Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG1462

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
23-10-2008
Zaaknummer
05/601807-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een zaak waarbij de verdachte (kennelijk als vluchteling uit Iran) in de trein vanuit Duitsland met een vals paspoort Nederland inreist en derhalve wordt verdacht van een overtreding van artikel 231, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

Van belang in de beoordeling van onderhavige zaak is de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de strafvervolging ter zake van artikel 231 Wetboek van Strafrecht bezien in het licht van het bepaalde in (artikel 31, lid 1) Vreemdelingenverdrag.

De poltitierechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

POLITIERECHTER

Parketnummer : 05/601807-08

Datum zitting : 8 oktober 2008

Datum uitspraak : 22 oktober 2008

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in PI Zuid-Oost, Huis van Bewaring “Ter Peel” te Evertsoord.

Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 26 september 2008 in een internationale trein, die zich op dat moment bevond op het traject tussen Arnhem en Utrecht, althans in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Iers nationaal paspoort (genummerd [nummer], ten name van [naam], geboren te [plaats], Ierland, op [geboortedatum]), waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit reisdocument niet haar eigen paspoort en/of vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat zij genoemd document heeft getoond aan opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee R.W.M. Sanders als betrof dat document haar, verdachtes, eigen en/of onvervalste paspoort en/of doordat de op dat paspoort geïntegreerde foto was aangebracht met een voor het model van dat document afwijkende techniek;

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 oktober 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr.M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden geheel onvoorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie vordert voorts de gevangenhouding.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd conform de aangehechte pleitaantekeningen.

3. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met artikel 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel verdachte kan worden aangemerkt als vluchteling, zij niet met succes een beroep kan doen op artikel 31, eerste lid van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna Vluchtelingenverdrag) en er zich derhalve geen vervolgingsuitsluitingsgrond voordoet, aangezien verdachte niet rechtstreeks uit een onveilig land kwam.

Zij voert hiertoe aan dat verdachte na haar vertrek uit Iran en voor aankomst in Nederland in Denemarken, een veilig land, heeft verbleven.

Nu verdachte daar 2 à 3 weken in kennelijke vrijheid heeft verbleven, is geen sprake van `doorreis' maar van een verdachte tegen te werpen verblijf in Denemarken. Niet is gebleken dat verdachte van meet af aan naar Nederland wilde doorreizen om daar asiel aan te vragen. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat verdachte niet heeft voldaan aan de in artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag besloten voorwaarde dat zij zich onverwijld bij de autoriteiten had moeten melden.

Zij voert hiertoe aan dat verdachte zich niet bij eerste gelegenheid, te weten station Arnhem, heeft gemeld.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging. Zij voert daartoe aan dat aan artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag rechtstreekse werking toekomt en dat dit, gelet op de bewoordingen van het artikel, een vervolgingsbeletsel oplevert voor het Openbaar Ministerie. Zij voert hiertoe aan dat verdachte zich onverwijld bij de autoriteiten heeft gemeld en kenbaar heeft gemaakt dat zij asiel wenste. Voorts dat verdachte kan worden aangemerkt als vluchteling nu de VN in december 2006 nog een resolutie heeft aangenomen waarin de slechte mensenrechtensituatie in Iran werd afgekeurd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat aan verdachte, op grond van het bovenstaande, een beroep op een rechtvaardigingsgrond toekomt en zij dan ook dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3. De overwegingen

Uit het opgemaakte proces-verbaal en het onderzoek ter zitting blijkt het volgende.

Verdachte is op donderdag 26 september 2008 te 10.10 uur staande gehouden en gecontroleerd op nationaliteit, identiteit en verblijfsrechtelijke status door een tweetal medewerkers van de Koninklijke marechaussee tijdens een ingevolge de Vreemdelingenwet reguliere controle Mobiel Toezicht Vreemdelingen in de internationale trein de CNL 346 op het traject Arnhem – Utrecht, welke zojuist de Duits-Nederlandse grens was gepasseerd. Bij deze controle heeft verdachte een Iers paspoort aangeboden voorzien van nummer [nummer]. Van dit paspoort heeft de Koninklijke Marechaussee vastgesteld dat het vervalst is, aangezien de foto alsmede de op deze foto aangebrachte zogenaamde “preeg” op de personaliapagina van het paspoort niet was aangebracht door middel van de originele techniek. Verdachte is hierop aangehouden op verdenking van bezit van een vervalst reisdocument.

Tijdens het eerste verhoor op 26 september 2008, omstreeks 12.15 uur, afgenomen door een opperwachtmeester der Koninklijke marechaussee, district Noord-Oost, brigade Oostgrens-,Midden, locatie Arnhem station, heeft verdachte - samengevat - verklaard dat zij ongeveer drie of vier weken geleden alleen is vertrokken vanaf haar huisadres in Iran naar de grens met Turkije met behulp van een reisagent en dat zij verder samen met de reisagent met de boot en de trein naar Denemarken is gereisd. Zij is drie weken in Denemarken verbleven bij een vriend van de reisagent. De reisagent heeft toen een treinticket gekocht om vanuit Denemarken naar Nederland te reizen.

De reisagent had haar verteld dat zij op het moment dat zij in Nederland zou komen een politiebureau moest zoeken en daar om asiel moest vragen. Op het politiebureau zou men dan weten wat te doen. Voorts heeft zij verklaard dat zij uit Iran is vertrokken gezien de politieke situatie daar. Als leerkracht wordt zij steeds in de gaten gehouden in Iran. Zij moest op 28 september 2008 voor de Iraanse rechtbank voorkomen en dat wilde zij niet.

Tijdens het tweede verhoor (inverzekeringstelling) op 26 september 2008, te 13.06 uur, afgenomen door een adjudant onderofficier der Koninklijke marechaussee, district Noord-Oost, brigade Oostgrens-,Midden, locatie Arnhem station, heeft verdachte - samengevat – het volgende verklaard: zij heeft gereisd op een Iers paspoort dat niet van haar is. Zij heeft Iran ander halve maand geleden verlaten en is door een reisagent naar Denemarken in Europa gebracht. Zij is daarna vanuit Denemarken vertrokken naar Nederland, omdat zij in Nederland asiel aan wilde vragen.

Tijdens het derde verhoor op 27 september 2008, omstreeks 09.32 uur, afgenomen door respectievelijk een opperwachtmeester en een wachtmeester der Koninklijke marechaussee, district Noord-Oost, brigade Oostgrens-,Midden, locatie Arnhem station, heeft verdachte - samengevat – het volgende verklaard: Zij is vanuit, waarschijnlijk Turkije, naar Denemarken gereisd samen met de reisagent. Ze zijn eerst met de boot vertrokken en later met een trein doorgereisd naar Denemarken. Zij was een week of twee in Denemarken en zodoende kwam ze erachter dat het Denemarken was. De reisagent wist dat zij asiel wou aanvragen en had haar het advies gegeven om bij de politie in Nederland asiel aan te vragen. Nederland is wat warmer dan Denemarken. Zij heeft wat last van haar gewrichten vandaar dat zij Nederland uitkoos om asiel aan te vragen, een echte andere reden daarvoor heeft zij niet en haar keus was gewoon Nederland.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard: dat zij 1 maand en 10 dagen geleden uit Iran is vertrokken. Ze weet niet langs welke route zij heeft gereisd, maar waarschijnlijk via Turkije. Zij heeft twee weken in Denemarken gezeten. Tijdens haar verblijf in Denemarken heeft zij de woning in Denemarken slechts enkele keren verlaten om een kerk te bezoeken. De reisagent zei tegen haar binnen te blijven. De eindbestemming Nederland is reeds in Iran met de reisagent besproken. De reisagent heeft kennelijk voor de route gekozen om via Turkije door te reizen naar Denemarken en vervolgens naar Nederland omdat hij de problemen van de oproep van de rechtbank in Iran serieus nam. Tijdens de aanhouding in de trein heeft zij naast het Ierse paspoort de Koninklijke marechaussee ook een fotokopie van haar geboorteakte, een bankrekeningnummer met Iraanse cheque, een agenda en foto’s uit Iran getoond. Vanaf het moment dat zij in voorlopige hechtenis is gesteld heeft zij dagelijks om asiel heeft gevraagd, maar niemand heeft daar aandacht aan besteed.

3.4 De beoordeling

De politierechter overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie als volgt.

Art. 31, lid 1 van het Vluchtelingenverdrag bepaalt:

'De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of'onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of' vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid `

Artikel 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag is, in geval een vreemdeling in Nederland wordt aangehouden met een vals paspoort, beperkt tot die situaties waarin sprake is van een onrechtmatige binnenkomst (of onrechtmatig verblijf) in Nederland met behulp van een vals paspoort. Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag beschermt voorts een vreemdeling alleen tegen strafsancties vanwege die onrechtmatige binnenkomst (of dat onrechtmatige verblijf), indien hij hier een geldige reden voor heeft. De tekst van artikel 31 houdt in dat een vreemdeling een geldige reden heeft indien hij (a) vluchteling is en (b) rechtstreeks afkomstig is van een land waar het leven of de vrijheid van de vluchteling wordt bedreigd in de zin van artikel 1 Vluchtelingenverdrag.

Een vluchteling die niet voldoet aan één van de hiervoor genoemde voorwaarden - 1. vluchteling, 2. rechtstreeks afkomstig van een land waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd, 3. zich onverwijld melden - valt niet onder de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag.

Voorafgaand aan de vraag of verdachte onder deze voorwaarden valt, dient beoordeeld te worden of sprake is van onrechtmatige binnenkomst in Nederland met behulp van het vervalste paspoort.

De politierechter is van oordeel dat nu verdachte het vervalste Ierse paspoort heeft gebruikt bij binnenkomst in Nederland door dat bij de eerste controle na binnenkomst aan te bieden er sprake is van een onrechtmatige binnenkomst in Nederland met behulp van een vervalst paspoort.

De vraag of een vreemdeling vluchteling is volgens de definitie van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag, wordt normaliter beoordeeld in de asielprocedure. Slechts indien het op voorhand evident is, zonder nader onderzoek, dat de reden die de verdachte opgeeft voor zijn vertrek uit het land van herkomst op geen enkele wijze een reden kan zijn die mogelijkerwijs kan vallen onder het vluchtelingschap als bedoeld in artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag, kan de strafrechter op dit onderdeel een eindoordeel vellen. Het gaat dan om evidente gevallen, dat wil zeggen die gevallen waarover tussen redelijk denkende mensen, zonder nader onderzoek, geen twijfel kan bestaan dat de vreemdeling zich in zijn land van herkomst niet in een vluchtsituatie bevond. De politierechter zal zich uiterst terughoudend opstellen bij de beoordeling of verdachte als vluchteling kan worden aangemerkt, nu de beantwoording van deze vraag in beginsel niet op de weg van de strafrechter ligt. Daarbij wordt uitgegaan van de door verdachte opgegeven reden voor haar vertrek uit Iran.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat zij uit Iran is weggegaan omdat zij als leerkracht steeds in de gaten wordt gehouden en zij op 28 september 2008 voor de Iraanse rechtbank moest verschijnen. Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte, is de politierechter, aldus terughoudend oordelend, van oordeel dat niet op voorhand evident is dat verdachte zich niet in een vluchtsituatie bevond en aldus niet zou kunnen vallen onder het vluchtelingschap als bedoeld in art. 1 Vluchtelingenverdrag,

De volgende vraag die ter beantwoording voorligt is de vraag of geoordeeld kan worden dat verdachte rechtstreeks is gekomen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid in de zin van art. 1 van het Vluchtelingenverdrag werd bedreigd.

Uit de verklaringen van verdachte is af te leiden dat zij 2 à 3 weken in Denemarken heeft verbleven, waarna zij naar Nederland is gereisd. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij in Denemarken een aantal keren naar de kerk is geweest. Verder is zij op aanraden van de reisagent en diens vrienden bij wie zij verbleef binnen gebleven. Zij hebben haar daartoe echter niet gedwongen.

Beoordeeld moet worden is of dit verblijf van verdachte in Denemarken aangemerkt kan worden als `doorreis' naar Nederland en aldus geoordeeld kan worden dat zij rechtstreeks van Iran is gekomen.

De politierechter overweegt hiertoe dat het begrip `rechtstreeks komend' in art. 31 van het Vluchtelingenverdrag de ruimte biedt voor vluchtelingen die door verschillende landen reizen om relatief korte perioden in andere veilige landen te zijn .

De Vreemdelingencirculaire geeft aan dat een asielaanvraag wordt afgewezen als de vreemdeling eerder in een veilig land heeft verbleven.

Van verblijf is sprake- aldus de beleidsregels - als uit objectieve feiten en omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen. Als richtlijn geldt dat een verblijf van twee weken of meer in een derde -veilig- land erop wijst dat de vreemdeling niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en omstandigheden blijkt dat hij die intentie wel had.

Uit de hiervoor samengevatte verklaringen van verdachte is af te leiden dat zij 2 a 3 weken in Denemarken heeft verbleven. Zij verklaart dat zij steeds de intentie had om naar Nederland te komen. Ter zitting heeft zij verklaard dat in Iran al was afgesproken dat de eindbestemming Nederland zou zijn. Objectieve feiten en omstandigheden waaruit dit blijkt zijn niet voorhanden. Zij heeft verklaard al meermalen verzocht te hebben om asiel te mogen aanvragen, maar zij is daartoe -nog- niet in de gelegenheid gesteld.

De politierechter is van oordeel dat in de onderhavige situatie waarin niet vast is komen staan hoe lang verdachte in Denemarken is verbleven, anders dan 2 a 3 weken, verdachte het voordeel van de twijfel dient te hebben nu de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van art. 31 Vluchtelingenverdrag nog aan de orde zal komen in de asielprocedure. In ieder geval doet zich niet de situatie voor dat verdachte evident niet aan de voorwaarde

voldoet en daarmee de bescherming van genoemd artikel dient te ontberen.

De stelling van de officier van justitie dat verdachte niet aan de voorwaarde, dat zij zich onverwijld moest melden na binnenkomst in Nederland, heeft voldaan, omdat zij zich daartoe had moeten melden bij de autoriteiten op het station Arnhem, verwerpt de politierechter omdat verdachte bij haar eerste verhoor na haar aanhouding te kennen heeft gegeven dat zij een asielgerelateerde reden had. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen om aan te nemen dat verdachte zich, als zij niet zou zijn aangehouden, niet onverwijld- binnen de termijn van 48 uur die in het vreemdelingenrecht wordt gehanteerd - bij de autoriteiten zou hebben gemeld.

Om bovenstaande redenen moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de strafvervolging ter zake van artikel 231 Wetboek van Strafrecht.

De overige verweren behoeven geen bespreking.

4. De beslissing

De politierechter, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

Aldus gewezen door:

mr. C.N. Dijkstra, politierechter,

in tegenwoordigheid van R.G. van Geenen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 oktober 2008.