Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG6981

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
168765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een groot aantal bezwaren tegen het arbitrale vonnis aangevoerd die vaak in detail ingaan op de overwegingen van het Scheidsgerecht. Voor de rechtbank is uitgangspunt dat een procedure op de voet van art. 1065 Rv niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slecht in sprekende gevallen dient in te grijpen. De burgerlijke rechter dient de vernietigingsgronden met terughoudendheid toe te passen (HR 17 januari 2003, NJ 2004, 384, HR 19 januari 2004, NJ 2005, 190, HR 22 de-cember 2006, NJ 2008, 4 en HR 25 mei 2007, NJ 2007, 294). Tekortkomingen in het arbi-trale vonnis van ondergeschikt belang zullen niet leiden tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0779
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM als nevenzittingsplaats van de rechtbank Utrecht

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 168765 / HA ZA 08-577

Vonnis van 3 december 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. F.J. Boom,

tegen

de stichting

STICHTING BOVENIJ ZIEKENHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.T. Bolt.

Partijen zullen hierna [eiser] en BovenIJ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 juni 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In deze procedure vordert [eiser] als eerste vernietiging van het arbitrale vonnis van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg - hierna: het Scheidsgerecht - van 17 augustus 2007, nr. 07/07, op 28 augustus 2007 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Utrecht - hierna: het arbitrale vonnis. Hieronder worden de rechtsoverwegingen over de samenvatting van het geschil en de motivering uit het vonnis geciteerd:

“2. Samenvatting van het geschil

2.1 Eiser, thans 57 jaar oud, is sinds 1983 als medisch specialist dermatologie toegelaten tot het ziekenhuis van de Stichting. Op 15 november 2000 is tussen partijen een herziene toelatingsovereenkomst tot stand gekomen, met bijbehorend addendum waarin - voor zover voor het geschil relevant - is bepaald dat de afspraak betreffende de bestaande extramurale praktijk ook onder de nieuwe toelatingsovereenkomst van kracht blijft.

2.2 Bij brief van 2 maart 2007 heeft de Stichting de toelatingsovereenkomst opgezegd tegen 3 september 2007 op grond van gewichtige redenen van zodanig klemmende aard dat redelijkerwijs van het ziekenhuis niet kan worden gevergd deze overeenkomst te continueren.

2.3 Eiser is voor 1,0 fte als dermatoloog toegelaten tot het ziekenhuis. Naast zijn ziekenhuispraktijk voerde en voert hij diverse extramurale praktijken voor dermatologie. Ter ondersteuning van zijn ziekenhuispraktijk heeft eiser diverse praktijkondersteuners in dienst en in dienst gehad, onder wie een dermatoloog, andere artsen en assistenten.

De Stichting heeft eiser op 9 juni 2006 de aanwijzing gegeven, dat hij zich met onmiddellijke ingang niet meer mag laten assisteren door één van de praktijkondersteuners, omdat haar registratiegegevens, waar de Stichting bij herhaling om had verzocht, niet aan de Stichting bekend waren gemaakt.

2.4 Naar aanleiding van deze maatregel heeft de Stichting nader onderzoek naar de praktijkvoering van eiser aangewezen geacht. De uitkomsten van dit onderzoek hebben de Stichting geleid tot de conclusie dat eiser zich op een aantal punten niet heeft gehouden aan de organisatorische en financiële kaders die uit de rechtsverhouding tussen hem en de Stichting voortvloeien. De Stichting heeft haar bevindingen inzake de praktijkondersteuning, de dienstenregeling, de overname van de praktijk van de vertrekkende collega-dermatoloog, het stralingsdeskundigheidsniveau van eiser, zijn opstelling in een klachtenprocedure, de wijze van declareren en de dossiervoering, kenbaar gemaakt in een brief van 12 juli 2006. Daarbij heeft de Stichting eiser erop gewezen dat hij zich aan de geldende kaders voor de praktijkvoering dient te houden. Eiser is verzocht om een genoegzame reactie vóór 15 augustus 2006. Aan eiser is medegedeeld dat bij gebreke van de gevraagde reactie de Stichting zich op nadere maatregelen, waaronder die welke voorzien zijn in de toelatingsovereenkomst, zal beraden.

2.5 Een en ander heeft geleid tot correspondentie tussen partijen, uitmondend in een bespreking op 17 oktober 2006 in aanwezigheid van de raadslieden, waarbij afspraken zijn gemaakt over verbetering van de praktijkvoering op voornoemde punten door eiser.

2.6 De afspraken zijn door de raadsman van de Stichting bevestigd in de brief van 19 oktober 2006. In die brief wordt eiser er voorts van in kennis gesteld dat de Stichting bekend is geraakt met het gegeven dat eiser met ingang van 13 oktober 2006, tezamen met de arts op wie de aanwijzing van 9 juni 2006 betrekking had, een dermatologisch spreekuur in een nieuwe extramurale praktijk, Parkstad Kliniek, voert. De Stichting stelt dat zij daarover ten onrechte niet tevoren is geïnformeerd, dat zij daarvoor geen toestemming heeft verleend en dat het voeren van die praktijk zonder toestemming in strijd is met de toelatingsovereenkomst. De Stichting deelt eiser mee deze gang van zaken niet te tolereren.

2.7 Namens eiser is bij brief van 9 november 2006 gewezen op het addendum bij de toelatingsovereenkomst, waaruit volgt dat eiser gerechtigd is extramurale werkzaamheden te verrichten. Eiser stelt zich op het standpunt dat te dien aanzien geen beperking geldt, dat hij zich coöperatief en constructief heeft opgesteld en dat hij de afspraken gemaakt op 17 oktober 2006 gestand heeft gedaan. De extramurale werkzaamheden zijn toen niet besproken. Eiser meent dat de nieuwe praktijk in feite een voortzetting is van de extramurale praktijk die destijds is ontstaan na de sluiting van het voormalig Juliana Ziekenhuis in Amsterdam. Toestemming voor het voeren van de Parkstad Kliniek is niet nodig, aldus eiser, omdat in het addendum reeds is voorzien in een regeling voor uitoefening van de bestaande extramurale praktijk.

2.8 Nadat eiser nogmaals op het standpunt van de Stichting is gewezen, wordt hem op 1 december 2006 door de Stichting opnieuw een aanwijzing gegeven: het wordt eiser met onmiddellijke ingang verboden werkzaamheden te verrichten in de Parkstad Kliniek. Dit verbod geldt in elk geval zolang het bestuur van de Stichting geen schriftelijke toestemming voor die werkzaamheden heeft gegeven. De Stichting stelt dat de praktijk in de Parkstad Kliniek niet kan worden beschouwd als een voortzetting van de dermatologische praktijk uit het voormalige Juliana Ziekenhuis, aangezien dat ziekenhuis en die praktijk destijds is overgenomen door het ziekenhuis van de Stichting. Hieruit volgt volgens de Stichting dat hetgeen in het addendum bij de toelatingsovereenkomst is neergelegd zich niet uitstrekt tot de activiteiten van eiser in de Parkstad Kliniek, zodat eiser op grond van artikel 3 van de toelatingsovereenkomst toestemming nodig heeft voor zijn medisch specialistische werkzaamheden in de Parkstad Kliniek.

2.9 Eiser heeft de Stichting na 1 december 2006 niet gevraagd om toestemming voor het verrichten van werkzaamheden in de Parkstad Kliniek. Hij heeft die werkzaamheden evenmin gestaakt. De Stichting heeft eiser op 12 februari 2007 schriftelijk in kennis gesteld van het voorgenomen besluit tot beëindiging van de toelatingsovereenkomst tegen 1 september 2007 wegens gewichtige redenen. De Stichting stelt vast dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de op grond van de toelatingsovereenkomst bestaande mogelijkheid bezwaar te maken tegen de aanwijzing en dat eiser volhardt in zijn handelen in strijd met de toelatingsovereenkomst. De Stichting handhaaft daarnaast haar bezwaren op de eerder genoemde punten inzake de praktijkvoering van eiser. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op het voorgenomen besluit.

2.10 Eiser verzoekt de Stichting bij brief van 19 februari 2007 met hem in overleg te treden om te bezien of een minnelijke oplossing mogelijk is. Tevens maakt eiser van de gelegenheid gebruik zijn bezwaren tegen het voorgenomen besluit uiteen te zetten tijdens de hoorzitting van 22 februari 2007, waarvan het verslag door eiser is overgelegd.

2.11 De Stichting heeft haar voorgenomen besluit tevens voorgelegd aan het medisch stafbestuur, dat de Stichting op 6 maart 2007 heeft bericht dat het voorgenomen besluit uitvoerig is besproken in de extra plenaire stafvergadering van 22 februari 2007, waarbij eiser in de gelegenheid is geweest zijn standpunt toe te lichten. Een grote meerderheid van de leden van het stafbestuur heeft ingestemd met het voorgenomen besluit van de Stichting. De voorzitter van het stafbestuur heeft aangegeven dat de bezwaren tegen de praktijkvoering van eiser worden onderschreven en dat terzake geen enkele verbetering wordt verwacht. De collega-dermatoloog heeft zich, na daarover te zijn gehoord, op een vergelijkbaar standpunt gesteld.

2.12 Het voorafgaande heeft geleid tot de thans betwiste opzegging van de toelatingsovereenkomst van eiser. Eiser stelt dat aan de formele eisen voor een rechtsgeldige opzegging niet is voldaan, nu geen bemiddeling heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de toelatingsovereenkomst, dat het advies van het medisch stafbestuur niet voldoet aan artikel 24, derde lid, van de toelatingsovereenkomst en voorts dat de gronden de opzegging niet kunnen dragen.

(…)

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het betoog dat het besluit tot opzegging wegens formele gebreken moet worden vernietigd faalt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat het vereiste overleg tussen partijen een en andermaal heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid. Het benoemen van een bemiddelaar is niet verplicht en bovendien bestond daarover geen overeenstemming tussen partijen. Van handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de toelatingsovereenkomst is dan ook niet gebleken. Evenmin is gebleken van strijd met artikel 24, derde lid, van de toelatingsovereenkomst. Dit artikelonderdeel bepaalt dat de medisch specialist, de maatschap of het samenwerkingsverband waarvan de specialist deel uitmaakte en het stafbestuur voorafgaand aan de opzegging dienen te worden gehoord.

Nog daargelaten dat eiser, zoals onweersproken is gebleven, steeds heeft geweigerd een samenwerkingsverband aan te gaan met de andere toegelaten dermatoloog in het ziekenhuis van de Stichting, staat vast dat de Stichting alle in artikel 24, derde lid, genoemde partijen heeft gehoord, zodat in zoverre aan de in de toelatingsovereenkomst gestelde eisen is voldaan.

Ook het betoog dat het besluit van het stafbestuur op rechtsongeldige wijze zou zijn tot stand gekomen faalt, nu het stafbestuur in het kader van het voorgenomen besluit tot opzegging geen besluit heeft genomen en dit ook niet behoefde te nemen. Het stafbestuur moest worden gehoord, en dat is geschied.

4.2 Ook overigens komen de vorderingen van eiser niet voor toewijzing in aanmerking. Het Scheidsgerecht ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen aanleiding om het besluit tot opzegging van de toelatingsovereenkomst per 3 september 2007 niet in stand te laten. Het Scheidsgerecht overweegt daartoe het volgende.

4.3 De Stichting heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser op grond van artikel 3, eerste lid, van de toelatingsovereenkomst toestemming van het bestuur van de Stichting nodig had voor zijn werkzaamheden in de Parkstad Kliniek. Dit artikelonderdeel ziet op de situatie dat een specialist met wie een toelatingsovereenkomst is gesloten voornemens is medisch specialistische zorg elders dan op de ziekenhuislocatie te gaan verrichten. Door de kliniek op te starten en aldaar werkzaamheden als dermatoloog uit te voeren zonder overleg met en toestemming van de Stichting heeft eiser gehandeld in strijd met de verplichtingen die voor hem uit artikel 3, eerste lid, voortvloeien. Als gevolg van zijn handelen en nalaten heeft eiser de Stichting de gelegenheid onthouden de vereiste belangenafweging te maken. Hij heeft aldus onvoldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van de Stichting en zijn collega-specialisten in het ziekenhuis van de Stichting.

4.4 Anders dan eiser meent kan de Parkstad Kliniek niet worden aangemerkt als voortzetting van de dermatologische praktijk van het Juliana Ziekenhuis. Hiervoor is allereerst van belang dat eiser zelf ter zitting heeft verklaard dat de voortgezette poli Dermatologie van het Juliana Ziekenhuis op het adres Bilderdijkkade tot 2004 heeft voortbestaan en toen is beëindigd. Nu de Parkstad Kliniek eerst op 13 oktober 2006 van start is gegaan, kan deze kliniek reeds daarom niet worden aangemerkt als voortzetting van de poli Dermatologie van het voormalig Juliana Ziekenhuis.

4.5 Ook uit de brief van eiser van 13 oktober 2006 aan de verwijzers valt niet af te leiden dat de Parkstad Kliniek een voortzetting is van een bestaande praktijk, zoals bedoeld in het addendum bij de toelatingsovereenkomst. Die brief geeft veeleer de indruk van een nieuw dermatologisch spreekuur: de lezer wordt op de start van het spreekuur geattendeerd, vermeld wordt dat de praktijk zich vooralsnog beperkt tot een spreekuur op de vrijdagochtend, maar dat, indien mocht blijken dat behoefte bestaat aan uitbreiding, de spreekuren zullen worden uitgebreid. Het standpunt van eiser dat de werkzaamheden in de Parkstad Kliniek vallen onder de regeling voor de bestaande extramurale praktijk, zoals neergelegd in het addendum bij de toelatingsovereenkomst, moet dan ook voor onjuist worden gehouden. De Stichting heeft eiser daarop terecht bij herhaling gewezen.

4.6 De handelwijze van eiser ten aanzien van de Parkstad Kliniek is bovendien niet goed te begrijpen in het licht van het overleg tussen partijen op 17 oktober 2006. De Stichting heeft toen haar standpunt inzake de praktijkvoering van eiser nogmaals en op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt, getuige de bevestiging van de gemaakte afspraken in de brief van 19 oktober 2006. De Stichting heeft eiser een laatste kans willen geven zich te houden aan de geldende regels en zijn praktijkvoering op orde te brengen. Anders dan eiser betoogt, ging het niet om problemen uit het verleden, die naar tevredenheid waren besproken en opgelost. Onder die omstandigheden had eiser kunnen en moeten begrijpen dat het nalaten de Stichting te informeren over zijn nieuwe extramurale spreekuur in de Parkstad Kliniek, dat vier dagen voor het overleg tussen hem en de Stichting van start was gegaan, een nieuwe en ernstige beschadiging van de samenwerking zou veroorzaken.

4.7 Dat deze gang van zaken voor de Stichting de spreekwoordelijke druppel heeft gevormd die de emmer heeft doen overlopen, acht het Scheidsgerecht, gelet op hetgeen voorafgaand aan dit incident en de opzegging tussen partijen is voorgevallen, niet onbegrijpelijk. Het Scheidsgerecht is van oordeel dat de Stichting eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn handelwijze aan te passen aan de eisen die uit de toelatingsovereenkomst volgen. Dat de Stichting na een reeks van incidenten uit het verleden, nadat was gebleken dat eiser niet genegen was toestemming te vragen voor zijn werkzaamheden in de Parkstad Kliniek en zijn werkzaamheden aldaar voortzette, en nadat ook de medische staf expliciet had aangegeven het vertrouwen in eiser te hebben verloren, geen basis meer heeft gezien voor een verdere samenwerking met eiser, is een conclusie die het Scheidsgerecht niet onredelijk voorkomt.

Aan het voorgaande doet niet af het antwoord op de vraag of de op 1 december 2006 gegeven aanwijzing, indien aangevochten, in rechte stand zou hebben gehouden. Ten eerste is die aanwijzing niet aangevochten, en ten tweede doet het gegeven verbod niet af aan de plicht van eiser toestemming te vragen voor nieuwe extramurale activiteiten.

4.8 Het Scheidsgerecht komt tot de conclusie dat de Stichting zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van klemmende redenen van zodanige aard dat van de Stichting in redelijkheid niet gevergd kon worden de toelatingsovereenkomst met eiser voort te zetten. Nu de opzegging rechtmatig moet worden geoordeeld, is er geen grond voor schadevergoeding of betaling van een goodwillsom. Voor het toekennen van een vergoeding aan eiser op billijkheidsgronden ziet het Scheidsgerecht geen aanleiding.

4.9 De kosten van het Scheidsgerecht behoren, nu eiser in het ongelijk is gesteld, voor zijn rekening te komen. Voor het overige dient ieder van partijen de eigen kosten te dragen.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank het arbitrale vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaart dat de opzegging van de toelating van 2 maart 2007 nietig is, althans nietig te verklaren of te vernietigen en [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden in het ziekenhuis en BovenIJ zal veroordelen tot betaling van EUR 2.620.000,00, vermeerderd met kosten.

3.2. BovenIJ voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft een groot aantal bezwaren tegen het arbitrale vonnis aangevoerd die vaak in detail ingaan op de overwegingen van het Scheidsgerecht. Voor de rechtbank is uitgangspunt dat een procedure op de voet van art. 1065 Rv niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slecht in sprekende gevallen dient in te grijpen. De burgerlijke rechter dient de vernietigingsgronden met terughoudendheid toe te passen (HR 17 januari 2003, NJ 2004, 384, HR 19 januari 2004, NJ 2005, 190, HR 22 december 2006, NJ 2008, 4 en HR 25 mei 2007, NJ 2007, 294). Tekortkomingen in het arbitrale vonnis van ondergeschikt belang zullen niet leiden tot vernietiging. Hierna zullen de bezwaren worden behandeld in de door [eiser] aangebrachte rubricering.

4.2. [eiser] heeft geen bezwaren gericht tegen r.ovv. 4.3-4.5, waarin het Scheidsgerecht in de kern genomen heeft beslist dat [eiser] in strijd met art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst heeft gehandeld door zonder voorafgaande toestemming van BovenIJ een extramurale praktijk te beginnen in de Parkstraat Kliniek.

A. Strijd met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub e Rv)

4.3. [eiser] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het Scheidsgerecht fundamentele beginselen van openbare orde heeft geschonden. Hij werkt deze stelling aan de hand van de volgende aspecten uit.

1. strijd met het beginsel van hoor en wederhoor,

2. ten onrechte passeren van een bewijsaanbod,

3. het ten onrechte als vaststaand aannemen dat zich in het verleden een reeks incidenten heeft voorgedaan,

4. het ten onrechte leggen van een verband tussen de bespreking van 17 oktober 2006 en de extramurale activiteiten in de Parkstad Kliniek,

5. strijd met art. 27 lid 1 toelatingsovereenkomst,

6. het Scheidsgerecht heeft ten onrechte nagelaten art. 3 toelatingsovereenkomst ambtshalve te toetsen aan art. 6 Mededingingswet/art. 81 EG-Verdrag, resp. art. 24 Mededingingswet/Art. 82 EG-Verdrag.

4.4. 1. hoor en wederhoor - De vraag of het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, dient zonder terughoudendheid te worden onderzocht (HR 25 mei 2007, NJ 2007, 294). [eiser] stelt onder meer dat zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling op 3 juli 2007 in eerste termijn slechts 40 minuten heeft gehad om zijn pleitnota uit te spreken. Dat is te weinig gezien de omvang van de memorie van antwoord (30 p.) en de 101 door BovenIJ in het geding gebrachte producties. Gedurende die 40 minuten werd zijn advocaat voortdurend door de voorzitter afgekapt met de mededelingen dat hij zich aan de pleitnota moest houden en dat hij tot een punt moest komen, zo stelt [eiser]. Daarom heeft de advocaat de pleitnota slechts kunnen voorlezen. BovenIJ betwist dit een en ander en stelt dat [eiser] voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten.

4.5. Een advocaat zal datgene wat tijdens een pleidooi gezegd moet worden doorgaans, punt voor punt in een pleitnota opnemen. In de overgelegde pleitnota van de advocaat van [eiser] wordt ingegaan op de punten die in de arbitrale procedure speelden. De advocaat van [eiser] heeft de pleitnota in zijn geheel kunnen voordragen. [eiser] is dus tijdens de mondelinge behandeling voldoende in de gelegenheid geweest om zijn standpunt over te brengen aan het Scheidsgerecht. Kennelijk vond de voorzitter dat de advocaat van [eiser] zonder noodzaak buiten de tekst van de pleitnota trad en “niet tot een punt kwam” en heeft hij de advocaat aangespoord efficiënter te pleiten. Dat betekent echter niet dat het Scheidsgerecht aan [eiser] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden diens standpunt kenbaar te maken en aldus het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.

4.6. Het pleidooi van BovenIJ was neergelegd in een pleitnota van 7 pagina’s tekst. [eiser] heeft gesteld dat hij in tweede termijn te weinig tijd heeft gehad om daarop te reageren. Volgens BovenIJ is daarvoor wel voldoende tijd geweest. In het licht van de betwisting door BovenIJ en van de overzichtelijke omvang van de pleitnota van BovenIJ heeft [eiser] te weinig feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het Scheidsgerecht in tweede termijn het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden. De stelling omtrent schending van hoor en wederhoor wordt daarom verworpen.

4.7. 2. het nalaten om [betrokkene] als getuige te doen horen - De Mari heeft tijdens de mondelinge behandeling een aanbod gedaan tot het horen van de heer [betrokkene], arts, voormalig algemeen directeur van BovenIJ. Het Scheidsgerecht heeft dit aanbod volgens [eiser] ongemotiveerd gepasseerd. Dat is volgens [eiser] laakbaar tegen de achtergrond dat BovenIJ zich tijdens de zitting heeft laten bijstaan door de heren [namen en functies].

4.8. De beslissing om een getuigenverhoor te bevelen staat op grond van art. 1039 lid 3 Rv ter discretie van het Scheidsgerecht. De enkele omstandigheid dat tijdens de mondelinge behandeling op 3 juli 2007 vier vertegenwoordigers van het ziekenhuis aanwezig waren, maakt dat niet anders. Van strijd met de openbare orde is geen sprake.

4.9. 3 en 5. voorbijgaan aan stellingen van [eiser] - Deze stellingen houden alle in de kern genomen in dat het Scheidsgerecht voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van [eiser] of het arbitrale vonnis onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij zullen hierna onder B2 en B3 worden besproken.

4.10. 4. ten onrechte een verband leggen tussen de bespreking van 17 oktober 2006 en de extramurale activiteiten - Dit bezwaar betreft in feite ook de vraag of het Scheidsgerecht aandacht heeft besteed aan alle essentiële stellingen van [eiser] of zijn oordeel genoegzaam heeft gemotiveerd. Volgens [eiser] ging het gesprek op 17 oktober 2006 over allerlei kwesties, maar niet over zijn extramurale activiteiten. Het is daarom niet terecht om hem het verwijt te maken dat hij op 17 oktober 2006 geen melding heeft gemaakt van deze activiteiten. Dat standpunt heeft hij ingenomen in de arbitrale procedure. Volgens [eiser] is het Scheidsgerecht daarop niet ingegaan in r.ov. 4.6 van het vonnis.

4.11. Het gaat om de volgende zinnen in r.ov. 4.6: “De handelwijze van eiser ten aanzien van de Parkstad Kliniek is bovendien niet goed te begrijpen in het licht van het overleg tussen partijen op 17 oktober 2006. De Stichting heeft toen haar standpunt inzake de praktijkvoering van eiser nogmaals en op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt, getuige de bevestiging van de gemaakte afspraken in de brief van 19 oktober 2006.” Het Scheidsgerecht heeft beslist dat [eiser] toestemming voor het spreekuur in de Parkstad Kliniek moest vragen. Het Scheidsgerecht acht het niet begrijpelijk dat [eiser] dat punt niet heeft aangesneden tijdens het overleg op 17 oktober 2006, waarin alle tussen partijen bestaande geschilpunten aan de orde zijn gekomen en maakt [eiser] daarvan een verwijt. Dat is een aan het Scheidsgerecht voorbehouden gevolgtrekking die alleszins begrijpelijk is en geenszins strijd met art. 1065 meebrengt.

4.12. 6. mededingingsrechtelijke aspecten - [eiser] betoogt dat een vrijgevestigde medisch specialist een onderneming drijft die in een inkooprelatie staat met het ziekenhuis. Voor dit betoog zoekt hij steun bij het Visiedocument 3128/55 Concurrentie in de ziekenhuissector van de Nederlandse Mededingingsautoriteit - hierna: Visiedocument, resp. NMa - van januari 2004. Volgens [eiser] verhindert art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst met BovenIJ dat hij zijn diensten aanbiedt aan de Parkstad Kliniek. Daarom beperkt dit artikel de mededinging en is het nietig op grond van art. 6 Mw/Art. 81 EG-Verdrag. Verder maakt BovenIJ zich schuldig aan misbruik van een economische machtspositie in de zin van art. 24 Mw/art. 82 EG-Verdrag. Het Scheidsgerecht had op dit een en ander ambtshalve acht dienen te slaan. Nu het dat niet heeft gedaan, is zijn vonnis in strijd met de openbare orde als bedoeld in art. 1065 lid 1 sub e Rv.

4.13. De genoemde bepalingen zijn van openbare orde (HvJ EG 1 juni 1999, NJ 2000, 339 en HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340, Eco Swiss/Benetton en HvJ EG 13 juli 2006, AB 2006, 404, Manfredi). Uit de arresten kan worden afgeleid dat de burgerlijke rechter moet onderzoeken of het arbitrale vonnis strijd met de genoemde bepalingen oplevert, ook al is in de arbitrale procedure geen beroep op de bepalingen gedaan en vielen aan het mededingingsrecht ontleende argumenten in de arbitrage buiten de grenzen van de rechtsstrijd. Dit betekent dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van deze stelling toekomt.

4.14. De medisch specialist die is toegelaten tot een ziekenhuis, is gehouden onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid medisch-specialistische zorg te verlenen aan de patiënten van het ziekenhuis (art. 2 toelatingsovereenkomst). [eiser] heeft een toelatingsovereenkomst voor 1,0 fte. Uitgangspunt is daarom dat hij al zijn werkzaamheden zal verrichten in het door BovenIJ geëxploiteerde ziekenhuis. Op grond van eerder verworven rechten is het [eiser] bij het sluiten van de toelatingsovereenkomst in 2000 toegestaan om enerzijds zijn bestaande extramurale werkzaamheden voort te zetten en anderzijds zich in het ziekenhuis te laten ondersteunen door een arts-assistent en polikliniekassistentes die bij hem in dienst zijn (brief van BovenIJ van 30 oktober 2000). Verder geldt tussen partijen art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst, dat als volgt luidt:

“Voor het verrichten van de in artikel 2 lid 1 bedoelde werkzaamheden elders dan in gemeld ziekenhuis, c.q. op de overeengekomen ziekenhuislocatie(s) heeft de medisch specialist vooraf schriftelijke toestemming nodig van het bestuur. De medisch specialist zal diens voornemen tot het elders verrichten van deze werkzaamheden, tijdig en schriftelijk kenbaar maken aan het bestuur en daarover met het bestuur en het stafbestuur in overleg treden. Het bestuur zal deze toestemming verlenen indien en zolang de belangen van het ziekenhuis en/of de patiënten niet worden geschaad. De toestemming wordt geacht door het bestuur te zijn verleend, indien het bestuur niet binnen twee maanden na het indienen van het verzoek tot toestemming heeft gereageerd.”

4.15. Zoals uit de tekst blijkt strekt deze bepaling ertoe dat de belangen van het ziekenhuis en/of de patiënten worden gewaarborgd. Het toetsingskader is of de patiëntenzorg en de organisatie binnen het ziekenhuis niet onder druk komen te staan door het feit dat de medisch specialist elders werkzaamheden gaat verrichten en daardoor dus minder beschikbaar is in het ziekenhuis. Dat betekent dat art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst niet de strekking heeft de mededinging te beperken.

4.16. Hoewel art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst niet de strekking heeft de mededinging te beperken, heeft het mogelijk wel dit gevolg. In dat geval zou het nietig zijn op grond van art. 6 lid 2 Mw. De directeur-generaal van de NMa heeft bij besluit van 15 april 2004 geoordeeld dat art. 3 lid 1 Toelatingsovereenkomst op zich zelf niet strijdig is met art. 6 Mw. In de beslissing op bezwaar van 17 mei 2006, nr. 2961-90, heeft de Raad van Bestuur van de NMa overwogen dat de verhouding tussen art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst tot art. 6 Mw in het algemeen aandacht vraagt en dat de NMa daarom een breder onderzoek naar die verhouding verricht . BovenIJ heeft ter comparitie verklaard dat de NMa dit onderzoek heeft gestaakt. Na 17 mei 2006 heeft de NMa op haar website geen berichten gepubliceerd over de toelatingsovereenkomst tussen ziekenhuizen en medisch specialisten.

4.17. De vraag of art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst het gevolg dat de mededinging wordt beperkt kan niet in abstracto worden beoordeeld. Rekening moet worden gehouden met de algehele context waarbinnen de afspraak is genomen of zijn werking ontplooit, en meer in het bijzonder met de doelstellingen daarvan, welke verband houden met de noodzaak om regels vast te stellen voor het onderwerp in kwestie. Vervolgens moet worden onderzocht of de daaruit voortvloeiende beperkende gevolgen voor de mededinging inherent zijn aan deze nagestreefde doeleinden (HvJ EG 15 december 1994, C-250/92 Gøttrup-Klim/DLG, punt 31, 19 februari 2002, C-309/99, NJ 2002, 425, Wouters/Nederlandse Orde van Advocaten, punt 97 en 18 juli 2006, C-519/04P, NJ 2006, 637, Meca-Median/Commis¬sie, punt 42-44).

4.18. Uitgangspunt is dat de medisch specialist zich in de toelatingsovereenkomst voltijds of in deeltijd heeft verbonden onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid medisch-specialistische zorg te verlenen in een ziekenhuis. Door activiteiten elders te gaan verrichten, zal hij minder beschikbaar zijn voor het ziekenhuis. Het toestemmingsvereiste van art. 3 lid 1 toelatingsovereenkomst geeft aan het ziekenhuis de bevoegdheid een daartoe strekkend verzoek van de medisch specialist af te wijzen, als de patiëntenzorg en de organisatie binnen het ziekenhuis anders te veel te lijden hebben, of in te willigen, al dan niet met aanpassing van de deeltijdfactor. Als het ziekenhuis toestemming weigert, doet het niet meer dan de medisch specialist houden aan de oorspronkelijke afspraken. Als de medisch specialist daarmee geen genoegen wil nemen, heeft hij de vrijheid de toelatingsovereenkomst op te zeggen. De regel is noodzakelijk voor een goede verlening van patiëntenzorg in het ziekenhuis. Zij heeft daarom niet tot gevolg dat de mededinging wordt beperkt. Het beroep op art. 6 Mw wordt verworpen.

4.19. [eiser] heeft zich verder beroepen op schending van art. 24 Mw: BovenIJ zou misbruik maken van haar economische machtspositie. Deze stelling wordt eveneens verworpen. BovenIJ heeft op de markt van ziekenhuiszorg geen economische machtspositie. Het is een feit van algemene bekendheid dat er in de regio Amsterdam voldoende andere ziekenhuizen zijn, waar patiënten zich kunnen laten behandelen en waarmee medisch specialisten toelatingsovereenkomsten kunnen sluiten. [eiser] heeft zich niet op het standpunt gesteld dat BovenIJ samen met andere ziekenhuizen een collectieve economische machtspositie zou bezitten. Het is overigens ook niet aannemelijk dat dat het geval is.

4.20. Het voorgaande brengt mee dat ook het beroep op de art. 81 en 82 EG-Verdrag wordt verworpen. De aan het mededingingsrecht ontleende bezwaren van [eiser] worden afgewezen.

B. Het Scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden (art. 1065 lid 1 sub c Rv)

4.21. [eiser] verwijt het Scheidsgerecht dat het niet is ingegaan op een aantal essentiële stellingen van hem en dat het daarom zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden en daardoor in strijd heeft gehandeld met art. 1065 lid 1 sub c Rv. Dat betekent volgens [eiser] ook dat het Scheidsgerecht zijn vonnis niet voldoende heeft gemotiveerd en daardoor in strijd met art. 1065 lid 1 sub d Rv heeft gehandeld. De rechtbank zal de klachten aan beide maatstaven toetsen en daarbij, wat de motiveringseisen betreft, de in 4.33 weergegeven rechtsregel volgen. Het gaat om de volgende volgens [eiser] essentiële stellingen.

1. [eiser] heeft de gegrondheid en de rechtsgeldigheid van de aanwijzing van 1 december 2006 betwist.

2. Tijdens het gesprek van 17 oktober 2006 zijn alle tussen partijen bestaande misverstanden opgelost en alle verweten gedragingen besproken en afgedaan. Punten die daarna nog moesten worden afgedaan zijn door [eiser] uitgevoerd.

3. BovenIJ heeft zich onvoldoende ingespannen om een minnelijke oplossing te bereiken. [eiser] heeft het bestuur van de medische staf van het ziekenhuis verzocht in overleg te treden met (het bestuur van) BovenIJ. Het bestuur van de medische staf heeft niets van zich laten horen.

4. Het besluit van BovenIJ is in strijd met de redelijkheid en billijkheid in het licht van de in de memorie van eis genoemde omstandigheden.

4.22. 1. de betwisting van de rechtsgeldigheid van de aanwijzing van 1 december 2006 (in combinatie met punt C4) - Het Scheidsgerecht heeft in r.ov. 2.9 overwogen dat BovenIJ heeft vastgesteld dat [eiser] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing ex art. 7 toelatingsovereenkomst van 1 december 2006 dat het [eiser] met onmiddellijke ingang wordt verboden om werkzaamheden te verrichten voor de Parkstad Kliniek. In r.ov. 4.7, laatste alinea heeft het Scheidsgerecht als volgt overwogen:”Aan het voorgaande doet niet af het antwoord op de vraag of de op 1 december 2006 gegeven aanwijzing, indien aangevochten, in rechte stand zou hebben gehouden. Ten eerste is die aanwijzing niet aangevochten, en ten tweede doet het gegeven verbod niet af aan de plicht van eiser toestemming te vragen voor nieuwe extramurale activiteiten.”

4.23. [eiser] stelt in deze procedure dat hij in de arbitrale procedure heeft gesteld dat hij wel bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing van 1 december 2006 en dat om die reden het arbitrale vonnis geen stand kan houden. In nr. 14 van de memorie van eis heeft [eiser] gesteld dat hij de aanwijzing niet behoefde op te vatten als een aanwijzing ex art. 7 toelatingsovereenkomst omdat zij zag op de extramurale praktijk in de Parkstad Kliniek, welke praktijk geen organisatorische en financiële gevolgen had voor BovenIJ. Hij heeft verwezen naar de brieven van 21 december 2006 en 24 januari 2007. In de eerste brief heeft [eiser] geschreven dat hij aanneemt dat BovenIJ geen bezwaar heeft tegen het spreekuur in de Parkstad Kliniek. In de tweede brief heeft [eiser] aangegeven het te betreuren dat BovenIJ overleg over het spreekuur in de Parkstad Kliniek pas wil voeren, als hij dat spreekuur heeft gestaakt. Kennelijk heeft het Scheidsgerecht in de stellingen in nr. 14 memorie van eis en in de genoemde brieven geen bezwaar tegen de aanwijzing gelezen. Daarmee is het Scheidsgerecht niet voorbijgegaan aan een essentiële stelling van [eiser] en heeft het zijn vonnis voldoende gemotiveerd.

4.24. Ten overvloede geldt dat het Scheidsgerecht zijn oordeel op twee argumenten heeft gebaseerd. Het tweede argument is dat het verbod/de aanwijzing niet afdeed aan de plicht van [eiser] om toestemming te vragen voor nieuwe extramurale activiteiten. Daarmee heeft het Scheidsgerecht beslist dat het er niet toe doet of [eiser] al of niet bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing. In zoverre heeft [eiser] dus ook geen belang bij deze klacht tegen het arbitrale vonnis.

4.25. 2. de eerdere incidenten (in combinatie met de punten A3 en C2) - [eiser] stelt dat hij zich in de arbitrale procedure in de kern genomen op het standpunt heeft gesteld dat er vóór het incident over de extramurale praktijk in de Parkstad Kliniek geen andere problemen met hem waren, althans dat hij de door BovenIJ aangegeven problemen betwistte en dat wat er aan problemen was, naar tevredenheid was opgelost tijdens het gesprek van 17 oktober 2006. Toezeggingen die hij tijdens dat gesprek heeft gedaan, heeft hij nageleefd. Volgens [eiser] is het Scheidsgerecht aan deze essentiële stellingen voorbij gegaan. Het Scheidsgerecht heeft de opzegging immers toelaatbaar geoordeeld, mede omdat voor het Scheidsgerecht vaststond dat zich in het verleden een reeks incidenten met [eiser] had voorgedaan. In het algemeen is volgens [eiser] de vaststelling van de feiten door het Scheidsgerecht eenzijdig en zijn de feitelijke stellingen van [eiser] niet voldoende onderzocht. Volgens [eiser] maakt het Scheidsgerecht zich schuldig aan een eenzijdige en niet gemaskeerde doelredenering.

4.26. Het Scheidsgerecht heeft over dit punt in r.ov. 2.4 van het arbitrale vonnis het volgende opgemerkt: “Naar aanleiding van deze maatregel heeft de Stichting nader onderzoek naar de praktijkvoering van eiser aangewezen geacht. De uitkomsten van dit onderzoek hebben de Stichting geleid tot de conclusie dat eiser zich op een aantal punten niet heeft gehouden aan de organisatorische en financiële kaders die uit de rechtsverhouding tussen hem en de Stichting voortvloeien. De Stichting heeft haar bevindingen inzake de praktijkondersteuning, de dienstenregeling, de overname van de praktijk van de vertrekkende collega-dermatoloog, het stralingsdeskundigheidsniveau van eiser, zijn opstelling in een klachtenprocedure, de wijze van declareren en de dossiervoering, kenbaar gemaakt in een brief van 12 juli 2006. Daarbij heeft de Stichting eiser erop gewezen dat hij zich aan de geldende kaders voor de praktijkvoering dient te houden.” In r.ov. 4.6 van het arbitrale vonnis heeft het Scheidsgerecht het volgende overwogen: “De handelwijze van eiser ten aanzien van de Parkstad Kliniek is bovendien niet goed te begrijpen in het licht van het overleg tussen partijen op 17 oktober 2006. De Stichting heeft toen haar standpunt inzake de praktijkvoering van eiser nogmaals en op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt, getuige de bevestiging van de gemaakte afspraken in de brief van 19 oktober 2006. De Stichting heeft eiser een laatste kans willen geven zich te houden aan de geldende regels en zijn praktijkvoering op orde te brengen. Anders dan eiser betoogt, ging het niet om problemen uit het verleden, die naar tevredenheid waren besproken en opgelost. Onder die omstandigheden had eiser kunnen en moeten begrijpen dat het nalaten de Stichting te informeren over zijn nieuwe extramurale spreekuur in de Parkstad Kliniek, dat vier dagen voor het overleg tussen hem en de Stichting van start was gegaan, een nieuwe en ernstige beschadiging van de samenwerking zou veroorzaken” (onderstreping toegevoegd).

4.27. Uit de onderstreepte passage in r.ov. 4.6 blijkt dat het Scheidsgerecht de stelling van [eiser] heeft behandeld en verworpen. In zoverre gaat het bezwaar niet op. Wat de incidenten inhielden heeft het Scheidsgerecht in r.ov. 2.4 aan de hand van de stellingen van BovenIJ weergegeven. De kritiek is opgesomd in de brief van BovenIJ van 12 juli 2006. BovenIJ heeft deze meningsverschillen toegelicht aan de hand van vooral correspondentie tussen haar en [eiser] die zij bij memorie van antwoord in het geding heeft gebracht. Uit deze correspondentie blijkt inderdaad veelvuldig van stevige kritiek door BovenIJ op het functioneren van [eiser]. Vooral de producties laten bepaald een ander feitenverloop zien dan het “er-is-niets-aan-de-hand”-beeld dat [eiser] had geschetst in de memorie van eis. Op slechts enkele aspecten van dit feitenverloop heeft [eiser] vervolgens beknopt gereageerd in nrs. 8 t/m 15 pleit¬aantekeningen. Kennelijk heeft het Scheidsgerecht daarom de door BovenIJ gegeven weergave van de eerdere incidenten als onvoldoende weersproken overgenomen. Daarmee heeft het geen essentiële stelling gepasseerd en heeft het zijn oordeel genoegzaam gemotiveerd. Dit brengt verder mee dat de overweging “dat eiser (had) kunnen en moeten begrijpen dat het nalaten de Stichting te informeren over zijn nieuwe extramurale spreekuur in de Parkstad Kliniek, dat vier dagen voor het overleg tussen hem en de Stichting van start was gegaan, een nieuwe en ernstige beschadiging van de samenwerking zou veroorzaken” op begrijpelijke wijze voortvloeit uit het daarvoor overwogene.

4.28. 3. strijd met art. 27 lid 1 toelatingsovereenkomst; onvoldoende minnelijk overleg (in combinatie met A5 en C4) - In r.ov. 4.1 heeft het Scheidsgerecht overwogen dat het minnelijk overleg tussen [eiser] en BovenIJ “een en andermaal heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid ”. Daarmee is het Scheidsgerecht volgens [eiser] voorbij gegaan aan zijn stellingen dat BovenIJ zich onvoldoende heeft ingespannen om een minnelijke regeling te treffen en dat er geen overleg heeft plaatsgevonden over de aanwijzing met betrekking tot de Parkstad Kliniek. BovenIJ wilde immers slechts praten, als [eiser] zijn spreekuur in de Parkstad Kliniek had gestaakt. Volgens [eiser] heeft BovenIJ daarmee art. 27 toelatingsovereenkomst geschonden, dat als volgt luidt: “Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daaruit voortvloeien, zullen partijen in onderleg overleg trachten tot een oplossing te brengen, zodanig en indien door partijen gewenst, met inschakeling van een daartoe in gezamenlijk overleg te benoemen bemiddelaar.”

4.29. Kennelijk heeft het Scheidsgerecht met de boven geciteerde zin aangegeven dat partijen regelmatig met elkaar hadden overlegd over de verschillende incidenten die in het verleden hebben plaatsgehad en dat dit niet tot een afdoende oplossing had geleid. Aldus verstaan is het Scheidsgerecht niet voorbijgegaan aan de stelling dat BovenIJ geen overleg heeft willen plegen over de Parkstad Kliniek, maar heeft het die stelling in het licht van de eerdere incidenten tussen partijen en het overleg dat daarover had plaatsgevonden, niet relevant geoordeeld. Daarbij heeft het Scheidsgerecht art. 27 lid 1 toelatingsovereenkomst kennelijk zo uitgelegd dat partijen niet over ieder deelgeschil apart behoefden te overleggen, maar dat het erop aankomt dàt partijen hebben overlegd. Deze uitleg van de toelatingsovereenkomst is aan het Scheidsgerecht voorbehouden. De daaruit voortvloeiende terughoudende toetsing door de burgerlijke rechter brengt in dit geval niet mee dat dit oordeel van het Scheidsgerecht niet in stand kan blijven.

4.30. 4. strijd met de redelijkheid en billijkheid - [eiser] heeft op p. 12-13 van de memorie van eis gesteld dat de opzegging van de toelatingsovereenkomst om een twaalftal aldaar genoemde redenen in strijd met de redelijkheid is. [eiser] stelt in deze procedure dat het Scheidsgerecht geheel aan dit argument voorbij gegaan is.

4.31. Een aantal van deze redenen had [eiser] ook in een ander verband aangevoerd (de bijzondere positie van [eiser] ten aanzien van het voeren van een extramurale praktijk, de betwisting van eerdere incidenten, de bezwaren tegen de aanwijzing van 1 december 2006, het niet in overleg treden over de aanwijzing, het naleven van de toezeggingen uit het overleg van 17 oktober 2006 door [eiser]). Kennelijk heeft het Scheidsgerecht geen aanleiding gezien deze redenen in het kader van een beroep op de redelijkheid en billijkheid opnieuw te beoordelen, omdat dit geen toegevoegde waarde had. De andere omstandigheden (duur van de toelating, geen blijk van onbekwaamheid van [eiser], geen bedreiging van ziekenhuis in existentie, de toename van de productie bij gelijkblijvende lump sum) heeft het Scheidsgerecht kennelijk niet of onvoldoende relevant voor de te nemen beslissing geoordeeld. Dit is aanvaardbaar. De rechter en de arbiter behoeven bovendien niet iedere door partijen aangevoerde stelling te behandelen.

C. Het arbitrale vonnis is niet met redenen omkleed (art. 1065 lid 1 lid d Rv)

4.32. Ten derde stelt [eiser] dat het arbitrale vonnis niet met redenen is omkleed. Hij werkt dat als volgt uit.

1. Het Scheidsgerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat [eiser] voldoende gelegenheid heeft gehad zijn handelwijze aan te passen. [eiser] was immers alle toezeggingen al nagekomen: hij had naar aanleiding van het gesprek op 17 oktober 2006 zijn praktijkvoering aangepast. De feitelijke vaststelling dat [eiser] na 1 december 2006 niet heeft gevraagd om toestemming voor de extramurale activiteiten in de Parkstad Kliniek, is onjuist, omdat hij dat bij brief van 21 december 2006 wel heeft gedaan.

2. Het Scheidsgerecht heeft zijn overweging dat het niet ging om problemen uit het verleden die naar tevredenheid waren opgelost, niet gemotiveerd. Volgens [eiser] zijn deze problemen wel naar tevredenheid opgelost.

3. De beslissing van het Scheidsgerecht dat [eiser] geen recht op schadevergoeding of vergoeding van goodwill is eveneens niet gemotiveerd.

4. De vaststellingen dat het vereiste minnelijk overleg tussen [eiser] en BovenIJ heeft plaatsgevonden en dat de aanwijzing van 1 december 2006 niet is aangevochten, zijn onjuist.

4.33. De Hoge Raad heeft beslist dat met het ontbreken van een motivering als bedoeld in art. 1065 lid 1 sub d Rv “op één lijn gesteld moet worden het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen. Dit criterium moet door de rechter met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv. vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed” (HR 22 december 2006, NJ 2008, 4).

4.34. 1. praktijkvoering reeds aangepast en wel toestemming gevraagd - Deze klacht ziet op de volgende twee zinnen uit r.ov. 4.7: “Het Scheidsgerecht is van oordeel dat de Stichting eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn handelwijze aan te passen aan de eisen die uit de toelatingsovereenkomst volgen. Dat de Stichting na een reeks van incidenten uit het verleden, nadat was gebleken dat eiser niet genegen was toestemming te vragen voor zijn werkzaamheden in de Parkstad Kliniek en zijn werkzaamheden aldaar voortzette, en nadat ook de medische staf expliciet had aangegeven het vertrouwen in eiser te hebben verloren, geen basis meer heeft gezien voor een verdere samenwerking met eiser, is een conclusie die het Scheidsgerecht niet onredelijk voorkomt.” [eiser] betoogt dat hij na het gesprek van 17 oktober 2006 zijn praktijkvoering had aangepast en dat hij bij brief van 21 december 2006 alsnog toestemming had gevraagd. Deze klachten treffen geen doel. Met de eerste zin heeft het Scheidsgerecht niet meer willen zeggen dan dat BovenIJ voldoende geduld met [eiser] heeft gehad. Met de tweede zin heeft het Scheidsgerecht kennelijk het standpunt van BovenIJ gevolgd inhoudende dat de passage in de brief van [eiser] van 21 december 2006 dat hij ervan uitgaat dat BovenIJ geen bezwaar heeft tegen het spreekuur in de Parkstad Kliniek, niet kan worden opgevat als een verzoek tot toestemming in de zin van art. 3 toelatingsovereenkomst. Beide overwegingen voldoen aan de daaraan in dit kader te stellen motiveringseisen.

4.35. De punten C2 en C4 zijn reeds behandeld in B2, resp. B3.

4.36. 3. geen recht op schadevergoeding en vergoeding van goodwill - Die beslissing vloeit logisch voort uit de eerdere beslissingen van het Scheidsgerecht. Er is geen strijd met art. 1065 Rv.

D. Ongeldige samenstelling van het Scheidsgerecht (art. 1065 lid 1 sub b Rv)

4.37. Voorts stelt [eiser] dat het Scheidsgerecht op ongeldige wijze is samengesteld. De gebreken hebben volgens hem vooral betrekking op overtreding van het arbitragereglement van het Scheidsgerecht. Op grond van art. 7 lid 2 arbitragereglement moet een van de arbiters afkomstig zijn uit de kring van de (beroeps-)organisatie van [eiser]. [eiser] is dermatoloog. De arbiters zijn niet uit zijn beroepsorganisatie afkomstig: [arbiter] is rechter, [arbiter] is kaakchirurg en [arbiter] is ziekenhuisdirecteur. Het Scheidsgerecht is daarom ongeldig samengesteld volgens [eiser]. Een kaakchirurg komt niet uit dezelfde beroepsorganisatie als een medisch specialist als [eiser].

4.38. Dit bezwaar wordt verworpen. Op grond van art. 12 lid 5 van het Arbitragereglement van het Scheidsgerecht Gezondheidsrecht wordt een van de drie arbiters benoemd “uit kringen bedoeld in artikel 5, lid 2 onder d tot en met j van dit arbitragereglement, die eenzelfde of naar het oordeel van de voorzitter zoveel mogelijk vergelijkbare functie in een instelling bekleden als de persoon (…) waarmee het geschil is ontstaan.” In art. 5 lid 2 onder j van het arbitragereglement worden de kaakchirurgen genoemd als beroepsgroep die zitting hebben in het Scheidsgerecht. Het arbitragereglement stelt niet de eis dat een van de arbiters uit dezelfde beroepsgroep moet komen als, in dit geval, [eiser]. Een vergelijkbare beroepsgroep is ook toegestaan. In dit geval is de derde arbiter gekozen uit de beroepsgroep van kaakchirurgen. Dat is aanvaardbaar, omdat een kaakchirurg ook als vrijgevestigde in een ziekenhuis werk¬zaam kan zijn en omdat het geschil vooral op organisatorisch vlak lag.

E. Ontbreken vermelding woonplaatsen arbiters

4.39. In het arbitrale vonnis ontbreekt een vermelding van de woonplaatsen van de arbiters. Die vermelding is vereist op grond van art. 1057 lid 4 sub d Rv. [eiser] stelt dat daarom het arbitrale vonnis moet worden vernietigd. Die stelling wordt verworpen. In zo’n geval kan een partij binnen dertig dagen na nederlegging van het vonnis verzoeken om verbetering van het vonnis (art. 1060 lid 2 Rv). Zo’n verzuim levert geen vernietigingsgrond in de zin van art. 1065 Rv op.

4.40. De vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis zal worden afgewezen. Dat betekent dat ook de andere vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.41. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BovenIJ worden begroot op:

- vast recht EUR 4.533,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 10.955,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BovenIJ tot op heden begroot op EUR 10.955,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.