Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG6092

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/1117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV2004. Forfaitaire verhuiskostenaftrek. Artikel 3.17, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet IB 2001. Verhuizing door vader, weg van de onderneming (melkveehouderij). Zoon neemt twee jaar na de verhuizing van vader bedrijf helemaal over. Geen zakelijk belang bij verhuizing, dus geen aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 08/1117

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 2 december 2008

inzake

[X] wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: drs. [A],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [H46]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3959, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 0 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1490.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2008 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 20 februari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 21 februari 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2008 te Arnhem.

Namens eiser is daar zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [B]. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Aan het slot van de zitting is het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat de verhuizing van eiser zakelijk was.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2008 een verklaring van eiser, mede ondertekend door diens zoon, overgelegd.

Verweerder heeft op deze verklaring gereageerd bij brief van 16 oktober 2008.

Eisers gemachtigde heeft hierop vervolgens gereageerd bij brief van 29 oktober 2008.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek derhalve gesloten.

2. Feiten

Eiser is geboren op 6 oktober 1942. Hij heeft tot 1 mei 2002 als eenmanszaak een melkveehouderij geëxploiteerd op het adres [a straat 1] te [Z].

Vanaf 1 mei 2002 is eiser een maatschap aangegaan met zijn zoon, [C], geboren op 19 juli 1977 (hierna: eisers zoon). Eisers zoon woont vanaf zijn geboorte op [a straat 1].

Op 15 juli 2004 is eiser met zijn echtgenote verhuisd van het [a straat 1], gelegen ruim buiten de bebouwde kom van [Z], naar het adres [b straat 1] te [Z], gelegen binnen de bebouwde kom van [Z]. Eiser was op dat moment 61 jaar oud.

De afstand tussen [b straat 1] en [a straat 1] is ruim 13 kilometer en de reistijd is ongeveer 25 minuten.

Op 1 mei 2006 heeft eiser, die toen 63 jaar oud was, zich uit de maatschap teruggetrokken en op dezelfde datum is de onderneming fiscaal geruisloos overgegaan naar eisers zoon.

Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2004 de forfaitaire verhuiskostenaftrek geclaimd van € 5445. Verweerder heeft deze aftrek geweigerd, met als argument dat de verhuizing weg van de onderneming niet zakelijk is.

3. Geschil

In geschil is of eiser recht heeft op de verhuiskostenaftrek, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of de verhuizing van eiser, weg van het bedrijfsadres [a straat 1], zakelijk was. Eiser heeft gesteld dat de verhuizing zakelijk was, maar verweerder heeft de zakelijkheid gemotiveerd betwist.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf: belang bij beroep

Aangezien de aanslag van eiser over 2004 uitkomt op nihil als gevolg van de toepassing van de heffingskorting, is niet duidelijk of eiser belang heeft bij zijn beroep. Partijen hebben ter zitting echter gezegd dat zij het er samen over eens zijn dat eiser belang heeft bij zijn beroep en dat dit belang is gelegen in de verzilvering van - het na het verlenen van de aftrek niet gebruikte deel van - de heffingskorting van eiser op grond van artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De rechtbank gaat er in navolging van partijen van uit dat eiser om deze reden belang heeft bij zijn beroep.

Verhuiskostenaftrek

Om in aanmerking te komen voor de forfaitaire aftrekpost van € 5445 van artikel 3.17, lid 1, letter a, ten eerste, van de Wet IB 2001, moet eiser – nu verweerder de zakelijkheid heeft betwist - aannemelijk maken dat de verhuiskosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Daarbij is van belang dat een verhuizing die voorvloeit uit een verandering van levenspositie, behoort tot het persoonlijk leven van de belastingplichtige, zodat de kosten daarvan niet in aanmerking komen voor aftrek van de winst uit onderneming (zie Hoge Raad 24 juni 1970, nr. 16.383, BNB 1970/159).

Volgens de schriftelijke verklaring van eiser, overgelegd bij brief van 10 oktober 2008 en mede ondertekend door eisers zoon, is de reden voor de verhuizing van eiser de volgende.

“Vanaf 1 mei 2002 is die onderneming in samenwerking met mijn zoon [C] uitgeoefend. Het doel van die samenwerking was om hem de gelegenheid te geven zich als medeondernemer in te laten werken. Voordien was hij als slechts zijdelings en sporadisch bij het bedrijf werkzaam. Dit mede doordat hij nog met zijn scholing bezig was en ook bij anderen heeft gewerkt.

De verandering van de positie van [C] betekende in feite dat er eerst 1 kapitein en 1 stuurman op het schip was en dat er vanaf mei 2002 twee kapiteins en twee stuurlieden waren. Door het verschil in leeftijd, de andere beleving hoe het bedrijf te runnen en ook het verschil in opleiding die ook in de wijze van bedrijfsvoering naar voren kwam leek het mij en [C] niet raadzaam om permanent met 2 stuurlieden op de brug verder te gaan. Na een eerste periode waarin dat samen op de brug staan wel het geval is geweest is er voor gekozen dat ikzelf letterlijk wat meer afstand tot het bedrijf zou nemen. Dit om conflicten over de wijze van bedrijfsvoering te vermijden. Zulke conflicten zouden naar onze mening niet in het belang van de onderneming zijn op momenten dat er direct gehandeld moet worden. Bijvoorbeeld op momenten dat voor de verzorging of behandeling van de dieren ingegrepen zou moeten worden en daar verschil van mening zou ontstaan over het tijdstip (direct of nog even aanzien) of wijze van behandelen zou ontstaan. Aan de andere kant was er het punt van de ervaring die niet direct voor het bedrijf verloren moest gaan.

Na over een en ander onderling te hebben gesproken is er in gezamenlijk overleg voor gekozen dat ik met het oog op het bedrijfsbelang nog bij het bedrijf als medevennoot betrokken zou blijven maar letterlijk wat meer afstand zou nemen. Dat resulteerde uiteindelijk in de mijn verhuizing naar mijn huidige adres. (…)”

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geciteerde verklaring, waarvan de inhoud op zichzelf wel aannemelijk wordt geoordeeld, niet voldoende is om aannemelijk te maken dat de verhuiskosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming.

Uitgangspunt voor de beoordeling is dat een verhuizing weg van de vestigingsplaats van de onderneming een privé-aangelegenheid is, nu een verhuizing in beginsel de privé-situatie van de belastingplichtige raakt en niet goed valt in te zien waarom het bedrijfsbelang met een verhuizing gediend is waarbij de ondernemer verder van de onderneming komt te wonen. Alleen in bijzondere omstandigheden kan een dergelijke verhuizing een overwegend zakelijk karakter hebben. De verhuizing moet dan met name ingegeven zijn door de belangen van de onderneming. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter geen sprake.

Gelet op eisers eigen verklaring en op zijn leeftijd tijdens de verhuizing, in samenhang bezien met de familierelatie tussen eiser en zijn zoon en met eisers uittreding uit de maatschap twee jaar na de verhuizing, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval in wezen sprake is geweest van een gefaseerde bedrijfsovername van eisers onderneming door zijn zoon. In dat kader lag het voor de hand dat eiser in de loop van de tijd steeds meer terugtrad bij het nemen van ondernemingsbeslissingen en zo steeds meer ruimte gaf aan zijn zoon om de onderneming naar eigen inzicht te leiden. Dat eiser ter ondersteuning daarvan (en om zelf gemakkelijker afstand te kunnen nemen van het bedrijf) is verhuisd, was een logische vervolgstap. Die stap bood bovendien zijn zoon de mogelijkheid om met zijn eigen gezin en zonder zijn ouders in het huis bij de onderneming te wonen.

De verhuizing moet daarom in dit geval vooral gezien worden als samenhangend met de verandering van levenspositie van eiser, namelijk het stoppen met zijn bijdrage aan de onderneming. De omstandigheid dat het voor de melkveehouderij goed was dat eiser gefaseerd stopte en dat eisers zoon geleidelijk meer ruimte kreeg voor een eigen koers, is in het licht van het totale beeld naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een overwegend zakelijk belang te kunnen concluderen.

Overigens is ook niet gesteld of gebleken dat er enig concreet conflict tussen eiser en zijn zoon heeft bestaan, dat de bedrijfsvoering zo ernstig bedreigde dat de verhuizing daardoor in het belang van de onderneming nodig was. Voorts is de samenwerking tussen twee personen in een maatschap altijd een mogelijke bron voor conflicten en valt niet in te zien waarom een verhuizing van één van de maten daarin verandering zou kunnen brengen. Een verhuizing kan dan hooguit voorkomen dat de conflicten ook doorwerken naar de privésfeer, maar dat is geen zakelijk belang.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.