Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG3848

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2008
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
05/800759-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt twee militairen tot voorwaardelijke militaire detentie en een werkstraf wegens het plegen van openlijk geweld op de vliegbasis Woensdrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800759-08

Datum zitting : 27 oktober 2008

Datum uitspraak : 10 november 2008

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang/rnr : Korporaal der 1e klasse, [nummer],

ingedeeld bij : 961 sqd te Woensdrecht.

Raadsman : mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Goes.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2008 en 8 maart 2008 te Woensdrecht

met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in

een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten een parkeerplaats op

vliegbasis Woensdrecht, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

R.A. [slachtoffer], welk geweld bestond uit (met kracht) bij de keel/hals vastpakken

en/of houden, schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen, waarbij hij,

verdachte, die [slachtoffer], (met kracht) bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of

vastgehouden en/of geschopt en/of getrapt, welk door hem gepleegd geweld, enig

lichamelijk letsel (opgezwollen en/of pijnlijke en/of gele plek op

rechterbovenbeen en/of blauwe plek op rechteroog en/of pijn aan de

rechterzijde aan de ribben en/of een schaafplek op de rechterhand) voor die

[slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij als militair in of omstreeks de periode van 07 maart 2008 en 8 maart 2008,

te of nabij Woensdrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met anderen, althans alleen, opzettelijk R.A. [slachtoffer], die toen militair was,

althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk

heeft bedreigd met geweld en/of feitelijk heeft aangerand door toen en daar

opzettelijk die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of (met kracht) bij de

keel/hals vast te pakken en/of te houden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 oktober 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Goes.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- R.A. [slachtoffer], woonachtig aan de [adres]

De benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen, daarbij bijgestaan door mr. F.J.P.J. van Meer

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke militaire detentie voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en verder tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat deze vordering niet van een zo eenvoudige aard zou zijn dat deze zich zou lenen voor een behandeling in het strafproces.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vrijspraak

De militaire kamer acht, evenals de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat het door verdachte gepleegd geweld, het (met kracht) bij de keel/hals vastpakken en/of houden en/of schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen van aangever, het tenlastegelegde letstel, een opgezwollen en/of pijnlijke en/of gele plek op rechterbovenbeen en/of blauwe plek op rechteroog en/of pijn aan de rechterzijde van aan de ribben, ten gevolge heeft gebracht. De militaire kamer zal verdachte daarom van deze strafverzwarende omstandigheid vrijspreken.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Verdachte heeft omstreeks 7 maart 2008 een feest bezocht op de vliegbasis te Woensdrecht.

Daarbij is op enig moment op een parkeerplaats een ruzie ontstaan. Aangever R.A. [slachtoffer] is ten gevolge van deze ruzie vijf tanden verloren. Verdachte heeft deze [slachtoffer] op enig moment bij de keel/hals vastgepakt en gehouden.

Standpunten van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake kan zijn geweest van openlijk geweld omdat het voorval niet voor publiek waarneembaar is geweest. Het feit zou immers hebben plaatsgevonden op de vliegbasis Woensdrecht, een niet voor publiek algemeen toegankelijk plaats. De raadsman heeft op die grond vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit.

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat er geen sprake zou zijn geweest van handelen in vereniging. Omdat er geen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten zou zijn geweest, zou verdachte naar het oordeel van de raadsman om die reden dienen te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van geweld. Verdachte zou hebben gehandeld om het geweld te stoppen en niet om pijn of letsel te veroorzaken. Daarmee zou er geen sprake zijn geweest van het uitoefenen van een zodanige kracht dat de rechtsorde in gevaar zou worden gebracht zodat verdachte ook daarom van het primair tenlastegelegde zou moeten worden vrijgesproken.

Als laatste heeft de raadsman genoemd dat verdachte een buitengewoon goede militair zou zijn die al enkele maanden boven zijn rang zou werken en die geen enkele documentatie heeft. Naar het oordeel van de raadsman kan dan ook worden uitgesloten dat een dergelijk persoon escalerend optreedt. De raadsman heeft deze stelling nadrukkelijk als een bewijsverweer gekwalificeerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend [slachtoffer] te hebben geschopt.

Standpunten van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft als reactie op het primaire verweer van de raadsman aangevoerd dat de vliegbasis Woensdrecht soms wel voor publiek toegankelijk is. Daarmee is er naar het oordeel van de officier van justitie sprake voor een publiek toegankelijke plaats, ook op die momenten dat er geen publiek aanwezig is. Bovendien, zo stelt de officier van justitie, ziet artikel 141 Wetboek van Strafrecht op bescherming van de openbare orde en valt zijns inziens niet in te zien waarom een vliegbasis niet onder deze openbare orde zou kunnen worden geschaard.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer heeft de officier van justitie aangevoerd dat er wel sprake is geweest van het in vereniging plegen van geweld. Verdachte heeft immers aangever bij de keel vastgepakt en gehouden, heeft tenminste éénmaal geschopt en medeverdachte De [medeverdachte] heeft aangever in het gezicht geslagen.

Wat betreft het door de raadsman als bewijsverweer gekwalificeerde verweer heeft de officier van justitie aangevoerd dat de Garantenstellung meebrengt dat juist van een militair die kennelijk boven zijn rang functioneert, mag worden verwacht dat hij zich beheerst.

Beoordeling van de standpunten

De militaire kamer overweegt als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 oktober 2008 verklaard dat hij aangever [slachtoffer] bij de keel/hals heeft vastgepakt en heeft vastgehouden. Medeverdachte De [medeverdachte] heeft verklaard dat hij dit zag en dat hij zich vervolgens tussen [slachtoffer] en verdachte in heeft begeven. Daarbij heeft De [medeverdachte] [slachtoffer] een klap gegeven ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te vallen.

Getuige [getuige] heeft bij Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] werd geschopt op zijn lichaam toen hij op de grond lag. De [medeverdachte] heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen. Het feit dat [slachtoffer] naast te zijn geslagen, ook nog is geschopt, vindt ook steun in het door hem opgelopen letsel, te weten een zichtbare gele plek op het bovenbeen en een pijnlijke plek op zijn ribben aan de zijkant van zijn lichaam.

Ten aanzien van het primaire verweer van de raadsman is de militaire kamer van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat een vliegbasis van Defensie in beginsel geen voor burgers algemeen toegankelijke plaats is. Een dergelijke vliegbasis is een bewaakte, afgezette plaats waartoe men slechts toegang krijgt nadat men daarvoor toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteiten. De vliegbasis Woensdrecht is dus in beginsel niet een voor publiek toegankelijke plaats. Zij is echter ook van oordeel dat dit niet aan een bewezenverklaring van artikel 141 Wetboek van Strafrecht in de weg hoeft te staan.

Van belang voor het begrip ‘openlijk’ is dat het geweld voor anderen, voor publiek, waarneembaar is. Artikel 141 Wetboek van Strafrecht ziet immers op de bescherming van de openbare orde.

Zowel de raadsman als de officier van justitie lijken ervan uit te gaan dat de aanwezige militairen op een besloten vliegbasis niet als ‘publiek’ in de zin van artikel 141 Wetboek van Strafrecht kunnen worden beschouwd. De militaire kamer is echter van oordeel dat ook militairen op een besloten vliegbasis of op een ander besloten terrein in beginsel onder de definitie van ‘publiek’ kunnen vallen. Dat de vliegbasis niet algemeen toegankelijk is, in dit geval daarom rechtens niet relevant. Immers, de stelling dat militairen per definitie niet onder ‘publiek’ en daarmee niet onder bescherming van de openbare orde zouden kunnen vallen, vindt geen steun in het recht. Naar het oordeel van de militaire kamer hadden ook de militairen die op 7 maart 2008 na het feestje op de vliegbasis aanwezig waren niet geconfronteerd hoeven en mogen worden met dergelijk geweld.

Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer heeft de militaire kamer hierboven vastgesteld dat zowel De [medeverdachte] als verdachte min of meer gelijktijdig en in ieder geval opeenvolgend geweld hebben gebruikt tegen [slachtoffer]. Uit dit handelen van verdachte en De [medeverdachte] leidt de militaire kamer een bewuste en nauwe samenwerking af waardoor er sprake is geweest van het in vereniging plegen van geweld.

Wat betreft het meer subsidiair gevoerde verweer volgt uit hetgeen hierboven is overwogen dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] en dat daarom wel degelijk kan worden gesproken van het aanwenden van een zodanige kracht dat daardoor de rechtsorde in gevaar wordt gebracht.

De raadsman heeft ook nog standpunten aangedragen die hij als een bewijsverweer heeft gekwalificeerd. De militaire kamer is echter van oordeel dat deze standpunten niet zien op het feitelijke voorval maar op de persoon van verdachte. Zij beschouwt deze standpunten daarom niet als bewijsverweer...

Conclusie

Gelet op het bovenstaande is de militaire kamer van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten R.A. [slachtoffer] en dat dit geweld bestond uit het met kracht bij de keel/hals vastpakken en houden, schoppen of trappen en het stompen van die [slachtoffer]. De verweren van de raadsman worden verworpen.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2008 en 8 maart 2008 te Woensdrecht

met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in

een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten een parkeerplaats op

vliegbasis Woensdrecht, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

R.A. [slachtoffer], welk geweld bestond uit (met kracht) bij de keel/hals vastpakken

en/of houden, schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen, waarbij hij,

verdachte, die [slachtoffer], (met kracht) bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of

vastgehouden en/of geschopt en/of getrapt, welk door hem gepleegd geweld, enig

lichamelijk letsel (opgezwollen en/of pijnlijke en/of gele plek op

rechterbovenbeen en/of blauwe plek op rechteroog en/of pijn aan de

rechterzijde aan de ribben en/of een schaafplek op de rechterhand) voor die

[slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe¬zen. Verdach¬te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon, de persoonlijke en de financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister

betreffende verdachte, gedateerd 14 oktober 2008.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Na afloop van een feestje op de vliegbasis Woensdrecht op 7 maart 2008 heeft verdachte zonder reden tezamen met een ander of anderen aangever korporaal`[slachtoffer] geschopt en geslagen. Verdachte heeft welbewust openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen een collega-militair.

De militaire kamer acht dit een ernstig feit. Bij een organisatie als Defensie is het van belang dat men onvoorwaardelijk op elkaar kan vertrouwen, ook wanneer die ander is ingedeeld bij een ander onderdeel. En zeker bij Defensie is het belangrijk dat men onderlinge problemen uitspreekt en op een andere manier oplost dan door erop te slaan. De militaire kamer vindt dit gebrek aan beheersing zorgelijk voor iemand die zijn carrière bij Defensie hoopt te kunnen voortzetten. Verdachte had op 7 maart 2008 anders moeten handelen en had eventuele problemen op een andere manier moeten oplossen.

Korporaal [slachtoffer] heeft ernstig letsel door het openlijk geweld opgelopen. Doordat hij door het geweld vijf tanden is kwijtgeraakt, waarbij tevens zijn kaak beschadigd is geraakt, zal hij nog vele jaren last hebben van het (her)plaatsen van implantaten en kronen. Alleen al daarom zal hij nog een flinke tijd aan dit voorval worden herinnerd en heeft hij ernstige schade opgelopen.

Maar ook anderen hebben last gehad van hetgeen op 7 maart heeft plaatsgevonden. Aan het einde van wat een gezellig feestje op de vliegbasis was, werden de vele getuigen ongevraagd geconfronteerd met het geweld. Ook dat rekent de militaire kamer verdachte en zijn mededader(s) aan.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de militaire kamer van oordeel dat de ernst van het feit een onvoorwaardelijke militaire detentie zou rechtvaardigen.

Omdat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, zal de militaire kamer niet een onvoorwaardelijke militaire detentie aan verdachte opleggen. Zij is echter wel van oordeel dat een flinke strafrechtelijke reactie op zijn plaats is.

In dat licht bezien is oplegging van een voorwaardelijke militaire detentie een passende sanctie. De militaire kamer wil daarmee de ernst van het feit uitdrukken maar ook verdachte in de toekomst ervan weerhouden om opnieuw soortgelijke feiten te plegen. Verder is naar het oordeel van de militaire kamer daarnaast oplegging van een werkstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, een passende strafrechtelijke reactie.

6.a De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de geleden schade.

De benadeelde partij R.A. [slachtoffer] vordert een bedrag van € 32.790, 35.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat de gevorderde schade niet zou samenhangen met het tenlastegelegde strafbare feit. Nu naar het oordeel van de raadsman de vordering uitsluitend ziet op schade aan de tanden van de benadeelde partij en het letstel in de tenlastelegging geen geweld tegen het gebit omvat, zou de vordering daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat deze vordering niet van een dusdanig eenvoudige aard zou zijn dat deze zich zou lenen voor behandeling in het strafproces.

Beoordeling van het standpunt

De militaire kamer is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de schade van de benadeelde partij is veroorzaakt door het trappen of schoppen en het slaan van verdachte en/of zijn mededader. Dat daarbij niet precies is vast te stellen door welk handelen de schade aan het gebit van [slachtoffer] is veroorzaakt, doet daaraan niet af nu wel vast is komen te staan dat de schade is veroorzaakt door het plegen van openlijk geweld door verdachte tegen [slachtoffer]. De militaire kamer zal de vordering daarom gedeeltelijk toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De militaire kamer zal de civiele vordering van R.A. [slachtoffer] toewijzen voor wat betreft een gedeelte van de materiele schade, te weten de kilometerkosten, het spoelmiddel, de kleefpasta, de nota van 7 maart 2008 en de kosten voor rechtsbijstand. De omvang van de materiele schade wordt door de militaire kamer op basis van de overgelegde stukken dus in ieder geval op € 420, 97 wordt vastgesteld. Het overige deel van de materiele schade is naar het oordeel van de militaire kamer niet eenvoudig genoeg om in deze strafprocedure exact vast te kunnen stellen. Zij zal het overige gedeelte dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit ook rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft als gevolg van de mishandeling pijn ondervonden, is een deel van zijn gebit kwijtgeraakt en zal een langdurige tandheelkundige behandeling moeten ondergaan. Dit is aan verdachte toe te rekenen, ook al zijn er andere daders bij betrokken geweest. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar het oordeel van de militaire kamer is niet mogelijk om in deze strafprocedure de exacte omvang van de immateriële schade vast te stellen. De militaire kamer acht wel aannemelijk gemaakt dat de totale schade van de benadeelde, zowel materieel als immaterieel, voor dit moment naar maatstaven van billijkheid in ieder geval moet worden geschat op € 2.500.-. De militaire kamer zal dit bedrag dus toewijzen.

Het overige deel van de vordering is daarmee niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De militaire kamer zal de vordering daarom wat betreft het niet toe te wijzen deel, ten bedrage van € 30.290,35, niet-ontvankelijk verklaren.

Wat betreft het te wijzen deel van de vordering zal de rechtbank daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Ook is de verdachte niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 91 en 141 van het Wetboek van Straf¬recht en artikel 11 van het Wetboek militair strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven

bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een militaire detentie voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat deze militaire detentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

Stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen evenals met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij R.A. [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde – met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover R.A. [slachtoffer] zal zijn gekweten- tegen kwijting aan R.A. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 2.500, - (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.500,- subsidiair 50 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer R.A. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 2.500, - , (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. G. Noordraven, als voorzitter,

mr. M.F. Gielissen, rechter,

kolonel mr. J.P.M. Schwillens militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.A.M. Janssen, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 november 2008.