Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG6495

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/1932
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 34, vijfde lid, laatste volzin, van de WAO is genomen. Dit betoog van eiser treft geen doel.

De rechtbank stelt vast dat artikel 34, vijfde lid, eerste volzin, van de WAO een verplichting inhoudt voor het UWV om tot herbeoordeling over te gaan. Een verzekerde die volgens het aSB is beoordeeld kan op grond van het vijfde lid, eerste volzin, afdwingen dat een beoordeling volgens het oSB plaatsvindt. De gedachte hierachter is dat een beoordeling volgens het oSB gunstiger kan uitpakken dan een beoordeling volgens het aSB. De laatste zin van het vijfde lid maakt een uitzondering op de verplichting om tot herbeoordeling over te gaan. Immers, in het geval dat een verzekerde op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse is ingedeeld bestaat er voor het UWV geen verplichting om tot herbeoordeling over te gaan. De vaststelling dat het UWV in zo'n geval niet verplicht is om per 22 februari 2007 volgens het oSB te beoordelen, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het UWV niet bevoegd is om eisers mate van arbeidsongeschiktheid te doen onderzoeken. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAO wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder meer herzien wanneer degene aan wie zij is toegekend ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde voor een lagere uitkering in aanmerking komt. Teneinde te beoordelen of zodanige situatie aan de orde is heeft het UWV, naar ook volgt uit artikel 23 van de WAO, in beginsel een ruime bevoegdheid om personen die een uitkering ontvangen te doen onderzoeken. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2007 en 23 mei 2008, gepubliceerd in respectievelijk USZ 2007, 230 en USZ 2008, 214. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat eiser in de aSB-procedure alsnog volledig arbeidsongeschikt is geacht, aanleiding heeft kunnen zien om eiser aan een herbeoordeling te onderwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/1932

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 3 december 2008

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.G.H.M. de Glas,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 maart 2008, uitgereikt door het UWV, kantoor Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 6 december 2007 wordt ingetrokken, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 oktober 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel, werkzaam bij het UWV te Nijmegen.

3. Overwegingen

Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is, kort weergegeven, degene die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat is om met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 85% te verdienen van het inkomen dat een met hem of haar wat betreft opleiding en arbeidservaring vergelijkbare gezonde persoon (de maatman) kan verwerven.

Eerst dient te worden vastgesteld welke medische beperkingen betrokkene heeft en welke algemeen geaccepteerde arbeid betrokkene, rekening houdend met die beperkingen, kan verrichten. Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen moet vervolgens een vergelijking worden gemaakt tussen het inkomen dat de betrokkene met algemeen geaccepteerde arbeid kan verdienen en het maatgevende inkomen.

Artikel 23 van de WAO luidt als volgt:

“ 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo vaak hij dat nodig oordeelt de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen in verband met de aanspraak op of het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de toekenning dan wel verstrekking van een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk IIB.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats door een of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.

3. De daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken door een of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.”

In artikel 34, vierde en vijfde lid, van de WAO, is het volgende bepaald:

“4. Onverminderd het in deze wet terzake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen.

5. Ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn geboren en die voor 22 februari 2007 op grond van het vierde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.”

Artikel 36, eerste lid luidt als volgt:

“1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.”

Eiser is op 24 mei 1991 uitgevallen uit zijn maatgevende arbeid als magazijnmedewerker vanwege psychische decompensatie ten gevolge van een arbeidsconflict. Vervolgens is eiser een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Verweerder heeft met ingang van 21 februari 2007 eisers WAO-uitkering ingetrokken, hetgeen heeft plaatsgehad naar aanleiding van een beoordeling ingevolge artikel 34, vierde lid, van de WAO op basis van het "nieuwe" Schattingsbesluit (hierna: aSB), zoals dat met ingang van 1 oktober 2004 is gaan gelden. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Aangezien eiser op 1 juli 2004 ouder dan 45 jaar was diende er ingevolge artikel 34, vijfde lid, van de WAO een herbeoordeling te volgen op grond van het “oude” Schattingsbesluit (hierna: oSB), zoals dat tot 1 oktober 2004 gold, hetgeen verweerder heeft aangekondigd in een brief van 18 juni 2007.

Het tegen de intrekking van eisers uitkering gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 oktober 2007 gegrond verklaard, nu verweerder heeft aangegeven dat - gelet op eisers opleiding - een tweetal functies niet geschikt zijn voor eiser en er vervolgens onvoldoende functies resteren om de schatting te dragen. De intrekking van eisers uitkering per 21 februari 2007 is herroepen en eiser is onveranderd 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Bij primair besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder eisers WAO-uitkering per 6 december 2007 ingetrokken, omdat hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking gehandhaafd en aangegeven dat normalerwijs de volledige heroverweging met zich zou brengen dat de intrekking van de WAO-uitkering in de beslissing op bezwaar inzake de aSB-beoordeling overeind zou zijn gebleven onder duiding van nieuwe functies en het geven van een uitlooptermijn, maar dat ervoor gekozen is dit achterwege te laten omdat er toch een oSB-beoordeling zou volgen die tot hetzelfde resultaat zou leiden.

Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 34, vijfde lid, laatste volzin, van de WAO is genomen. Voorts heeft hij aangevoerd dat de oSB-beoordeling tot een resultaat leidt dat in strijd is met de strekking van het kabinetsbesluit om juist de oudere WAO-gerechtigden soepel te behandelen. Verweerder had eiser de keuze moeten laten of hij nog wel een herbeoordeling op grond van het oSB wenste.

Dit betoog van eiser treft geen doel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat artikel 34, vijfde lid, eerste volzin, van de WAO een verplichting inhoudt voor het UWV om tot herbeoordeling over te gaan. Een verzekerde die volgens het aSB is beoordeeld kan op grond van het vijfde lid, eerste volzin, afdwingen dat een beoordeling volgens het oSB plaatsvindt. De gedachte hierachter is dat een beoordeling volgens het oSB gunstiger kan uitpakken dan een beoordeling volgens het aSB.

De laatste zin van het vijfde lid maakt een uitzondering op de verplichting om tot herbeoordeling over te gaan. Immers, in het geval dat een verzekerde op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse is ingedeeld bestaat er voor het UWV geen verplichting om tot herbeoordeling over te gaan.

De vaststelling dat het UWV in zo'n geval niet verplicht is om per 22 februari 2007 volgens het oSB te beoordelen, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het UWV niet bevoegd is om eisers mate van arbeidsongeschiktheid te doen onderzoeken.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAO wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder meer herzien wanneer degene aan wie zij is toegekend ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde voor een lagere uitkering in aanmerking komt. Teneinde te beoordelen of zodanige situatie aan de orde is heeft het UWV, naar ook volgt uit artikel 23 van de WAO, in beginsel een ruime bevoegdheid om personen die een uitkering ontvangen te doen onderzoeken. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2007 en 23 mei 2008, gepubliceerd in respectievelijk USZ 2007, 230 en USZ 2008, 214. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat eiser in de aSB-procedure alsnog volledig arbeidsongeschikt is geacht, aanleiding heeft kunnen zien om eiser aan een herbeoordeling te onderwerpen.

Eisers betoog dat de besluitvorming onzorgvuldig is nu de door verweerder gevolgde procedure ondoorzichtig was treft evenmin doel.

De rechtbank stelt vast dat de aSB-beoordeling en de daaropvolgende bezwaarprocedure enerzijds en de oSB-herbeoordeling anderzijds tegelijkertijd hebben plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt voorts dat een aantal arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen zowel in de aSB-beoordeling als in de oSB-beoordeling een rol hebben gespeeld en dat deze personen enige malen ten onrechte in de rapporten worden aangeduid als bezwaarverzekeringsarts of bezwaararbeidsdeskundige. De rechtbank is van oordeel dat het vorenstaande niet met zich brengt dat er sprake is van een ondoorzichtige procedure nu vastgesteld wordt dat in de rapporten duidelijk is vermeld in welk kader gerapporteerd wordt en er derhalve geen twijfel kan zijn over de medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank acht het overigens niet aannemelijk dat de desbetreffende verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen eiser niet hebben geïnformeerd over het doel of de doelen van het onderzoek in kwestie.

Voorts blijkt uit de brief aan eiser van 18 juni 2007 dat naast de bezwaarprocedure in de aSB-fase ook de oSB-procedure is opgestart. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van eiser op de hoogte was van het beleid inzake de oSB-beoordelingen en de daarin vermelde stappen. Ten slotte is niet gebleken dat eiser – daargelaten of eiser bij de verschillende onderzoeken wel of niet is geïnformeerd over het doel van het betreffende onderzoek - door de verwarring in zijn belangen is geschaad.

Voorts heeft eiser gesteld dat hij verdergaand beperkt is dan door verweerder is aangenomen.

Verweerder heeft zijn standpunt aangaande de medische belastbaarheid doen steunen op de rapporten van de verzekeringsarts J.W.H.J. Verzijden van 24 juli 2007 en de bezwaarverzekeringsarts M. Carere van 11 maart en 19 maart 2008, waarin de uitkomst van het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek is neergelegd.

De rechtbank acht geen aanknopingspunt aanwezig voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Verweerder mocht derhalve uitgaan van de juistheid van het medisch onderzoek en heeft dusdoende op goede gronden en terecht geoordeeld dat per datum in geding geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke tot uitdrukking zijn gebracht in de voor eiser opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser heeft in het kader van de oSB-beoordeling niet verzocht om een nieuw medisch onderzoek. De verzekeringsarts Verzijden heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiser onveranderd is gebleven en heeft daarom geen veranderingen aangebracht in de FML van 30 november 2006. De FML van 24 juli 2007 is dan ook gelijk aan die van 30 november 2006. De bezwaarverzekeringsarts Carere heeft eiser op 30 januari 2008 onderzocht en heeft de voorhanden medische informatie, waaronder de brief van de psychiater van 25 februari 2008, bestudeerd. Naar aanleiding van de medische stukken en het onderzoek stelt de bezwaarverzekeringsarts dat er geen reden is verdergaande beperkingen aan te nemen dan in de FML van 24 juli 2007/30 november 2006 zijn opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts stelt dat de vermelding PTSS in het rapport van de psychiater van 25 februari 2008 niet afdoet aan haar medisch oordeel en dat de beperkingen daardoor niet veranderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen te twijfelen.

Geoordeeld moet worden dat eiser op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid.

In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn functies geduid die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220) en wasserijmedewerker (sbc-code 272020). Deze functies zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid.

Eiser heeft betoogd dat hij de geduide functies niet kan verrichten. Bij brief van 16 oktober 2008 heeft eiser zijn betoog nader toegelicht. Eiser heeft in dat verband tevens aangevoerd dat ten onrechte niet alle overschrijdingen in de functies met de verzekeringsarts zijn besproken. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog geen doel kan treffen. Daarbij wijst de rechtbank allereerst op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de (juistheid van de voor eiser) vastgestelde belastbaarheid. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de arbeidsdeskundige J.F. Stoffijn in zijn rapport van 6 september 2007/26 september 2007 heeft gemotiveerd waarom eiser de geduide functies kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft daarbij voorafgaand contact gehad met de verzekeringsarts Verzijden. Ter zitting heeft verweerder gereageerd op het gestelde in de brief van 16 oktober 2008 en toegelicht waarom de functies geschikt zijn te achten. De rechtbank ziet geen reden om de door verweerder gegeven motivering aangaande de geschiktheid van de functies onjuist te achten. Dit brengt met zich dat nader overleg tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts dan ook niet nodig was.

Eisers betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de eerste beoordeling door de arbeidsdeskundige in het kader van de zogenaamde aSB-beoordeling wel functies geduid konden worden en bij de tweede niet, heeft geen betrekking op de intrekking van de WAO-uitkering per 6 december 2007 en kan dan ook geen doel treffen.

Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts dat eiser met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. I. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008 .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 3 december 2008