Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG6986

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
164449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep vaneiser op art. 5 van de EG-Insolventieverordening slaagt niet. Het kan best zijn dat Lehnkehring voor de vordering uit onrechtmatige daad wegens aanvaring terzake van het verhaal een voorrecht heeft op het schip. Uit niets blijkt dat zo’n voorrecht een zakelijk recht inhoudt en evenmin dat dat de bevoorrechte tot separatist maakt die zijn recht buiten het faillissement om kan vervolgen en het schip buiten de curator om kan uitwinnen. De rechtbank kan dat ook uit de door eiser overgelegde stukken niet afleiden. Uit art. 5 van de EG-Insolventieverordening volgt voor het daar bedoelde geval ook niet enige regeling van de gevolgen van het faillissement voor lopende procedures.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 164449 / HA ZA 07-2026

Vonnis van 3 december 2008

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

[eiser] REEDEREI GMBH,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.M. Wilmink,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

F.L.B. SPRL,

gevestigd te Brussel,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en FLB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 juli 2008

- de akte van [eiser]

- de brief van 30 september 2008 van mr Vanschoubrouck

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft van geen van beide partijen een eenduidig antwoord gekregen op de vraag die in het tussenvonnis aan de orde is gesteld. De rechtbank komt tot het volgende. Het gaat hier om een vordering tot schadevergoeding van [eiser] jegens FLB wegens een aanvaring op de Waal tussen het aan FLB in eigendom toebehorende binnenvaartschip Palestel 29 en een aan [eiser] toebehorende duwboot [eiser] 20. Volgens [eiser] is de aanvaring aan schuld van de Palestel te wijten en is FLB daarom jegens haar aansprakelijk voor de schade. De vraag is wat het faillissement van FLB voor gevolgen heeft voor de onderhavige procedure. Naar welk recht dat moet worden beoordeeld valt uit (art. 15 van) de EG-Insolventieverordening niet eenduidig af te leiden. Met name is niet duidelijk of een vordering tot schadevergoeding jegens de failliet valt onder het bepaalde in art. 15. Het kan echter in het midden blijven, omdat zowel volgens Nederlands recht als volgens Belgisch recht de lopende procedure is geschorst en de vordering ter verificatie moet worden aangemeld. Voor het Nederlandse recht volgt dat uit art. 29 F. Voor het Belgische recht uit art. 63bis van de Belgische Faillissementswet van 8 augustus 1997 inwerking getreden op 1 januari 1998. Uit dat laatste artikel blijkt dat de procedure van rechtswege is geschorst en blijft tot na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie, tenzij het geding door de curator wordt hervat. Voorts blijkt uit die bepaling dat indien de ingediende schuldvordering wordt aanvaard in het eerste proces-verbaal van verificatie, het hangende geding zonder voorwerp wordt en dat indien de vordering wordt betwist in het eerste proces-verbaal van verificatie de curator verondersteld wordt het geding te hervatten. Aangenomen moet dus worden dat de onderhavige procedure van rechtswege is geschorst. Dat de curator in zijn brief van 30 september 2008 aan de rechtbank heeft geschreven zich naar het vonnis van deze rechtbank te refereren, maakt dat niet anders.

2.2 Het beroep van [eiser] op art. 5 van de EG-Insolventieverordening slaagt niet. Het kan best zijn dat [eiser] voor de vordering uit onrechtmatige daad wegens aanvaring terzake van het verhaal een voorrecht heeft op het schip. Uit niets blijkt dat zo’n voorrecht een zakelijk recht inhoudt en evenmin dat dat de bevoorrechte tot separatist maakt die zijn recht buiten het faillissement om kan vervolgen en het schip buiten de curator om kan uitwinnen. De rechtbank kan dat ook uit de door [eiser] overgelegde stukken niet afleiden. Uit art. 5 van de EG-Insolventieverordening volgt voor het daar bedoelde geval ook niet enige regeling van de gevolgen van het faillissement voor lopende procedures.

2.3 De procedure is dus geschorst en zal daarom worden verwezen naar de parkeerrol totdat duidelijk is of de vordering in het faillissement wordt erkend danwel betwist en dus of de procedure wordt voortgezet danwel zonder ‘voorwerp’ is geworden. De meest gerede partij wordt verzocht de rechtbank daaromtrent te zijner tijd te informeren.

3. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 17 december 2008 voor doorverwijzing naar de parkeerrol,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.