Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG5994

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
07/3198
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BO5116, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag 1998 tijdig bekend gemaakt, nu de navorderingsaanslag naar het op dat moment bekende adres is verstuurd en gemachtigde binnen de navorderingstermijn bezwaar heeft ingediend.

Verweerder beschikt voor de jaren 1998 en 1999 over het voor navordering vereiste nieuwe feit, aangezien pas na het strafrechtelijk onderzoek bleek dat aanleiding bestond om aan de juistheid van de ingediende aangiften over die jaren en de verstrekte inlichtingen te twijfelen. Verweerder was ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen 1998 en 1999 niet bekend met de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek.

Eiser is op grond van feiten en omstandigheden woonachtig in Nederland. De rechtbank hecht met name waarde aan de plaats waar de woningen van eiser zich bevinden alsmede de verblijfplaats van het gezin, aangezien eiser regelmatig een bezoek bracht aan zijn gezin. Beperkte duur van detentie op de Nederlandse Antillen doet niet af aan dit oordeel.

Ook als moet worden aangenomen dat eiser zowel in Nederland als op de Nederlandse Antillen woonachtig is, dan moet eiser nog als binnenlands belastingplichtig worden aangemerkt. In Nederland heeft eiser namelijk zijn duurzaam tehuis, zijnde de woning waar zijn echtgenote en zoon woonden. Van een verblijfplaats op de Nederlandse Antillen is niet gebleken, mede omdat eiser daar op verschillende adressen verbleef.

Omkering van bewijslast voor de jaren 1998 en 1999, aangezien er in de aangifte over die jaren geen inkomsten zijn opgegeven, terwijl eiser wel aanzienlijke uitgaven heeft gedaan. Voor de herkomst van deze gelden heeft eiser geen aannemelijke verklaring gegeven.

Geen omkering van de bewijslast voor het jaar 2001, aangezien niet vastgesteld kan worden of verweerder een aangiftebiljet heeft uitgereikt en of dit aangiftebiljet naar het juiste adres is verstuurd. Tegen de betwisting door eiser vormt de door verweerder overgelegde schermprint onvoldoende bewijs daarvan. Op de schermprint ontbreekt de datum waarop het aangiftebiljet is uitgereikt, alsmede het verzendadres.

Er is geen sprake van een redelijke schatting. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen zijn ook bedragen opgenomen die betrekking hadden op een niet in geschil zijnd jaar (1997). Daarnaast bevat de berekening een aantal dubbeltellingen. De rechtbank stelt de inkomsten in goede justitie vast. Daarbij worden de totale geschatte inkomsten evenredig toegerekend aan de jaren 1998 tot en met 2001.

Ten aanzien van de vergrijpboete is er sprake van een pleitbaar standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/14.2.1
FutD 2008-2232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3198

Uitspraakdatum: 27 augustus 2008

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [A] te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetes opgelegd:

- voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [P.87]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen van € 408.402 (ƒ 900.000). Hierbij is aan eiser bij beschikking tevens een bedrag van € 39.530 (ƒ 87.113) aan heffingsrente in rekening gebracht;

- voor het jaar 1998 bij beschikking (nummer [P.88]) een vergrijpboete van

€ 235.063 (ƒ 518.011);

- voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer 1617.05.790.H.97) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen van € 408.402 (ƒ 900.000), alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 234.917 (ƒ 517.690). Hierbij is aan eiser bij beschikking tevens een bedrag van € 33.045 (ƒ 72.822) aan heffingsrente in rekening gebracht;

- voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [H.07]) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen van € 408.402 (ƒ 900.000), alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 234.755 (ƒ 517.331). Hierbij is aan eiser bij beschikking tevens een bedrag van € 24.512 (ƒ 54.018) aan heffingsrente in rekening gebracht;

- voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [H.16]) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 408.402, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 113 en een vergrijpboete van € 203.270. Hierbij is aan eiser bij beschikking tevens een bedrag van € 12.358 aan heffingsrente in rekening gebracht.

De voormalig gemachtigde van eiser heeft bij brief van 3 december 2003 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1998, welk bezwaarschrift door verweerder op diezelfde dag is ontvangen. De huidige gemachtige (hierna: gemachtigde) heeft tegen deze navorderingsaanslag op 9 januari 2004 nogmaals bezwaar gemaakt.

Voorts heeft de gemachtigde van eiser bij brieven van 13 januari 2004 en 19 februari 2004 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde vergrijpboete over het jaar 1998, de navorderingsaanslag IB/PVV over 1999 (inclusief de vergrijpboete en de beschikking heffingsrente), de navorderingsaanslag IB/PVV over 2000 (inclusief de vergrijpboete en de beschikking heffingsrente) en de aanslag IB/PVV over 2001 (inclusief de verzuimboete, de vergrijpboete en de beschikking heffingsrente).

Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 25 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op

26 april 2006, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op de ingediende bezwaarschriften.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 januari 2007 (procedurenummer AWB 06/2540) het beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen naar verweerder. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen vier maanden na de verzenddatum van de uitspraak, alsnog een beslissing te nemen.

Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 31 juli 2007, ontvangen bij de rechtbank op

1 augustus 2007, wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op de ingediende bezwaarschriften. Daarbij heeft gemachtigde de rechtbank verzocht om over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 november 2007 de bezwaren tegen de belastingaanslagen en de beschikkingen heffingsrente ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de vergrijpboetes over de jaren 1998 en 2001 vernietigd. De vergrijpboetes over de jaren 1999 en 2000 heeft verweerder verminderd tot 90% van de grondslag wegens overschrijding van de redelijke termijn genoemd in artikel 6 EVRM. De vergoeding voor de door eiser gemaakte kosten in de bezwaarfase is door verweerder vastgesteld op € 724,50.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2008 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [B] en

mr. [C]. Namens verweerder is verschenen drs. [D], bijgestaan door [E]. Eiser heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. Deze pleitnota wordt geacht te zijn voorgedragen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Algemeen

Eiser is geboren op [.] op Curacao, Nederlandse Antillen.

Eiser is op 12 december 1995 op Curacao gehuwd met [Y] (hierna: [Y]). Uit dit huwelijk is één kind geboren, [F] (geboren 4 november 1996). Het huwelijk is op 11 januari 2005 bij beschikking van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen ontbonden.

Voorts heeft eiser één kind – [G] – uit een eerdere relatie met [H].

Op 25 juli 1997 heeft eiser een perceel grond gelegen in het Tweede District van Curacao, te [Q], bekend als kavel 122 van het verkavelingsplan [I] ter grootte van 1.100m2 gekocht voor 93.500 Antilliaanse guldens. Op 17 december 1998 heeft eiser kavel 121 van hetzelfde verkavelingsplan ter grootte van 1.090m2 gekocht voor 92.650 Antiliaanse guldens.

Op 1 oktober 1997 is aan eiser en [Y] – ieder voor de onverdeelde helft – geleverd het woonhuis aan de [a straat 1] te [R]. De koopsom bedroeg

ƒ 650.000.

Op 24 april 2001 hebben eiser en [Y] voor een bedrag van ƒ 1.750.000 het woonhuis aan de [b straat 1] te [S] gekocht.

In de overeenkomsten en akten met betrekking tot de aankoop en financiering van de woningen in Nederland is vermeld dat eiser in Nederland woonachtig is. Eiser heeft een aantal bankrekeningen en een kluis in Nederland. Daarnaast is op de volgende facturen ten name van eiser een adres in Nederland vermeld:

o factuur d.d. 3 juli 1998 van ƒ 166.105,30 ter zake van de aankoop van Mercedes-Benz CLK 320;

o factuur d.d. 12 november 1998 van ƒ 70.000 ter zake van de aankoop van een Jeep Cherokee;

o factuur d.d. 8 april 1999 van ƒ 13.500 ter zake van de aankoop van een Yamaha motor;

o factuur d.d. 17 september 1999 van ƒ 39.942 ter zake van de aankoop van een Suzuki Vitara;

2.2 Aangifte en aanslagen

Eiser heeft over de jaren 1998 en 1999 door middel van een zogenoemd C-biljet aangifte IB/PVV gedaan. In deze aangiften heeft eiser de waarde aangegeven van de woning aan de [a straat 1] te [R] en daarop de schulden die verband houden met deze woning in mindering gebracht. Het belastbaar inkomen over de jaren 1998 en 1999 bedraagt volgens de ingediende aangiften € 8.831 negatief (ƒ 19.461 negatief).

Eiser heeft bij vraag 26 in het aangiftebiljet aangekruist dat hij in België, Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba woonde. De aanslagen over deze jaren zijn opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.

Verweerder heeft op respectievelijk 10 oktober 2000 en 10 januari 2001 brieven verzonden aan de toenmalige gemachtigde van eiser, mr. drs. [J] (hierna: [J]) met een verzoek om informatie over onder meer de fiscale woonplaats van eiser in de jaren 1998 en 1999.

In een brief van 20 februari 2001 heeft [J] onder meer als volgt geantwoord:

“(…) belastingplichtige (lees: eiser, aanvulling rechtbank) met mevrouw [Y] maar één kind heeft, maar ook met hen niet in gezinsverband in Nederland verblijft. Belastingplichtige woont op Curacao Nederlandse Antillen aan de [c straat 1]. Met mevrouw [Y] is belastingplichtige nog wel gehuwd volgens Nederlands Antilliaans recht. (…). Feitelijk is evenwel geen sprake meer van een huwelijkse status. Belastingplichtige leeft als het ware gescheiden van tafel en bed. In Nederland verblijft hij op doorreis naar andere Europese landen of logeert daar in een hotel als hij zijn familie bezoekt. De heer [X] is tot januari 1998 binnenlands belastingplichtig geweest en op 28 januari vertrokken naar de Nederlandse Antillen. (…).”

Mede naar aanleiding van deze informatie heeft verweerder de aanslag IB/PVV 1998 conform de ingediende aangifte opgelegd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 1998, gedagtekend 27 november 2003, is gericht aan eiser en vermeldt als adres [b straat 1], [S].

[J] heeft met dagtekening van 3 december 2003 een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1998 ingediend,

Over de jaren 2000 en 2001 heeft eiser geen aangifte IB/PVV gedaan. Over het jaar 2000 is geen (primitieve) aanslag IB/PVV opgelegd.

2.3 Strafrechtelijk onderzoek

Door de Politie Gelderland-Zuid, divisie Centrale Operationale Zaken, sectie Financiële Onderzoeken, is op 7 juni 2001 een onderzoek ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van eiser bij heling (witwassen). De bevindingen van dit onderzoek – genaamd [K] – zijn vastgelegd in een proces-verbaal met nummer [1] d.d. 4 oktober 2002 opgesteld door [L] (hierna: het proces-verbaal). Een afschrift van het proces-verbaal behoort tot de gedingstukken. Verweerder heeft medio 2003 de beschikking gekregen over het proces-verbaal.

Op pagina 25 e.v. van het proces-verbaal is het volgende opgenomen:

“(…) SAMENVATTING:

Uit vorenstaande onderzoek kan onder meer blijken dat:

- [H] en [G] hebben samen met, dan wel op verzoek van [X] diverse malen geldbedragen gewisseld van Nederlandse guldens, Duitse Marken en Britse Ponden naar Amerikaanse dollars.

- In totaal is er tenminste een bedrag van $ 659.830,- in ontvangst genomen.

- Alle wisselingen welke hebben plaatsgevonden zouden gedaan zijn in opdracht van [X].

- De herkomst van het gewisselde geld is niet geheel duidelijk geworden (inkomsten uit muziek, vissersbedrijf, geldleningen zonder duidelijk de naam van de geldverstrekker te kunnen aangeven)

- De frequentie van de wisselingen is opvallend (vaak meerdere wisselingen van relatief kleine bedragen bij verschillende wisselkantoren)

- De wijze van wisselen en de genomen risico’s is ook opvallend (met grote contante geldbedragen vervoerd in een tas over straat)

- (…)

- De meldgrens werd kennelijk bewust ontdoken door vaak kleinere bedragen te wisselen bij verschillende wisselkantoren.

- De wisselingen zoals uitgevoerd volgens de verklaring van verdachte [X] lijken zinloos (geld verdiend op Curacao met muziek en vissersbedrijf meenemen naar Nederland en daar wisselen voor US Dollars)

- Vaak werden kleinere coupures ter wisseling aangeboden (ƒ 100; DM 100,- en ƒ 50,-)

- (…)

- Door [X] werden versluieringstechnieken toegepast om te trachten geldstromen onzichtbaar te maken (…)

- [X] geeft aan inkomsten te hebben uit het tegen lage rente lenen van dit geld en dit tegen hogere rente weer uit te lenen aan derden. (Het lijkt onwaarschijnlijk dat een kennis, die hij slechts bij voornaam kent, aan hem een bedrag van $ 1.000.000,- leent middels een onderhands opgemaakte akte zonder garantstelling. [X] kan deze akte ook niet tonen, daar hij deze zou hebben verscheurd omdat de geldverstrekker zou zijn overleden)

Gezien het vorenstaande lijkt het aannemelijk dat [H], [G] en [X] zich hebben schuldig gemaakt aan heling en overtreding van de Wet inzake de Wisselkantoren. (…).”

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de navorderingsaanslag IB/PVV 1998 tijdig opgelegd?

2. Beschikt verweerder met betrekking tot de navorderingsaanslagen over de jaren 1998, 1999 en 2000 over het voor navordering vereiste nieuwe feit?

3. Is eiser gedurende de jaren 1998 tot en met 2001 fiscaal in Nederland woonachtig geweest?

4. Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1998, 1999 en 2000 en de aanslag IB/PVV 2001 tot het juiste bedrag opgelegd?

5. Zijn de verzuimboete en vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Voorafgaande opmerkingen

4.1.1 Fictieve weigering

Verweerder heeft in het verweerschrift alsnog een gemotiveerd standpunt ingenomen met betrekking tot de bezwaren van eiser. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding het verweerschrift aan te merken als uitspraak op bezwaar c.q. beslissing op administratief beroep. Dit heeft tot gevolg dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep tegen het niet nemen van een beslissing op bezwaar/beslissing op administratief beroep. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te gelasten het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb moet het beroep van eiser tegen de fictieve weigering in dit geval geacht worden mede te zijn gericht tegen die uitspraak op bezwaar/beslissing op administratief beroep. In dit beroep is eiser ontvankelijk (vergelijk Hoge Raad, 14 oktober 2005, 40155, BNB 2006/30).

4.1.2 Tijdigheid navorderingsaanslag IB/PVV 2000

Ter zitting heeft verweerder verklaard gemaakt dat hij zich kan verenigen met het standpunt van eiser dat de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2000 niet tijdig is opgelegd, nu er geen (voorafgaande) aanslag IB/PVV 2000 is opgelegd. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de navorderingsaanslag IB/PVV 2000 alsmede de beschikkingen ten aanzien van de vergrijpboete en heffingsrente over het jaar 2000 zal vernietigen.

Voorts is tussen partijen niet langer in geschil dat de vergrijpboetes over de jaren 1998 en 2001 dienen te worden vernietigd. Op de zittingsdatum was de formele verminderings-beschikking door verweerder echter nog niet afgegeven. De rechtbank zal derhalve de boetebeschikkingen over de jaren 1998 en 2001 vernietigen.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

4.2 Ten aanzien van het jaar 1998

4.2.1 De tijdigheid van de navorderingsaanslag

Op grond van artikel 16, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd.

De navorderingsaanslag IB/PVV 1998 is gedagtekend 27 november 2003, is gericht aan eiser en vermeldt als adres [b straat 1], [S].

[J] heeft met dagtekening van 3 december 2003 een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1998 ingediend.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij buiten de aanslagtermijn van vijf jaren, te weten pas op 9 januari 2004, bekend is geworden met de opgelegde navorderingsaanslag. Voorts stelt eiser dat [J] ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift niet langer als zijn gemachtigde optrad.

Gelet op artikel 16, derde lid, van de AWR moet ervan worden uitgegaan dat de termijn voor het opleggen van een navorderingstermijn op zijn vroegst op 31 december 2003 verstreek.

Gelet op de adressering van de navorderingsaanslag – zijnde het op dat moment bij verweerder bekende adres van eiser aan de [b straat 1] te [S] – en het feit

dat op 3 december 2003 een bezwaarschrift is ingediend, acht de rechtbank het aannemelijk dat in ieder geval de toenmalig gemachtigde van eiser vóór het verstrijken van de navorderingstermijn op de hoogte is gekomen van de navorderingsaanslag.

Eiser heeft geen gegevens aangedragen waaruit kan worden opgemaakt dan wel afgeleid dat zijn toenmalig gemachtigde op het moment van indienen van het bezwaarschrift niet langer als zijn gemachtigde optrad zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de machtiging nog van kracht was. Hieruit volgt dat de kennis van de toenmalige gemachtigde omtrent de navorderingsaanslag aan eiser dient te worden toegerekend.

De navorderingsaanslag is derhalve tijdig opgelegd. Dat de toenmalige echtgenote van eiser de navorderingsaanslag 1998 op 20 december 2003 aan verweerder heeft geretourneerd doet daar niet aan af. Op dat moment was het bezwaarschrift immers reeds ingediend.

4.2.2 Het nieuwe feit

Artikel 16, eerste lid, van de AWR bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navordering voortvloeit uit feiten die bij het opleggen van de primitieve aanslag reeds bij verweerder bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Op verweerder rust de bewijslast dat sprake is van een nieuw feit.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij ten tijde van het opleggen van de primitieve

aanslag nog niet bekend was met de uitkomsten van voornoemd strafrechtelijk onderzoek zodat hij beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder. Niet gebleken is dat verweerder bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 1998 in redelijkheid aan de juistheid van de door eiser ingediende aangifte en de door [J] verstrekte inlichtingen zoals vermeld in de brief van 20 februari 2001 hoefde te twijfelen. Er bestond voor verweerder derhalve geen aanleiding om op dat moment een nader onderzoek in te stellen.

Eerst naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek bleek dat aanleiding bestond om aan de juistheid van de ingediende aangifte en verstrekte inlichtingen te twijfelen. De rechtbank wijst onder meer op de volgende aspecten zoals vermeld in het proces-verbaal:

- in de overeenkomsten en akten met betrekking tot de aankoop en financiering van de woningen in Nederland wordt steevast vermeld dat eiser in Nederland woonachtig is (pagina 511 e.v. en pagina 532 van het proces-verbaal);

- diverse personen verklaren tijdens hun verhoren dat eiser in Nederland woonachtig is (onder meer de paginanummers 152, 159, 163, 168, 182, 188 van het proces-verbaal);

- diverse facturen ten name van eiser vermelden een woonadres in Nederland (pagina 542 e.v. van het proces-verbaal).

Aangezien verweerder ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen nog niet bekend was met de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek, beschikt hij over het voor navordering vereiste nieuwe feit.

4.2.3 De fiscale woonplaats

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de AWR wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Een natuurlijk persoon heeft naar de omstandigheden beoordeeld zijn woonplaats hier te lande indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft.

Artikel 34 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) luidt – voorzover van belang – als volgt.

“1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

a. wordt een natuurlijke persoon, die ingevolge de desbetreffende belastingregelingen inwoner is van beide landen, geacht inwoner te zijn van het land waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

b. indien niet kan worden bepaald in welk land hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waar hij gewoonlijk verblijft;

c. indien hij in beide landen of in geen van beide gewoonlijk verblijft, regelen de bevoegde autoriteiten van de landen de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

2. (…).”

Bepalend is of uit uiterlijk waarneembare omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

Verweerder, die een natuurlijk persoon als binnenlands belastingplichtig aanmerkt, dient feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat die persoon in Nederland woont.

Naar het oordeel van het rechtbank is verweerder, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, tegenover de betwisting hiervan door eiser, geslaagd in dit bewijs. Daarvoor acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden, die zich hebben voorgedaan en betrekking hebben op de periode van 1998 tot en met 2001 van belang:

- eiser was in de jaren 1998 tot en met 2005 gehuwd met [Y]. Mevrouw [Y] en hun gezamenlijke zoon waren in de betreffende jaren woonachtig in Nederland;

- eiser heeft gezamenlijk met [Y] huizen gekocht in Nederland, te weten in [R] en [S];

- in de overeenkomsten en akten met betrekking tot de aankoop en financiering van de woningen in Nederland wordt steevast vermeld dat eiser in Nederland woonachtig is;

- eiser heeft een aantal bankrekeningen en een kluis in Nederland;

- de voormalige partner van eiser, [H], waarmee hij (minimaal) één kind heeft

– genaamd [G] – is in [T] woonachtig. Bij zijn arrestatie in het kader van het genoemde strafrechtelijk onderzoek was eiser in gezelschap van [G];

- verschillende personen hebben onafhankelijk van elkaar verklaringen afgelegd dat eiser in Nederland woonachtig is (paginanummers 152, 159, 163, 168, 182, 188 van het proces-verbaal;

- op de volgende facturen ten name van eiser is een adres in Nederland vermeld:

o factuur d.d. 3 juli 1998 van ƒ 166.105,30 ter zake van de aankoop van Mercedes-Benz CLK 320;

o factuur d.d. 12 november 1998 van ƒ 70.000 ter zake van de aankoop van een Jeep Cherokee;

o factuur d.d. 8 april 1999 van ƒ 13.500 ter zake van de aankoop van een Yamaha motor;

o factuur d.d. 17 september 1999 van ƒ 39.942 ter zake van de aankoop van een Suzuki Vitara.

Hierbij merkt de rechtbank op dat zij met name waarde hecht aan de plaats waar de door de eiser (mede) gebruikte woningen zich bevinden alsmede aan de verblijfplaats van het gezin, temeer eiser regelmatig een bezoek bracht aan zijn gezin. Omstandigheden van formele aard, zoals de inschrijving in het bevolkingsregister acht de rechtbank van minder belang.

Ook als gelet op de feiten en omstandigheden zou moeten worden aangenomen dat eiser zowel op de Nederlandse Antillen als Nederland zou wonen kan dit er niet toe leiden dat eiser niet als binnenlands belastingplichtige zou moeten worden aangemerkt. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel a van het BRK is alsdan beslissend waar iemand zijn duurzaam tehuis heeft. In Nederland beschikte eiser over een vast adres waar zijn echtgenote en zoon verbleven, te weten de woning aan de [a straat 1] te [R] en na verkoop daarvan, de woning aan de [b straat 1] te [S]. Op de Nederlandse Antillen verbleef eiser op diverse adressen. Van een vaste verblijfplaats aldaar is niet gebleken. Derhalve moet eiser worden geacht inwoner van Nederland te zijn geweest.

De bijzondere omstandigheid dat eiser in de periode van februari tot november 1998 gedetineerd was op Curacao doet hieraan niet af. Gelet op de beperkte duur van deze detentie kan naar het oordeel van de rechtbank – in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden – niet worden geconcludeerd dat eiser in 1998 duurzaam op Curacao verbleef.

4.2.4 De hoogte van de navorderingsaanslag

Artikel 27e van de AWR bepaalt, voorzover van belang, dat de rechtbank het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Eiser heeft in de aangifte geen inkomsten opgegeven terwijl hij wel aanzienlijke uitgaven heeft gedaan zonder dat deze kunnen worden verklaard uit het aanwezige vermogen. Eiser heeft voor de herkomst van die gelden geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet op de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat eiser die uitgaven heeft gedaan uit inkomsten verkregen uit illegale werkzaamheden waaronder de in het procesverbaal genoemde geldwisseltransacties. Door hiervan geen opgave te doen in zijn aangifte heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan.

Deze schending is naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat verweerder terecht artikel 27e van de AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) heeft toegepast. Alsdan is het aan eiser om overtuigend de onjuistheid van de correcties aan te tonen. De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting (vgl. HR 29 september 1993, BNB 1993/330).

Verweerder heeft de inkomsten van eiser als volgt berekend:

ƒ

Gedane uitgaven in de periode 1998 tot en met 2001 2.779.303

Stortingen op diverse bankrekeningen 773.948

Kosten vliegreizen 100.000

Bekende valutatransacties 1.000.000

Af: onbelaste vermogensmutaties 1.100.000

-------------

3.553.251

========

Verweerder heeft dit bedrag afgerond naar ƒ 3.600.000 en dit bedrag vervolgens evenredig verdeeld over de jaren 1998 tot en met 2001, oftewel ƒ 900.000 per jaar.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de berekening van verweerder niet als een redelijke schatting worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat verweerder in de door hem becijferde hoogte van de uitgaven ook uitgaven heeft meegenomen die eiser al in het – niet in geschil zijnde – jaar 1997 heeft gedaan. Voorts bevat de berekening van verweerder een aantal dubbeltellingen zoals de uitgave voor de aankoop van grond aan de [c straat 1] te [U] die zowel in de met name genoemde uitgaven is begrepen als in de contante stortingen op de bankrekening ten laste waarvan is betaald.

De rechtbank zal daarom de inkomsten van eiser onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, als volgt in goede justitie vaststellen.

ƒ ƒ

Gedane uitgaven in de periode 1998 tot en met 2001 2.779.303

Af: correctie uitgaven in 1997 346.836

------------

2.432.467

Stortingen op diverse bankrekeningen 773.948

Af: stortingen in 1997 81.810

-----------

692.138

Kosten vliegreizen 100.000

Bekende valutatransacties 1.000.000

Af: onbelaste vermogensmutaties 1.100.000

Af: dubbeltellingen (paarden ƒ 45.000 + grond

ƒ 70.000) 115.000

-------------

Totaal inkomsten in de periode 1998 tot en met 2001 3.009.605

Afgerond 3.000.000

========

Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank een evenredige toerekening van deze inkomsten over de jaren 1998 tot en met 2001 zoals door verweerder bepleit acceptabel. Daarvan uitgaande stelt de rechtbank de door eiser genoten inkomsten voor ieder van deze jaren vast op ƒ 750.000 oftewel € 340.335.

Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1998 is gegrond.

4.3 Ten aanzien van het jaar 1999

4.3.1 Het nieuwe feit, de fiscale woonplaats en de hoogte van de navorderingsaanslag

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hieromtrent heeft overwogen ten aanzien van het jaar 1998. Hieruit volgt dat eiser gedurende het jaar 1999 in Nederland woonachtig was, dat verweerder beschikte over een nieuw feit aangaande de navordering en dat de hoogte van de inkomsten dient te worden vastgesteld op ƒ 750.000 oftewel € 340.335.

Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1999 is derhalve gegrond.

4.3.2 De vergrijpboete

Ingevolge artikel 67d van de AWR kan een vergrijpboete van ten hoogste 100% worden opgelegd, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, onjuist of onvolledig is gedaan.

Ingevolge paragraaf 25, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) kan een vergrijpboete van 50% worden opgelegd in geval van opzet, waaronder mede wordt verstaan voorwaardelijke opzet.

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet valt ook voorwaardelijke opzet. Onder voorwaardelijke opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet tijdig betaald is. De bewijslast dat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet rust op verweerder.

Op grond van paragraaf 43, derde lid, van het BBBB kan de ernst van de te beboeten gedraging aanleiding geven om de op te leggen boete te verhogen tot maximaal 100%. Ook kan de vergrijpboete worden verhoogd tot maximaal 100% als het gevolg van de te beboeten gedraging is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald omvangrijk dan wel verhoudingsgewijs omvangrijk is.

Eiser heeft gesteld dat sprake is van een pleitbaar standpunt ten aanzien van de woonplaats van eiser zodat het opleggen van een vergrijpboete niet mogelijk is. Er is sprake van een pleitbaar standpunt als het door de belastingplichtige ingenomen standpunt in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is, gelet op de stand van de jurisprudentie en de doctrine, dat eiser redelijkerwijs kan menen juist te handelen.

Verweerder heeft bevestigd dat het standpunt met betrekking tot de fiscale woonplaats pleitbaar is, maar heeft gesteld dat de vergrijpboete niet zozeer ziet op de fiscale woonplaats als wel op het verzwijgen van de inkomsten.

Vooropgesteld dient te worden dat de vraag onder welke bron van inkomen de inkomsten van eiser dienen te worden gerangschikt, winst uit onderneming (artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, hierna: Wet IB 1964) dan wel andere inkomsten uit arbeid (artikel 22, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 1964) niet eenduidig kan worden beantwoord. Verweerder heeft dienaangaande geen standpunt ingenomen.

Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat eiser in 1999 aangifte deed als zijnde buitenlands belastingplichtige hetgeen – gelet op alle feiten en omstandigheden – als pleitbaar dient te worden aangemerkt en uit dien hoofde niet kan worden belast voor andere inkomsten uit arbeid, acht de rechtbank het niet aangeven van deze inkomsten eveneens pleitbaar. Voor het opleggen van een boete is derhalve geen ruimte. De boetebeschikking dient derhalve te worden vernietigd.

Het beroep tegen de boetebeschikking over 1999 is gegrond.

4.4 Ten aanzien van het jaar 2001

4.4.1 De hoogte van de aanslag

Eiser heeft gesteld dat hij geen uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar

2001 heeft ontvangen. Eiser ontkent voorts dat hij aanmaningen en/of herinneringen

dienaangaande heeft ontvangen.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat aan eiser wel degelijk een aangiftebiljet is uitgereikt en ook heeft ontvangen heeft verweerder een zogenoemde “schermprint” overgelegd. Met betrekking tot het jaar 2001 is hierin vermeld dat op 14 november 2002 een aanmaning tot het doen van aangifte is verzonden en dat op 23 juni 2003 een herinnering tot het doen van aangifte is verzonden. Op de schermprint is geen toezendadres vermeld.

Tegenover de betwisting van eiser dat hij het aanslagbiljet nooit heeft ontvangen, vormt de overgelegde schermprint onvoldoende bewijs daarvan. Op de schermprint ontbreekt immers de vermelding van de datum waarop het aangiftebiljet is uitgereikt alsmede een verzendadres. Derhalve kan niet worden vastgesteld of (1) toezending van een aangiftebiljet heeft plaatsgevonden en (2) als er al een aangiftebiljet is verzonden, of verzending heeft plaatsgevonden aan het juiste adres.

Dit brengt mee dat eiser in het onderhavige jaar niet kan worden verweten niet de vereiste aangifte te hebben gedaan zodat artikel 27e van de AWR toepassing mist en omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt verweerder echter op grond van de normale bewijsregels voldoende aannemelijk dat eiser in het jaar 2001 ƒ 750.000 oftewel € 340.335 aan belaste inkomsten heeft genoten. Eiser heeft immers in de aangifte geen inkomsten opgegeven terwijl hij wel aanzienlijke uitgaven heeft gedaan zonder dat deze kunnen worden verklaard uit het aanwezige vermogen. Eiser heeft voor de herkomst van die gelden geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet op de uitkomsten van het strafrechtelijke onderzoek acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat eiser die uitgaven heeft gedaan uit inkomsten verkregen uit illegale werkzaamheden waaronder de in het procesverbaal genoemde geldwisseltransacties.

Het beroep over het jaar 2001 is gegrond.

5. Proceskosten

Eiser heeft verzocht om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en heeft de gemaakte kosten wegens rechtsbijstand voor de bezwaar en de beroepsfase berekend op € 74.257,90. Volgens eiser heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en is sprake van een onjuiste proceshouding van verweerder.

Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire tarief af te wijken.

Uit de parlementaire behandeling van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden heeft gedacht aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, blz.7).

De door eiser geschetste omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Van een situatie waarin eiser als gevolg van een gebrekkige informatievoorziening door verweerder op uitzonderlijk hoge kosten is gejaagd is geen sprake.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 voor de bezwaarprocedure (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 161 en een een wegingsfactor in verband met het gewicht van de zaak van 2 en een factor 1,5 in verband met het aantal samenhangende zaken) en € 2.012,50 voor de beroepsprocedure (1 punt voor het beroepschrift met betrekking tot het niet-tijdig beslissen met een waarde per punt van € 322 en een factor van 0,25, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor in verband met het gewicht van de zaak van 2 en een factor 1,5 in verband met het aantal samenhangende zaken). In totaal derhalve € 2.978,50.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 1998 tot en met 2000 en de aanslag over het jaar 2001 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen over de jaren 1998, 1999 en 2000 en de aanslag over het jaar 2001 gegrond;

- verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001 gegrond;

- verklaart de beroepen tegen de beschikkingen heffingsrente over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001;

1998

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV tot één berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 750.000 (€ 340.335);

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetebeschikking;

1999

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV tot één berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 750.000 (€ 340.335);

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetebeschikking;

2000

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- vernietigt de boetebeschikking;

2001

- vermindert de aanslag IB/PVV tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 750.000 (€ 340.335);

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2.978,50, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter,

mr. E.C.G. Okhuizen en mr. I. Linssen, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.