Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG7736

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
05/507413-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een man veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een boete van €1000,- wegens betrokkenheid bij een ongeval op het bedrijventerrein in Elst op 10 maart 2008, waarbij een 16-jarige jongen om het leven is gekomen. Verdachte is op een kruising met zijn bestelbus in aanrijding gekomen met de scooter waarop twee jongens zaten. De bestuurder is ter plekke overleden, de duopassagier raakte gewond.

De rechtbank acht schuld in de zin van het primair tenlastegelegde artikel 6 WVW niet bewezen, nu er naast het niet-verlenen van voorrang geen bijkomende omstandigheden waren die bijdragen aan het aan verdachte te maken verwijt. Verdachte heeft de jongens op de scooter niet gezien, terwijl hij wel gekeken heeft, goed overzicht had en niet te hard reed.

De duopassagier van de scooter heeft verklaard dat hij tegen de bestuurder heeft geroepen dat hij moest stoppen omdat hij het idee had dat de chauffeur van het busje hen echt niet zag, maar dat de bestuurder van de scooter daar niet op reageerde en met dezelfde snelheid door reed in de richting van de kruising.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/507413-08

Datum zitting : 5 december 2008

Datum uitspraak : 19 december 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 maart 2008, te Elst, gemeente Overbetuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsvoertuig), komende uit de richting Kattenleger, daarmede heeft gereden op de weg, de Bemmelseweg, gaande in de richting van de kruising van deze weg en de weg, de Einsteinweg zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of roekeloos, zonder te stoppen en/of snelheid te minderen en/of terwijl hij, verdachte die kruising goed kon overzien, voormelde kruising is opgereden en/of in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder (het slachtoffer W.M.A. [slachtoffer1]) van een, gezien zijn verdachtes rijrichting, van rechts over die Einsteinweg dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bromfiets) en/of heeft hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel

19 van voormeld reglement, zijn, verdachtes snelheid niet zodanig geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsvoertuig) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Bemmelseweg en/of voormelde kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of is hij, verdachte gebotst tegen en/of in aanrijding gekomen met voormeld, toen dicht over die Einsteinweg genaderd

zijnd, ander motorrijtuig (bromfiets), ten gevolge waarvan die bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets) en diens passagier (het slachtoffer D. van [slachtoffer2]) ten val is/zijn gekomen, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat verdachte toen aldaar geen voorrang heeft verleend aan die van rechts voor hem, verdachte van rechts komende bestuurder van dat andere motorrijtuig (bromfiets) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (W.M.A. [slachtoffer1]) werd gedood en/of een ander (D.F.H. van [slachtoffer2]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 10 maart 2008, te Elst, gemeente Overbetuwe, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsvoertuig), komende uit de richting Kattenleger, daarmede heeft gereden op de weg, de Bemmelseweg, gaande in de richting van de kruising van deze weg en de weg, de Einsteinweg, voormelde kruising is opgereden en/of in strijd met het gestelde in artikel 15

lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder (het slachtoffer W.M.A. [slachtoffer1]) van een, gezien zijn verdachtes rijrichting, van rechts over die Einsteinweg dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bromfiets) en/of is hij, verdachte gebotst tegen en/of in aanrijding gekomen met voormeld, toen dicht over die

Einsteinweg genaderd zijnd, ander motorrijtuig (bromfiets), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 5 december 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank zal het primair tenlastegelegde niet bewezen verklaren, maar acht het subsidiair ten laste gelegde wel bewezen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 maart 2008 reed verdachte met zijn Opel bestelbus in Elst, gemeente Overbetuwe. Het regende en waaide hard. Hij reed op de Bemmelseweg, in de richting van de -gelijkwaardige- kruising met de Einsteinweg. De maximum snelheid voor motorvoertuigen daar is 50 kilometer per uur en voor bromfietsen 30 kilometer per uur . Verdachte was de kruising genaderd, zag geen verkeer op de Einsteinweg en is toen doorgegaan met het oversteken van de kruising . Verdachte had verkeer, komende uit de Einsteinweg, voorrang moeten verlenen aangezien verkeer op die weg voor hem van rechts kwam.

Op de Einsteinweg bevond zich een bromfiets (scooter) met als bestuurder [slachtoffer1] en als bijrijder [slachtoffer2]. Zij reden in de richting van dezelfde kruising en wilden linksaf de Bemmelseweg inslaan . De bromfiets straalde waarschijnlijk licht uit ten tijde van het ongeval.

Toen verdachte op de kruising reed en de neus van de auto zich voorbij de Einsteinweg bevond, heeft verdachte de bromfiets, met daarop [slachtoffer1] en [slachtoffer2], niet de vereiste voorrang verleend.Van [slachtoffer2] heeft verklaard dat hij tegen [slachtoffer1] heeft geroepen dat hij moest stoppen omdat hij het idee had dat de chauffeur hen echt niet zag, maar dat [slachtoffer1] daar niet op reageerde en met dezelfde snelheid door reed in de richting van het kruisingsvlak . De bestelbus is met de rechtervoorzijde en de zijkant rechtsvoor t in aanrijding gekomen met de linkerzijkant van de bromfiets . Verdachte heeft niet geremd .

Verdachte hoorde een harde knal. Hij wilde in de zijspiegel kijken wat de oorzaak was, en zag toen dat die was weggeslagen. Verdachte reed een klein eindje door, en keerde vervolgens zijn bestelbus.

Hij wilde gaan kijken wat de knal veroorzaakt had, en zag, toen hij naar de kruising keek, een bromfiets op de weg liggen. Daarbij zag hij twee jongens op de weg liggen.

Door deze aanrijding is de bestuurder van de bromfiets [slachtoffer1], ter plekke overleden . De bijrijder [slachtoffer2] raakte gewond .

Vrijspraak primair tenlastegelegde feit

Verdacht is primair tenlastegelegd artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) waarbij de vraag is of verdachte schuld heeft in de zin van dit artikel aan het verkeersongeval met de bestuurder en de bijrijder van de bromfiets.

Standpunt van de officier van justitie

Het primair tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen, nu sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Weliswaar de laagste graad van schuld, maar met enorme gevolgen. Verdachte is te verwijten dat hij in de gegeven omstandigheden, een ruime, overzichtelijke hem bekende kruising, goed zicht vanuit de auto, geen het zicht belemmerende obstakels, een licht voerende bromfiets en slecht weer (het regende en waaide hard), onvoldoende oplettend en voorzichtig is geweest. Hij had zijn snelheid moeten aanpassen, al overschreed hij op dat moment niet de maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. [slachtoffer2] heeft verklaard dat het busje hard kwam aanrijden. Verdachte is zonder snelheid te minderen of te remmen de kruising opgereden terwijl hij wist dat van rechts komend verkeer voorrang had. Het feit dat hij de bromfiets niet heeft gezien toont aan dat hij onvoldoende oplettend geweest is.

Hiermee is verdachte schuldig aan het ongeval, aan de dood van [slachtoffer1] en aan het letsel van [slachtoffer2]. Over het letsel van Van [slachtoffer2] is echter onvoldoende informatie beschikbaar om te beoordelen of sprake is van letsel in de zin van artikel 6 WVW, zodat van dit deel van de tenlastelegging vrijspraak wordt gevraagd.

De officier is derhalve van mening dat aan de verdachte een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt verdediging

Er is geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte heeft een overtreding begaan door geen voorrang te verlenen aan van rechts komend verkeer. Uit de jurisprudentie, met name de uitspraak van de Hoge Raad van 28 oktober 2008, NJ 2008, 571, volgt dat enkel het begaan van een verkeersovertreding onvoldoende is om te spreken van schuld in de zin van 6 WVW. In de uitspraken van de Hoge Raad van 24 juni 2008, NJ 439-442 wordt duidelijk uiteengezet wat de criteria zijn voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW, en daarvoor zijn in deze zaak bijkomende omstandigheden nodig. Maar over eventueel bijkomende omstandigheden weten we in deze zaak niets. Uit niets blijkt uit dat verdachte te hard reed, het feit dat de kruising overzichtelijk was maakt juist dat er geen reden was de snelheid te matigen. Hij had moeten remmen op het moment dat hij de bromfiets zag, maar die zag hij niet.

De verklaring van Van [slachtoffer2], dat het busje hard reed, geeft geen objectief inzicht in de snelheid. Als je verwacht dat een busje gaat stoppen en het rijdt door, dan beleef je die snelheid al snel als hoog. Er ontbreken objectieve gegevens en verdachte heeft verklaard rond de 50 kilometer per uur te hebben gereden, welke snelheid was toegestaan. Het probleem zit niet in de snelheid, nu niet duidelijk is dat verdachte de bromfiets wel zou hebben gezien als hij zijn snelheid (meer) gematigd had.

Beoordeling van de standpunten

In de jurisprudentie van de Hoge Raad, ter zitting aangehaald door de raadsman, is bepaald dat

het bij de vraag of er schuld is in de zin van artikel 6 WVW aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden.

Hierbij is opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aan de bromfiets met daarop [slachtoffer1] en [slachtoffer2] geen voorrang verleend omdat hij deze niet heeft gezien. Hij heeft verklaard dat hij naar rechts (de Einsteinweg in) te hebben gekeken, en daarbij ook om de deurstijl die zich tussen de voorruit en het zijraam bevond -de zogenaamde A-stijl- heen heeft gekeken. De oorzaak van het niet zien van de bromfiets blijft onduidelijk; het ongeval heeft plaatsgevonden op een ruime, lege en overzichtelijke kruising, waarbij verdachte niet in zijn zicht werd belemmerd. Niet is gebleken dat het feit dat het regende en waaide hierin een bepalende rol heeft gespeeld. Niet is gebleken dat verdachte harder reed dan de maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. De verklaring van de bijrijder Van [slachtoffer2] dat het busje hard kwam aanrijden is daarvoor onvoldoende objectief. Bovendien heeft deze niet verklaard dat het busje te hard reed, in de zin van harder dan de maximaal toegestane snelheid.

De stelling van de officier van justitie dat verdachte zijn snelheid (meer) had moeten matigen volgt de rechtbank niet, nu verdachte heeft verklaard vaart te hebben geminderd en te hebben gekeken of de -overzichtelijke- kruising vrij was en hij geen ander verkeer van rechts zag aankomen. Onder de gegeven omstandigheden was er voor hem geen reden -nog meer- snelheid te verminderen.

De rechtbank oordeelt aldus dat niet is gebleken van omstandigheden die het verwijt dat aan verdachte gemaakt kan worden, namelijk dat hij geen voorrang heeft verleend waar dat wel had gemoeten, verzwaren. Dat verwijt is, hoe ernstig de gevolgen ook zijn gebleken, niet zodanig ernstig dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, en de rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit

Standpunt van de officier van justitie

Nu de officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit, heeft zij geen standpunt ingenomen inzake het subsidiair tenlastegelegde feit.

Standpunt verdediging

Verdachte heeft aan de bestuurder van de bromfiets niet de vereiste voorrang verleend als gevolg waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden. Het verwijt dat verdachte aan dit ongeluk valt te maken past in het subsidiair tenlastegelegde feit, artikel 5 WVW.

Beoordeling van de standpunten

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het ongeluk te wijten is aan verdachte. Door geen voorrang te verlenen aan de van rechts komende bestuurder van de bromfiets, [slachtoffer1], heeft verdachte de aanrijding veroorzaakt en heeft hij dus gevaar op de weg veroorzaakt.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 maart 2008, te Elst, gemeente Overbetuwe, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsvoertuig), komende uit de richting Kattenleger, daarmede heeft gereden op de Bemmelseweg, gaande in de richting van de kruising van deze weg en de Einsteinweg, voormelde kruising is opgereden en in strijd met het gestelde in artikel 15

lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder (het slachtoffer W.M.A. [slachtoffer1]) van een, gezien zijn verdachtes rijrichting, van rechts over die Einsteinweg dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bromfiets) en is hij, in aanrijding gekomen met dat motorrijtuig (bromfiets) door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit:

‘Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994’

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 28 oktober 2008.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Nu de eis van de officier van justitie gebaseerd is op een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit, en de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit, ziet zij aanleiding een straf op te leggen die afwijkt van de eis.

De raadsman heeft betoogd dat, nu sprake is van bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde het opleggen van een werkstraf niet passend is. Vervolgens vraagt hij aandacht voor het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor het uitoefenen van zijn beroep als dakdekker. Gezien het geringe verwijt dat verdacht gemaakt kan worden, bepleit de raadsman af te zien van het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid.

De rechtbank stelt vast dat het ongeval buitengewoon ernstige gevolgen heeft gehad. Verdachte is verantwoordelijk voor een ongeval waarbij een net 16-jarige jongen om het leven is gekomen. Dit heeft onherstelbaar leed veroorzaakt voor de nabestaanden van [slachtoffer1]. Hoewel de rechtbank ter zitting is gebleken dat verdachte zich deze gevolgen zeer aantrekt, is zij van oordeel dat een substantiële straf op zijn plaats is.

Het ontzeggen van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen acht de rechtbank, gezien de aard van het delict, in tegenstelling tot de raadsman een passende straf. Het feit dat verdachte daarbij getroffen wordt in zijn beroepsuitoefening is daar mede bij betrokken, maar de rechtbank acht dat gelet op de duur van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen straf niet onevenredig.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte een geldboete opleggen van na te noemen hoogte, waarbij hij deze geldboete in termijnen mag betalen gelet op zijn niet grote financiële draagkracht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot:

Een betaling van een geldboete van € 1000,- (duizend),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen.

Bepaalt voorts dat de geldboete kan worden betaald in 10 maandelijkse termijnen van elk

€ 100,- (éénhonderd euro).

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden,

Bepaalt dat van deze ontzegging 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. T.H.P de Roos, vicepresident als voorzitter,

mr. W. Bruins, rechter,

mr. F.J.H. Hovens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Vogel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2008.