Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG1739

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
AWB 08/2480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inschrijving in de GBA van namen. Het college heeft uitsluitend geslachtsnamen ingeschreven en geen voornaam van betrokkene op grond van zijn Somalische identiteit. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van artikel 8 EVRM: betrokkene wordt door het uitsluitend hanteren van geslachtsnamen niet in zijn functioneren in de maatschappij belemmerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/2480

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 27 oktober 2008

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. W. Boelens,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 mei 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2008 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij in de gemeente Geldermalsen is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en hem een persoonslijst met gegevens verstrekt. Voor zover hier van belang staat op de persoonslijst bij “voornamen” niets vermeld en wordt bij “geslachtsnaam” vermeld: [namenreeks].

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

16 september 2008. Namens eiser is mr. W. Boelens verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Theunissen en A. Staarink, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Eiser bezit de Somalische nationaliteit en heeft zich in 1995 op 17-jarige leeftijd in Nederland gevestigd. Na het verkrijgen van een vergunning tot verblijf op grond van de zogenaamde generaal pardonregeling in 2007 heeft eiser zich laten inschrijven in de GBA van de gemeente Geldermalsen. Omdat er geen Somalische documenten zijn waaraan gegevens over zijn burgerlijke staat konden worden ontleend, heeft eiser op 5 december 2007 ten behoeve van zijn inschrijving in de GBA met toepassing van artikel 36, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) ten overstaan van een ambtenaar van de gemeente Geldermalsen een verklaring onder eed afgelegd, die op schrift is gesteld en die hij heeft ondertekend. In deze verklaring wordt bij “geslachtsnaam” [namenreeks] aangegeven, en wordt bij “voornaam” niets aangegeven. Over de inschrijving van deze gegevens in de GBA is vervolgens tussen partijen een conflict gerezen, omdat eiser ingeschreven wil worden met de voornaam [naam] en de geslachtsnaam [naam] en niet met de enkele namenreeks [namenreeks], zoals verweerder heeft gedaan.

Aan het bestreden besluit ligt, gelet op het advies van de bezwaarschriftencommissie, samengevat het volgende standpunt van verweerder ten grondslag. Uit de Wet GBA vloeit voort dat voor de inschrijving in de GBA de Somalische identiteit van eiser bepalend is. In artikel 1 van de Wet conflictenrecht namen is bepaald dat de geslachtsnaam en de voornamen van een vreemdeling worden bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. In dit geval is dan ook artikel 38 van de Somalische Codigo Civil Somalo van toepassing, waarin is bepaald dat iedere persoon een eigennaam draagt waaraan de namen van de vader en de grootvader worden toegevoegd. Voorts is in Somalië in beginsel een namenreeks gebruikelijk, dit in tegenstelling tot de geslachtsnaam en voornaam die in sommige gevallen in Somalië worden gevoerd. Voor de beantwoording van de vraag of eiser in Somalië een eigennaam of geslachtsnaam heeft, heeft verweerder gekeken naar de namen van de ouders van eiser. Nu zijn ouders beiden een namenreeks hebben, leidt dit er toe dat eiser op grond van Somalisch recht een namenreeks heeft en als zodanig in de GBA moet worden ingeschreven. De wens van eiser om met een voor- en achternaam in de GBA te worden ingeschreven, acht verweerder in deze niet van belang. Ten overvloede heeft verweerder opgemerkt dat eiser bij verwerving van de Nederlandse nationaliteit alsnog een voor- en geslachtsnaam zal krijgen die als zodanig ook in de GBA zal worden opgenomen.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en voert daartoe aan dat het besluit strijdig is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Bij aankomst in Nederland heeft hij zich bij de IND bekend gemaakt met de voornaam [naam] en de geslachtsnaam [naam], heeft de IND hem op die wijze geregistreerd en stonden die voornaam en geslachtsnaam ook op zijn identiteitsbewijs vermeld. Hij is vervolgens 13 jaar lang door het leven gegaan met deze voornaam en geslachtsnaam. Ook op de in 2007 toegekende verblijfsvergunning stonden die gegevens vermeld. Hij is in sterke mate vernederlandst en het voeren van een voornaam en een geslachtsnaam maakt deel uit van zijn verbondenheid met Nederland. Hij heeft zich aldus geheel geïdentificeerd met de voornaam [naam] en de geslachtsnaam [naam]. Hij beschouwt de registratie van de namenreeks in de GBA als een ernstige inbreuk op zijn identiteit en daarmee als een inmenging in zijn privé- en familieleven, die in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd is. Dit klemt naar de mening van eiser temeer omdat het voeren van een voor- en geslachtsnaam, hoewel minder gebruikelijk, ook naar Somalisch recht mogelijk is, het niet hebben van een voor- en geslachtsnaam bepaald niet wenselijk is, en eiser bij eventuele naturalisatie (weer) een voor- en geslachtsnaam zal krijgen.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden, en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de registratie van voor- en geslachtsnamen onder de reikwijdte van de bescherming van artikel 8 van het EVRM kan vallen. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin artikel 8 van toepassing is verklaard op conflicten die voor- en geslachtsnamen betreffen (zie bijvoorbeeld het arrest van 11 september 2007 (Bulgakov tegen Oekraïne), nr. 59894/00, en de daarin genoemde rechtspraak), en tevens op de registratie van gegevens over het privé-leven (zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM, eveneens van 11 september 2007 (L. tegen Litouwen), nr. 27527/03).

Van een schending van artikel 8 van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij door de inschrijving van enkel een namenreeks op enige wijze in zijn functioneren in de maatschappij wordt belemmerd, waarbij de rechtbank van belang acht dat zijn volledige naam in beide varianten exact dezelfde is. Hoe ongebruikelijk een namenreeks in Nederland ook is en hoezeer het voeren van een voornaam en een geslachtsnaam ook deel uit maakt van zijn verbondenheid met Nederland, dit kan de rechtbank niet tot het oordeel brengen dat sprake is van een schending van het respect voor het privé-leven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. De vraag of is voldaan aan het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het EVRM is dan ook niet aan de orde.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, en mrs. G.H.W. Bodt en H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 27 oktober 2008