclusie tekstueel niet vóór de verweren tegen de reconventionele vordering staat, is onvoldoende om deze vordering op grond van artikel 210 lid 1 Rv af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren. Dit is temeer niet het geval nu Nebelung in de conclusie expliciet verzoekt op het incidentele vrijwarings¬verzoek in te gaan alvorens de hoofdzaak verder te behandelen (conclusie tot oproeping in vrijwaring, pagina 22 punt 12).

4.6. De rechtbank overweegt daarbij dat de in artikel 210 lid 1 Rv vervatte regel dat een conclusie die strekt tot het in vrijwaring op roepen van iemand dient te worden genomen “voor alle weren” een uitwerking is van een meer algemene regel die beoogt een goede procesorde te bevorderen en tijdverlies te voorkomen. Deze strekking dwingt er niet toe dat het vrijwarings¬verzoek enkel om de reden dat het in de conclusie tekstueel ná het antwoord in reconventie is geplaatst wordt afgewezen of terzijde wordt gesteld (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1994, 488 met conclusie Vranken 10-12). Het eerste verweer van Leijser wordt derhalve verworpen.

4.7. Voor toewijzing van de incidentele vordering tot vrijwaring is vereist dat de gewaar¬borgde zich beroept op een rechtsverhouding met de derde die meebrengt dat de derde ver¬plicht is om de nadelige gevolgen van een beslissing tegen de gewaarborgde te dragen. De rechtbank is van oordeel dat Nebelung met het in r.ov. 4.2. kort weergegeven beroep op de gestelde tekortkoming van [betrokkene] aan die voorwaarde heeft voldaan.

4.8. Leijser heeft als tweede verweer tegen de incidentele vordering aangevoerd dat Nebelung de bevoegdheid van [betrokkene] om haar ten aanzien van de afnameovereenkomsten te vertegenwoordigen erkend heeft en dat er dus van het valselijk voorwenden van voldoende vertegenwoordigingbevoegdheid en dus van een tekortkoming geen sprake is. Het bestaan van de rechtsverhouding waarop de gewaarborgde zich beroept - in casu de verplichting uit hoofde van toerekenbare tekortkoming - behoeft in het vrijwaringsincident echter niet vast komen te staan. Of die rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat, is een onderwerp dat eventueel door de derde in een vrijwaringprocedure aan de orde kan worden gesteld.

4.9. Nu Leijser tegenover het kennelijke belang van Nebelung dat [betrokkene] haar vrijwaart geen belangen heeft gesteld die aan toewijzing in de weg staan, moet de vordering naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen.

voorts in het incident en in de hoofdzaak

4.10. Nebelung heeft haar stelling dat [betrokkene] haar moet vrijwaren gegrond op de stelling dat hij is tekortgeschoten in zijn verplichtingen, kennelijk uit hoofde van de arbeidsovereen¬komst met Nebelung. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank betreft de zaak in vrijwa¬ring derhalve een vordering die ongeacht het beloop of de waarde daarvan op grond van art. 93 onder c Rv door de kantonrechter moet worden behandeld.

Ingevolge art. 210 lid 3 Rv dient de rechter in dat geval zowel de hoofdzaak als de zaak in vrijwaring met overeenkomstige toepassing van art. 71 Rv naar de kantonrechter te verwijzen.

4.11. Alvorens daarover te beslissen stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 januari 2009 voor het nemen van een akte uitlating ambtshalve verwijzing van beide zaken naar de sector kanton aan de zijde van Nebelung,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2008.