Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG6976

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
173213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid. Gezag van gewijsde van het arbitraal vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 173213 / HA ZA 08-1277

Vonnis van 3 december 2008

in de zaak van

[eiseres],

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [betrokkene] en [betrokkene],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. E.J.A. Vilé,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.A. Hage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 oktober 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 19 augustus 2003 is in [plaats] mevr. [betrokkene] overleden. Zij was gehuwd geweest met de heer [betrokkene]. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden.

[betrokkene] is niet hertrouwd. [betrokkene] had twee dochters en een zoon. De zoon, [betrokkene] - hierna: [betrokkene] -, is op 12 januari 1995 overleden. Hij was getrouwd met [eiseres]. Zij hebben twee kinderen: [betrokkene] en [betrokkene], beiden geboren op 11 juni 1991 - hierna: de kinderen.

2.2. Bij notariële boedelverdeling van 30 december 2005 vond een partiële boedelverdeling plaats tussen de erfgenamen van [betrokkene]. Aan de kinderen zijn de volgende percelen toebedeeld: de percelen bos- en cultuurgrond, kadastraal bekend gemeente [kad.gegevens] - hierna: de landbouwgrond - en [adres] - hierna: het woonhuis met erf.

2.3. [betrokkene] was eigenaar van een gedeelte van het landgoed dat [naam landgoed] heet. Zij woonde in een huis aan de [adres]. (Haar zoon) [betrokkene], die in [woonplaats] woonde, kwam regelmatig tijdens de weekeinden bij haar langs.

2.4. [gedaagde] heeft in opdracht van [betrokkene] diverse werkzaamheden op het landgoed verricht, waaronder ploegen, zaaien, oogsten, werkzaamheden in de woning van [betrokkene], etc.. Soms werkte hij voor een vaste prijs, soms op basis van een uurloon en soms werd de winst op 50-50% tussen [betrokkene] en [gedaagde] verdeeld. [gedaagde] heeft vanaf 1984 in een woonhuis aan de [adres] (het woonhuis en erf) gewoond. Het woonhuis en erf behoorden toen toe aan [betrokkene] die het om niet in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft het huis opgeknapt en de tuin bewerkt.

2.5. Omstreeks 1989-1991 zijn er in opdracht van [betrokkene] twee composthopen met zwerfafval (ongezeefde compost) op het landgoed gestort, één bij de woning van [betrokkene], één achter de woning van [gedaagde]. De composthopen waren afkomstig van het bedrijf van de gebroeders [naam en woonplaats]. De composthoop achter de woning van [gedaagde] is door [gedaagde] voor een deel verwerkt in een wal op zijn erf en voor een deel als grondverbeteraar uitgereden op de landbouwgrond achter de woning.

2.6. In 1996 heeft [gedaagde] bij [betrokkene] wederom een bestelling gedaan voor ongezeefde compost. Hij heeft deze compost laten uitrijden op de landbouwgrond van begin 1996 tot december 1997. Van [betrokkene] heeft hij daarvoor ± ƒ 20.000,00 ontvangen. [gedaagde] heeft nadien met de hand het zwerfafval gedeeltelijk van de landbouwgrond geraapt en verwijderd.

2.7. [betrokkene] heeft bij akte van 4 augustus 1999 de landbouwgrond en het woonhuis en erf in erfpacht aan [gedaagde] uitgegeven. [gedaagde] heeft nadien bermmaaisel, blad en heideplagsel van [betrokkene] uitgereden over de landbouwgrond. [gedaagde] heeft het erfpachtsrecht op de landbouwgrond en het woonhuis met erf op 11 maart 2004 verkocht aan [eiseres] voor zich. Het erfpachtsrecht op het woonhuis en erf is op 30 november 2004 geleverd aan [eiseres] voor zich. Het erfpachtsrecht op de landbouwgrond moet nog worden geleverd. [gedaagde] had de landbouwgrond tot 1 januari 2007 in gebruik. Medio 2004 is [gedaagde] uit de woning getrokken en is [eiseres] er met de kinderen gaan wonen.

2.8. De landbouwgrond en het erf rond het woonhuis zijn verontreinigd met zwerfafval e.d.. [eiseres] is in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van haar kinderen - hierna: [eiseres] q.q. - een arbitrale procedure begonnen tegen [gedaagde]. In de erfpachtsakte was geschillenbeslechting opgedragen aan arbiters. Het Scheidsgerecht heeft bij arbitraal vonnis van 30 maart 2007 [gedaagde] veroordeeld om aan [eiseres] q.q. € 58.800,00, vermeerderd met rente, te betalen. Het Scheidsgerecht heeft onder meer het volgende overwogen:

“16. Het verweer dat de percelen 5166 en 5167 bij het begin van de erfpacht in 1999 reeds waren vervuild gaat wel op. Uit de vele producties die op dit punt zijn overgelegd, zowel door [eiseres] als door [gedaagde], doemt het beeld op, dat ook voorafgaande aan 4 augustus 1999, toen de erfpachtovereenkomst met [gedaagde] tot stand kwam onder verantwoordelijkheid van [betrokkene] door [gedaagde] en anderen grote hoeveelheden ongezeefde compost op de betreffende percelen is gestort. (…) Het Scheidsgerecht gaat er dan ook vanuit dat een deel van het zwerfvuil, zoals dat thans nog op de percelen aanwezig is, afkomstig is uit de periode voorafgaande aan de onderhavige erfpacht. Dit wil echter niet zeggen dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de door hem aangebrachte vervuiling. Ook al heeft de grondeigenaar in de periode voorafgaande aan 1999 ingestemd met het aanbrengen van ongezeefde compost op de betreffende terreinen, dat wil nog niet zeggen dat [gedaagde] daartoe als erfpachter eveneens gerechtigd was, nog los van het feit dat [gedaagde] zelf (…) aangeeft, dat voor 1999 alleen maar ongezeefde compost werd gestort, terwijl hij zelf ook bermmaaisel heeft gestort. Van enig instemmen op dit punt door de erfverpachtster in die periode is niet gebleken. De woonplaats van de erfverpachtster was ook zodanig ver van de onderhavige percelen gelegen, dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat zij de visuele vervuiling heeft waargenomen.

Er vanuit gaande dat zowel voor als na 1999 alleen visuele vervuiling heeft plaatsgevonden, iets anders is niet gesteld noch gebleken, en er tevens vanuit gaande dat thans toch de bovenste dertig centimeter van de grond zal moeten worden gezeefd, in welke grond zich dus zwerfvuil van na 1999 bevindt en ook nog enig zwerfvuil van voor die tijd (voor een deel zal de compost zijn vergaan; voor een ander deel heeft [gedaagde], door te rapen, de aangebrachte vervuiling verwijderd) komt het Scheidsgerecht tot het oordeel dat het grootste deel van de kosten van verwijdering van de vervuiling toch zou moeten zijn gemaakt, ook al zou voor 1999 geen vervuiling hebben plaatsgevonden, zodat in redelijkheid 80% van de kosten van het verwijderen van het thans nog aanwezige zwerfvuil voor rekening van [gedaagde] dient te komen.

17. Tenslotte, ten aanzien van de vordering onder c), verschillen partijen van mening over de hoogte van de kosten, die het schoonmaken van de percelen met zich meebrengt. (…)

Met betrekking tot de kosten komt het Scheidsgerecht tot de conclusie dat de offertes van [betrokkene] en die van [betrokkene], gelet op de in de offertes genoemde werkzaamheden en de daarvoor berekende bedragen, juist voorkomen, terwijl die van [betrokkene] en [betrokkene] te hoog lijken.

De offertes van [betrokkene] en die van [betrokkene] leiden, inclusief BTW, tot een totaalbedrag van afgerond € 73.500,--.

[betrokkene] berekent voor het eigenlijke werk "het zeven" slechts € 6.000,-- meer dan [betrokkene] (€ 1,80 per m³ tegen € 1,60 per m³). Die offertes verschillen op dit punt derhalve niet aanmerkelijk.

[betrokkene] heeft een stelpost voor het afvoeren van € 10.000,--. Dat is € 4.000,-- hoger dan [betrokkene] daarvoor neemt. Dat is te verklaren door het feit dat [betrokkene] ter plaatse zeeft, terwijl [betrokkene] de bovenlaag afgraaft en de grond weer terugbrengt na reiniging.

Het weghalen en verplaatsen van de afrastering kost bij [betrokkene] € 14.300,-- en bij [betrokkene] € 2.350,--. Met [gedaagde] is het scheidsgerecht van oordeel dat de afrastering aan de buitenzijde van het perceel niet hoeft te worden verwijderd en derhalve ook niet hoeft te worden teruggebracht. Dit verklaart het verschil tussen deze offertes op dit punt. Het Scheidsgerecht acht het om deze redenen juist om de offertes van [betrokkene] en van [betrokkene], nog te verhogen met niet verrekenbare BTW, tot afgerond € 73.500,-- als uitgangspunt te nemen voor de berekening van de door [eiseres] te maken kosten voor het schoonmaken van de percelen.

Gelet op het onder 16 overwogene is dit deel van de vordering van [eiseres] derhalve toewijsbaar tot een bedrag van 80% van € 73.500,--, derhalve tot een bedrag van € 58.800,--. Voor wat betreft de gevorderde wettelijke rente overweegt het Scheidsgerecht, dat nu het hier nog te maken kosten betreft van het schoonmaken van het perceel de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van zeven dagen na de betekening van dit vonnis. (…)

18. [eiseres] stelt zich voor het eerst bij conclusie tot vermeerdering van eis op het standpunt, dat [gedaagde] als erfpachter het perceelsgedeelte dat bij het betreffende woonhuis hoort, heeft vervuild. Zij legt daar een aantal bewijsstukken voor over. [gedaagde] ontkent het betreffende perceelsgedeelte te hebben vervuild.

19. Tegenover de uitdrukkelijke betwisting door [gedaagde] zijn de stellingen van [eiseres] op dit punt niet vast komen te staan. [eiseres] heeft ook geen rechtstreeks bewijs aangedragen waaruit de juistheid van haar stellingen op dit punt zou kunnen worden afgeleid. Daar komt bij dat ook de vervuiling zelf, tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], niet is komen vast te staan. De daartoe door [eiseres] overgelegde producties kunnen op zich genomen die conclusie ook niet dragen.”

2.9. [eiseres] q.q. heeft vervolgens bij verzoekschrift verzocht dat een voorlopig getuigenverhoor zou worden gehouden. Dit verzoek is bij beschikking van deze rechtbank van 30 juli 2007, zaak-/rekestnummer 155659 / HA RK 07-147 toegewezen. Op 26 november 2007, 19 maart, 7 mei en 18 juni 2008 zijn veertien getuigen gehoord.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 179.732,46, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres] niet-ontvankelijk is, omdat de vereiste toestemming van de kantonrechter voor het voeren van deze procedure (art. 1:349 j° 1:253k BW) zou ontbreken. [eiseres] heeft ter comparitie in het geding gebracht de beschikking van de kantonrechter van 22 mei 2006, die is aangetekend op het verzoek van [eiseres] bij brief van 16 mei 2006. In die brief heeft [eiseres] de kantonrechter verzocht om machtiging te verlenen om “als eiseres op te treden in één of meer procedures tegen [gedaagde]”. Het verzoek is ruim geformuleerd, zodat de machtiging ook een dergelijke ruime strekking heeft. Dat betekent dat de machtiging zich ook uitstrekt over deze procedure en dat [eiseres] kan worden ontvangen in haar vordering.

Gezag van gewijsde van het arbitrale vonnis

4.2. [gedaagde] heeft er zich op beroepen dat het arbitrale vonnis tussen partijen gezag van gewijsde heeft (art. 1059 j° 236 Rv). Het Scheidsgerecht heeft beslist (1) dat de composthopen onder verantwoordelijkheid van [betrokkene] zijn gestort, (2) dat de vervuiling van het woonhuis met erf niet is komen vast te staan, (3) dat de verhouding van de vervuiling van de landbouwgrond van vóór 1999 tot die van ná 1999 er een is van 80-20% en (4) dat de kosten van schoonmaken van de landbouwgrond € 73.500,00 bedragen. Deze beslissingen hebben volgens [gedaagde] tussen partijen bindende kracht.

4.3. Het Scheidsgerecht heeft in zijn arbitrale vonnis van 30 maart 2007 beslissingen genomen over de verhouding tussen [betrokkene]/[eiseres] q.q. en [gedaagde] als erfverpachtster en erfpachter over de vervuiling van de landbouwgrond en het woonhuis en erf gedurende de periode van erfpacht vanaf 4 augustus 1999. Voor die beslissingen geldt het gezag van gewijsde. Het Scheidsgerecht heeft geen beslissingen genomen over de periode vóór de vestiging van het recht van erfpacht. Het was ook niet gevraagd daarover een oordeel te vellen. Dat betekent dat aan de beslissingen in het arbitrale vonnis geen gezag van gewijsde toekomt, voor zover het om de situatie vóór 4 augustus 1999 gaat. Dit verweer wordt verworpen.

Toestemming van [betrokkene] en [betrokkene]

4.4. [eiseres] verwijt [gedaagde] dat hij vóór 1999 de landbouwgrond en het erf rond het woonhuis heeft verontreinigd met zwerfafval en dat hij daarom onrechtmatig heeft gehandeld.

4.5. [gedaagde] heeft zich onder meer verweerd met een beroep op overleg met of toestemming door [betrokkene] en [betrokkene]. Dit is een bevrijdend verweer, waarvoor [gedaagde] de bewijslast draagt.

4.6. Als getuige heeft [gedaagde] onder meer het volgende verklaard:

“In de periode 1989 – 1991 zijn er twee composthopen gestort op het landgoed. Een hoop is gestort op het perceel waar mevrouw [betrokkene] woonde ([adres]), een hoop is gestort op het achtererf van het huis waar ik woonde. Deze compost kwam rechtstreeks van het werk en werd aangeleverd door [betrokkene], een aannemer/loonwerker te [plaats]. Ik had daarvoor geen opdracht gegeven. Ik weet niet wie voor de composthoop op de [adres] opdracht heeft gegeven. Voor de composthoop op de [adres] heeft Hans ([betrokkene], toevoeging rb.) opdracht gegeven. Of hij er geld voor heeft gekregen, weet ik niet. Ik heb er geen geld voor gekregen. Er is toen ongeveer 4.000 m³ gestort. Ongeveer 400 m³ is uitgereden over de tuin. De rest is over de landbouwgrond uitgereden. Dat gebeurde meestal in de herfst/winter. Het uitrijden deed [betrokkene] of een loonwerker. [betrokkene] kende ik als bedrijf. Ik kende de mensen niet. In deze compost zaten stukken plastic en blikjes e.d. Hans zei tegen mij dat hij dat had geregeld en of ik het in de gaten wilde houden.

[betrokkene] zeefde de compost en reed het dan uit op het erf van mensen bij hem in de buurt, zoals [betrokkene]. Hans en ik wilden deze compost ook wel hebben als grondverbe¬tering. Daar hebben wij over gepraat vanaf 1994. Om in aanmerking te komen voor compost is met [betrokkene] afgesproken dat hij het grof zou zeven. Want fijn gezeefde compost kon hij bij hem in de buurt makkelijk kwijt. Vanaf 1996 is deze grof gezeefde compost uitgereden over de landbouwgrond. Het was mijn idee. Hans was al overleden. Het was in de lijn met wat ik met Hans had besproken. Het uitrijden gebeurde in overleg met mevrouw [betrokkene]. [betrokkene] betaalde voor het brengen en uitrijden van de compost. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door [betrokkene]. Het was ƒ 1,00 per m³. Dat geld kreeg ik. Dat is allemaal netjes verantwoord in de boeken. Zo is het 3 jaar lang gegaan, tot en met 1998. Ik heb in totaal daarvoor ongeveer ƒ 20.000 ontvangen. Ik mocht het geld houden onder de voorwaarde dat ik de grond zo schoon mogelijk zou houden door het afrapen van het afval. Ik heb weken lopen rapen. In die periode is er geen compost in de tuin uitgereden of gestort.”

4.7. Uit deze verklaring, die door geen andere getuigenverklaring wordt tegengesproken, blijkt dat [gedaagde] en [betrokkene] gezamenlijk hebben overlegd over gebruik van compost van [betrokkene] voor het verbeteren van de schrale landbouwgrond, dat naar gezeefde compost veel vraag was, zodat zij die niet konden krijgen, dat [betrokkene] wel ongezeefde compost wilde leveren, dat deze ongezeefde compost in 1989-1991 door [betrokkene] is besteld en vervolgens op de landbouwgrond en het erf is uitgereden, dat [betrokkene] en [gedaagde] in 1994 wederom over het bestellen van ongezeefde compost hebben gesproken, dat dit er vóór het overlijden van [betrokkene] niet meer van is gekomen, maar dat [gedaagde] dit in 1996 heeft besteld en dat hij de compost in overleg met [betrokkene] heeft laten uitrijden over de landbouwgrond en dat hij het afval zou rapen.

4.8. Steunbewijs voor deze partijgetuigenverklaring is te vinden in de getuigenverklaringen van de heer [getuige] die heeft verklaard dat [betrokkene] een partij ongezeefde compost heeft besteld voor de [adres], en van de heer [betrokkene] die heeft verklaard dat [betrokkene] ongezeefde compost heeft geleverd aan [betrokkene] en in de schriftelijke verklaring van 29 december 2006 van de zuster van [betrokkene], mevr. [betrokkene] , waarin zij in de kern genomen heeft verklaard dat hun vader en [betrokkene] regelmatig ter verrijking van de grond van de gemeente [plaats] of van particulieren afkomstig vuil op de grond lieten storten en dat daar pas de laatste jaren slecht over is gedacht.

4.9. Daartegenover staat de schriftelijke verklaring van 7 oktober 2008 van de andere zuster van [betrokkene], mevr. [betrokkene]. [betrokkene] heeft in haar verklaring erop gewezen dat [betrokkener] in Engeland woonde en slechts incidenteel op het landgoed was en de situatie rondom de vervuilingen niet kon beoordelen en dat [betrokkene] zich niet met de landbouw op het landgoed bemoeide en dat overliet aan [gedaagde]. [betrokkene] heeft echter ook verklaard dat [betrokkene] eind jaren ’80 een composthoop bij de woningen van [betrokkene] liet storten ter verspreiding over voerakkertjes om aldus wilde zwijnen te lokken. Dat betekent dat [betrokkene] ook volgens [betrokkene] bestellingen van ongezeefde compost voor het landgoed heeft gedaan. Dat brengt weer mee dat de verklaring van [betrokkene] onvoldoende gewicht heeft om de in 4.6-4.8 weergegeven verklaringen te ontzenuwen.

4.10. Dit betekent dat [gedaagde] is geslaagd in het bewijs dat de ongezeefde compost met toestemming van of in overleg met [betrokkene] en [betrokkene] over de landbouwgrond is uitgereden en in een wal op het erf is verwerkt. Dat betekent ook dat [gedaagde] niet onrechtmatig tegenover [eiseres] heeft gehandeld door de ongezeefde compost over de landbouwgrond uit te rijden en het in een wal op het erf te verwerken.

4.11. Uit de stellingen van [eiseres] blijkt dat zij [gedaagde] ook verwijt afval van andere bronnen te hebben gestort op het erf. Die stelling is echter onvoldoende uitgewerkt, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

4.12. Het voorgaande brengt mee dat de vordering zal worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde] behoeven geen bespreking.

4.13. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 1.148,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 10.000,00 (5,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 11.148,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 11.148,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.