Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG7923

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
05/800346-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt militair tot 240 uur werkstraf wegens het opzettelijk een dienstvoorschrift niet opvolgen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is geweest. Verdachte heeft zich tijdens een uitzending schuldig gemaakt aan het opzettelijk overtreden van een dienstvoorschrift met het gevolg dat zijn collega door een kogel werd getroffen in de elleboog en flank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800346-07

Datum zitting : 8 december 2008

Datum uitspraak :: 22 december 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 11 november 1984 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. B. Damen, advocaat te Maastricht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij als militair, op of omstreeks 17 februari 2007, te of nabij Tarin Kowt, in elk geval in Afghanistan, opzettelijk het dienstvoorschrift VS 2-1352 (HANDBOEK KL-MILITAIR), waarin onder "veiligheidsregels" (hoofdstuk 29) (onder meer) was voorgeschreven dat bij het ter hand nemen van het wapen de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen dient te nemen en/of een geladen wapen altijd in een veilige richting dient te wijzen en/of het verboden is zonder noodzaak op iemand te richten, niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij een wapen (pistool Glock 17) ter hand heeft genomen zonder de/alle veiligheidsmaatregelen te nemen en/of (vervolgens) de slede van dit wapen (pistool Glock 17) naar achteren heeft getrokken en/of (vervolgens) dit pistool (Glock 17) heeft gericht op, althans in de richting van W. van der [slachtoffer]

heeft gehouden en/of (vervolgens) de trekker van dat pistool heeft overgehaald waarna/waardoor met dat pistool een schot werd gelost, terwijl daarvan/daardoor levensgevaar voor genoemde van der [slachtoffer] - die door dat schot getroffen werd - te duchten is geweest;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 17 februari 2007 te of nabij Tarin Kowt, althans in Afghanistan, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig de slede van een pistool (Glock) naar achteren heeft getrokken en/of (vervolgens) dat pistool op een persoon, te weten W. van der [slachtoffer], heeft gericht en/of gericht gehouden, althans in de richting van die van der [slachtoffer] heeft gehouden en/of (vervolgens) de trekker van dat pistool heeft overgehaald, althans enige druk op de trekker van dat pistool heeft

uitgeoefend waarna/waardoor een schot met dat pistool werd gelost, waardoor

het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die van der [slachtoffer] door dat schot werd getroffen en zwaar lichamelijk letsel, te weten inschotwond bij rechter elleboog, uitschotwond rechter onderarm, inschotwond rechter flank, uitschotwond linker flank, letsel van de dikke darm en de dunne darm, kleine breuk in de rechter elleboog en/of verminderd gevoel in de rechter 4e en 5e vinger, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 december 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B. Damen, advocaat te Maastricht.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren subsidiair 120 (honderdtwintig) dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.1 De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Op 17 februari 2007 te Tarin Kowt heeft verdachte een wapen (Glock 17) ter hand genomen. Verdachte heeft niet voortdurend het wapen in veilige richting gehouden. Verdachte heeft niet het patroonmagazijn uit het wapen verwijderd en heeft niet gecontroleerd of zich daarin munitie bevond. Hij heeft de slede van het wapen naar achter getrokken en vervolgens niet gecontroleerd of er een patroon in de kamer van het wapen zat. Hij heeft vervolgens de trekker overgehaald waardoor er een schot gelost werd met het wapen. W. van der [slachtoffer] werd vervolgens door de kogel in de elleboog en flank getroffen, waardoor levengevaar voor genoemde Van der [slachtoffer] te duchten is geweest.

Door zo te handelen heeft verdachte het dienstvoorschrift VS 2-1352 (Handboek KL-militair) waarin onder “veiligheidsregels” (hoofdstuk 29)(ondermeer) is voorgeschreven dat bij het ter hand nemen van het wapen de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen dient te nemen en een geladen wapen altijd in een veilige richting dient te wijzen en het verboden is zonder noodzaak op iemand te richten, niet opgevolgd.

3.2.1 Betrouwbaarheidsverweer door de raadsman

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de nadere verklaring van verdachte afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee niet tot bewijs gebezigd kan worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte is geconfronteerd met een verklaring van het slachtoffer, terwijl deze nog geen verklaring had afgelegd op dat moment. Bovendien zou er fors ingepraat zijn op verdachte gedurende het verhoor en hij zou uitgemaakt zijn voor leugenaar.

Verdachte is hierdoor dusdanig in zijn verdediging geschaad dat zijn verklaring niet tot bewijs gebezigd kan worden.

Dit geldt ook omdat de verbalisanten het door getuige [getuige1] opgeworpen beeld, namelijk dat verdachte met gestrekte arm op het slachtoffer Van der [slachtoffer] heeft gericht al roepende “get on your knees motherfucker” of “show your hands motherfucker”, welk beeld volgens de raadsman niet kan kloppen, er keer op keer bij verdachte in hebben geramd en hij onder deze druk is bezweken.

Gelet op dit alles zijn de verklaringen van verdachte en getuige [getuige1] onbruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsman.

Daarnaast kan de verklaring van het slachtoffer, Van der [slachtoffer], niet tot bewijs gebezigd worden, omdat hij is besmet of besmet kan zijn door getuige [getuige1]. In elk geval is deze verklaring niet overtuigend genoeg, aldus de raadsman.

Hij concludeert derhalve tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde.

3.2.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte niet is geschaad in zijn verdediging en dat diens nadere verklaring wel tot bewijs gebezigd kan worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verbalisanten in een aanvullend proces-verbaal hebben verklaard dat de verbalisanten aan verdachte hebben medegedeeld dat zij de verklaring van het slachtoffer via sergeant [getuige2] hadden vernomen en dat zij verdachte op die manier op de hoogte hadden gebracht van de bijzonderheden omtrent de zogenaamde verklaring van het slachtoffer.

Voorts is de officier van justitie van mening dat niet is gebleken dat er op verdachte onaanvaardbare druk is uitgeoefend. Derhalve kan zijn verklaring tot bewijs gebezigd worden.

Ook de verklaring van getuige [getuige1] is bruikbaar voor het bewijs nu er onvoldoende aanleiding bestaat om aan de betrouwbaarheid van diens verklaring te twijfelen.

Ten slotte kan ook de verklaring van Van der [slachtoffer] tot bewijs gebezigd worden, omdat de druk die [getuige1] heeft uitgeoefend niet zodanig is dat geconcludeerd moet worden dat Van der [slachtoffer] niet naar waarheid heeft verklaard.

3.2.3 Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer stelt voorop dat er van een verhoor ongetwijfeld enige druk uitgaat en dat een verdachte dat voelt, dat lijkt in het onderhavige geval niet anders te zijn geweest. Er is echter niet gebleken van onaanvaardbare druk bij het verhoor, te meer nu de verbalisanten in een op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal hebben verklaard dat zij niet tegen verdachte geschreeuwd hebben en verdachte door hen geen leugenaar is genoemd. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verdachte door een herhaalde confrontatie met hetgeen [getuige1] heeft gezegd, zodanig onder druk is gezet dat hij daarvoor is gezwicht. Zou dat namelijk wel het geval zijn geweest dan is onbegrijpelijk dat verdachte een belangrijk deel uit de verklaring van [getuige1], namelijk dat hij tegen Van der [slachtoffer] de woorden heeft gesproken zoals door [getuige1] aangehaald, is blijven ontkennen. Tenslotte is de aan verdachte als verklaring van het slachtoffer gepresenteerde informatie van getuige [getuige2] niet in strijd met hetgeen dit slachtoffer later zelf heeft verklaard.

Gelet op dit alles bezigt de militaire kamer de nadere verklaring van verdachte tot bewijs. Dit geldt ook voor de verklaring van [getuige1] voor zover hij zegt dat verdachte met gestrekte arm in de richting van het slachtoffer Van der [slachtoffer] heeft gewezen, nu de militaire kamer onvoldoende reden heeft aan zijn verklaring op dit punt te twijfelen.

Tenslotte acht de militaire kamer ook de verklaring van het slachtoffer Van der [slachtoffer] bruikbaar voor het bewijs. Dat hij besmet is door [getuige1] in een mate dat zijn verklaring voor het bewijs waardeloos is geworden is niet gebleken, te meer nu hij, anders dan [getuige1], geen gewag maakt van de woorden zoals door [getuige1] aangehaald.

Gelet hierop acht de militaire kamer bewezen dat verdachte het wapen op Van der [slachtoffer] heeft gericht.

3.3.1 Bewijsverweer door de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair vrijspraak verzocht en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overtreden van het dienstvoorschrift, daar hij ervan uit mocht gaan dat er geen kogel meer in het wapen zat, omdat de Glock reeds door sergeant [getuige2] ontladen zou zijn.

3.3.2 Het standpunt van officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat er wel sprake is van opzet. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het niet in acht nemen van de veiligheidsvoorschriften en het met gestrekte arm richten op het slachtoffer, zoals uit de getuigenverklaringen blijkt, naar hun aard handelingen zijn die wijzen op opzet.

3.3.3 De beoordeling door de rechtbank

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte opzettelijk het tenlastegelegde dienstvoorschrift heeft overtreden. Immers in dat dienstvoorschrift staat te lezen dat voordat de veiligheidsmaatregelen zijn genomen het wapen behandeld moet worden alsof het geladen is, omdat uitwendig niet te zien is of het ontladen is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde op de hoogte was van deze regel. Nu verdachte willens en wetens niet alle in voornoemd handboek omschreven veiligheidsmaatregelen heeft verricht is daarmee sprake van het opzettelijk niet opvolgen van het betreffende dienstvoorschrift.

De militaire kamer verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

De militaire kamer acht gezien het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij als militair, op 17 februari 2007, te Tarin Kowt, opzettelijk het dienstvoorschrift VS 2-1352 (HANDBOEK KL-MILITAIR), waarin onder "veiligheidsregels" (hoofdstuk 29) (onder meer) was voorgeschreven dat bij het ter hand nemen van het wapen de gebruiker eerst de veiligheidsmaatregelen dient te nemen en een geladen wapen altijd in een veilige richting dient te wijzen en het verboden is zonder noodzaak op iemand te richten, niet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij een wapen (pistool Glock 17) ter hand heeft genomen zonder alle veiligheidsmaatregelen te nemen en vervolgens de slede van dit wapen (pistool Glock 17) naar achteren heeft getrokken en dit pistool (Glock 17) heeft gericht op, W. van der [slachtoffer] en (vervolgens) de trekker van dat pistool heeft overgehaald waarna/waardoor met dat pistool een schot werd gelost, terwijl daardoor levensgevaar voor genoemde van der [slachtoffer] - die door dat schot getroffen werd - te duchten is geweest;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

‘Als militair opzettelijk een dienstvoorschrift niet opvolgen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is’

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 17 november 2008.

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een werkstraf van 240 uur geëist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, als professional bekend met wapens en de mogelijke gevolgen, zeer laakbaar heeft gehandeld. In het voordeel van verdachte houdt hij rekening met het tijdsverloop van zaak, nu het incident zich begin 2007 heeft afgespeeld alsmede met de omstandigheid dat verdachte het slachtoffer heeft opgezocht en met hem gesproken heeft kort na het incident.

6.2 Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, omdat dat zou betekenen dat hij zijn huidige baan kwijt zou raken en hij zijn hypotheeklasten niet meer kan opbrengen. Voorts heeft hij de militaire kamer verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop van de zaak en de tijd dat verdachte in onzekerheid heeft gezeten, de mediapubliciteit en het feit dat verdachte twee maanden voor het einde van zijn uitzending gerepatrieerd is en daarmee € 6.000,00 aan inkomsten is misgelopen.

6.3 Beoordeling door de militaire kamer

Verdachte heeft zich tijdens een uitzending schuldig gemaakt aan het opzettelijk overtreden van een dienstvoorschrift met het gevolg dat zijn collega door een kogel werd getroffen in de elleboog en flank. De militaire kamer meent dat er sprake is van een ernstig feit, waarbij in beginsel een vrijheidsstraf een gepaste reactie zou zijn. Immers van verdachte zou een professionele houding met betrekking tot wapens verwacht mogen worden. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan is zonder enige noodzaak levensgevaar voor een collega te duchten geweest.

De militaire kamer is evenwel van oordeel dat gezien het tijdsverloop, de reactie van verdachte in de richting van het slachtoffer na het incident en het feit dat verdachte vanwege zijn handelen is gerepatrieerd , een werkstraf passender is. Gezien de voornoemde ernst van het feit wordt een werkstraf van maximale duur passend en geboden geacht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen;

• 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht, en

• 4 en 136 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. E.A.A.M. Pfeil, vice-president als voorzitter,

mr. M.M.A.L.T. Doll rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, als militair lid,

in tegenwoordigheid van S.P. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2008.