Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG9072

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
07/1248 WET en 07/3228 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat in de bestuursrechtelijke zaken mogelijk niet op juiste wijze is overgegaan tot het uitnodigen van partijen voor de zitting maakt niet dat de rechter niet onpartijdig over de betreffende zaken kan oordelen. De omstandigheden dat een klacht van verzoeker niet op juiste wijze is behandeld en dat een strafrechtelijke onderzoek niet op juiste wijze zou zijn afgedaan, vormen zonder nadere motivering eveneens onvoldoende grond om te concluderen dat de rechter geen onpartijdig oordeel kan geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

registratienummer: 07/1248 WET en 07/3228 GEMWT

Beschikking van 19 december 2008

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], verzoeker tot wraking,

en

[rechter],

in zijn hoedanigheid van bestuursrechter in de zaken met nummers 07/1248 WET en 07/3228 GEMWT.

1. De procedure

Bij schrijven van 2 december 2008 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen [rechter].

Bij schrijven van 10 december 2008 heeft [rechter] aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft hij zijn zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.

Per fax van 12 december 2008 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend voorzitter van de wrakingskamer.

Op 15 december 2008 is het wrakingsverzoek tegen [rechter] ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is niet verschenen. [rechter], voornoemd, heeft in genoemd schrijven van 10 december 2008 te kennen gegeven dat hij er geen prijs op stelt te worden gehoord of aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling.

2. Wettelijk kader

2.1 Gelet op artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 14 lid 1 IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3. Wrakingsverzoek behandelend voorzitter wrakingskamer

3.1 Alvorens over te gaan tot inhoudelijk behandeling van het wrakingsverzoek gericht tegen [rechter], dient aan de orde te komen het wrakingsverzoek binnengekomen per fax op 12 december 2008 gericht tegen de behandelend voorzitter van onderhavige wrakingskamer.

3.2 Een wrakingsverzoek moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter of zijn optreden als rechter betreffen. Niet is gebleken dat verzoeker zich voor het indienen van voornoemd wrakingsverzoek heeft vergewist van de naam van de behandelend voorzitter van de wrakingskamer van 15 december 2008. Geconstateerd moet dan ook worden dat verzoeker heeft verzuimd concrete, op de persoon van de rechter of diens optreden betrekking hebbende gronden voor de wraking te noemen en dat het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen lijkt het er op dat verzoeker met zijn wrakingsverzoek van 12 december 2008 geen ander doel voor ogen heeft dan het wraken om het wraken zelf, hetgeen misbruik van dit instrument oplevert. Daarom zal het wrakingsverzoek van 12 december 2008 niet in behandeling worden genomen.

3.3. Het vorenstaande is niet anders nu verzoeker aanvoert dat de voorzitter van de wrakingskamer handelt in strijd met artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Artikel 8:18, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek om wraking zo spoedig mogelijk wordt behandeld ter zitting. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Daargelaten de vraag of, gelet op de noodzakelijke spoed bij de behandeling van een wrakingsverzoek, artikel 8:58 van de Awb hier onverkort van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, waarin het standpunt van de rechter wiens wraking is verzocht, voorafgaand aan de zitting aan verzoeker is toegezonden, geen strijd oplevert met de in de wet bij de afhandeling van een wrakingsverzoek voorgestane spoed. Verzoeker is evenmin in zijn belang geschaad, nu hij reeds voorafgaand aan de zitting kennis heeft kunnen nemen van het standpunt van de rechter wiens wraking is verzocht, en niet, zoals de wet bepaalt, pas op de zitting zelf.

4. Wrakingsverzoek [rechter] d.d. 2 december 2008

4.1 In zijn verzoek van 12 december 2008 heeft verzoeker aangegeven dat hij erop vertrouwt dat hangende het wrakingsverzoek tegen de behandelend voorzitter van de wrakingskamer de mondelinge behandeling op 15 december 2008 om 16.30 uur wordt opgeschort. Dit verzoek is, voor zover dit moet worden opgevat als een verzoek om aanhouding, op 12 december 2008 afgewezen. Op die zelfde datum is diverse malen geprobeerd per fax aan verzoeker mede te delen dat hem geadviseerd wordt bij de behandeling van de wrakingsverzoeken aanwezig te zijn om een mondelinge toelichting te geven. Uit de faxrapporten blijkt echter dat deze faxen verzoeker niet hebben bereikt omdat de faxlijn bezet is c.q. de lijn geen signaal heeft. Omdat de communicatie tussen verzoeker en de rechtbank telkenmale geschiedt via de fax, komt het voor rekening en risico van verzoeker dat hij de fax niet tijdig heeft ontvangen en mogelijk daardoor niet ter zitting is verschenen. In de gegeven omstandigheden heeft verzoeker er niet vanuit mogen gaan dat door de enkele mededeling zijnerzijds – dat hij erop vertrouwt dat de behandeling wordt opgeschort – de behandeling ter zitting daadwerkelijk niet door zou gaan.

4.2 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat niet is uitgesloten dat [rechter] enige vooringenomenheid heeft. Als reden hiervoor is aangevoerd dat [rechter] er niet op toe heeft gezien dat de rechtbank de fundamentele rechtsbeginselen naleeft die een eerlijk proces waarborgen. Met het niet voldoen aan een behoorlijke schriftelijke oproeping wordt een inbreuk gepleegd op het verkrijgen van een eerlijke procedure. Voorts is er niet op toegezien dat de door verzoeker ingediende klachten op juiste wijze zijn afgedaan en is een artikel 12 S.V.-procedure niet op juiste wijze afgedaan.

4.3 [rechter] kan zich met verzoekers standpunt niet verenigen. Niet alleen heeft verzoeker volgens hem geen feiten en omstandigheden genoemd die erop wijzen dat zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, ook heeft hij pas na het wrakingsverzoek als zaaksrechter kennis genomen van het dossier, terwijl de door [verzoeker] aangevoerde gronden zien op behandeling van het zaaksdossier van daarvóór. [rechter] acht zich daarom in staat onpartijdig over de zaken te oordelen.

4.4 Een oproeping voor een behandeling ter zitting geschiedt in het bestuursrecht met inachtneming van hetgeen hieromtrent is bepaald in de Algemene wet bestuursrecht en de Procesregeling bestuursrecht 2008. De enkele omstandigheid dat in onderhavige bestuursrechtelijke zaken mogelijk niet op juiste wijze is overgegaan tot het uitnodigen van partijen voor de zitting, maakt niet dat de [rechter] niet onpartijdig inhoudelijk over de betreffende zaken kan oordelen. Deze wrakingsgrond kan gelet hierop niet slagen .

4.5 Ook de omstandigheden dat een bij het bestuur van de rechtbank ingediende klacht mogelijk niet op juiste wijze zou zijn behandeld en dat een strafrechtelijk onderzoek in een artikel 12 S.V.-procedure niet op juiste wijze zou zijn afgedaan, vormen zonder nader motivering, die ontbreekt, onvoldoende grond ter rechtvaardiging van de conclusie dat [rechter] in de meergenoemde procedure geen onpartijdig oordeel kan geven. Ook deze wrakingsgronden falen derhalve.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4.7 Voorts zal de rechtbank op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de zaken 07/1248 WET en 07/3228 GEMWT niet in behandeling zal worden genomen. Daartoe wordt overwogen dat het verzoeker het in deze zaken enkel lijkt te gaan om wraken om het wraken zelf, hetgeen misbruik van procesrecht oplevert.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaken niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.J. Wiegman, C. van Linschoten en C.M.E. Lagarde en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.M.B. van Eeten uitgesproken op 19 december 2008.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.