Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG1065

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
05/090177-04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BO7554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

27-jarige Bulgaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaar en zes maanden wegens het medeplegen van moord op 28 juni 2003 op de Rijksweg A15 in Tiel. Verdachte en/of zijn mededader hebben op de A15 diverse schoten, waaronder twee nekschoten, op het slachtoffer afgevuurd. Het slachtoffer is op de snelweg achtergelaten en is vervolgens door meerdere auto’s overreden. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank rekening gehouden met de tijd die verdachte in Bulgarije in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met het tijdsverloop tussen het plegen van de moord en de terechtzitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/090177-04

Datum zitting : 9 september 2008, 8 oktober 2008

Datum uitspraak : 22 oktober 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Bulgarije),

adres : zonder vaste woon- of verblijfplaats te Nederland,

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir. Molsweg 5

Arnhem.

Raadsman : mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2003 te Tiel en/of op de Rijksweg A15, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen op voornoemde [slachtoffer] een of meerdere schoten, waaronder een of twee 'nekschoten' heeft/hebben afgevuurd en/of voornoemde [slachtoffer] hebben neergelegd op en/of achtergelaten op de rijbaan van de A15, waarna het lichaam van voornoemde [slachtoffer] een keer, althans meerdere keren is overreden door voertuigen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 oktober 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis in Nederland en Bulgarije doorgebracht alsmede met aftrek van de tijd die verdachte in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 juni 2003 rond 01.45 uur worden op de zuidbaan van de Rijksweg A15 te Tiel de stoffelijke resten van [slachtoffer] aangetroffen.

In de nek van [slachtoffer] zijn twee schotverwondingen aangetroffen die bij leven zijn ontstaan. De ene schotverwonding wijst op een schootsafstand van 0 centimeter en de andere op een schootsafstand van vrijwel 0 centimeter. Nadat deze schoten zijn toegebracht, is [slachtoffer] op de rijbaan van de A15 overreden door diverse voertuigen, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden.

Op [slachtoffer] zijn, naast de twee ‘nekschoten’, nog andere schoten gelost. Door verschillende omwonenden van de plaats delict zijn tussen 01.15 uur en 01.40 uur die nacht vier tot zes schoten direct na elkaar gehoord.

Op de plaats delict is op de middenberm een pistool merk FN, model 7.65 mm Browning, aangetroffen. Het sporenbeeld van het wapen past bij recent schieten daarmee. Het DNA-profiel van de aangetroffen bloedsporen op het wapen komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer].

Op de zuidbaan van de A15 is een kogel met het kaliber 9 mm Parabellum aangetroffen. Het partiële DNA-profiel van het celmateriaal dat op de kogel is aangetroffen past bij het DNA-profiel van [slachtoffer].

Rond 01.31-01.39 uur die nacht zijn, in de nabijheid van de locatie waar de stoffelijke resten van [slachtoffer] zijn aangetroffen, twee personen gezien die vanaf de middenberm van de A15 naar een stilstaande auto renden aan de noordbaan van de A15.

Verweer

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat verdachte vrijgesproken zal moeten worden van het tenlastelegde.

Daartoe heeft de raadsman betoogd dat het wettig en overtuigend bewijs van het tenlastegelegde niet geleverd kan worden nu er te veel onduidelijkheden over blijven en de getuigenverkla-ringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] (ook wel genoemd [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]), [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8] (ook genoemd [getuige 8]) onbetrouwbaar zijn en niet tot het bewijs van het tenlastegelegde kunnen dienen.

De raadsman heeft daarnaast verzocht de verklaringen van [getuige 2], [getuige 2] en [getuige 1] uit te sluiten wegens vormverzuimen van het openbaar ministerie met betrekking tot de verhoren van [getuige 2] en [getuige 2]. De raadsman heeft daartoe betoogd dat de opsporingsambtenaren op essentiële punten de zaak eenzijdig hebben onderzocht door [getuige 2] en [getuige 3] niet te confronteren met de historische telecomgegevens waaruit zou blijken dat [getuige 2] en [getuige 2] hebben gelogen. Daarmee zou de waarheidsvinding en het beginsel van een eerlijk proces van art. 6 EVRM zijn veronachtzaamd.

De raadsman heeft tevens betoogd dat de verklaring van verdachte, die het tenlastegelegde ontkent, op waarheid berust gelet op het feit dat ook het gedane technisch sporenonderzoek niet in zijn richting wijst.

Beoordeling

[getuige 2] heeft verklaard dat hij ongeveer 20 dagen tot een maand vóór 27 juni 2003 is gebeld door [getuige 1]. [getuige 1] vroeg [getuige 2] of deze iemand in Den Haag wist die geld nodig had. [getuige 1] zei dat hij één zaak had en dat ‘als hij die geregeld had, hij het land moest verlaten’. [getuige 1] zei dat hij bij een persoon tegoeden had die gevorderd moesten worden.

In de periode van 26, 27 en 28 juni 2003 is in totaal 16 keer contact geweest tussen het telefoonnummer van verdachte en het telefoonnummer van [getuige 2].

Verdachte heeft erkend de avond van 27 juni 2003 in het café van [getuige 1] te Gorinchem te zijn geweest. Verdachte verbleef toen al een maand in Den Haag. De avond van 27 juni 2003 heeft verdachte in het café van [getuige 1] met [getuige 1] gesproken. [getuige 2] heeft verdachte in contact gebracht met [getuige 1] en [getuige 2] was die avond van 27 juni 2003 in hetzelfde café aanwezig.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij vanuit zijn café te Gorinchem samen met een Bulgaar [slachtoffer] heeft opgehaald. Dat was in de nacht van 27 op 28 juni 2003. Ze zijn vervolgens met z’n drieën naar de A15 te Tiel gereden. Daar zijn ze op de vluchtstrook aan de noordkant van de rijbaan gestopt. Ze zijn daar uitgestapt, er is op [slachtoffer] geschoten en [slachtoffer] is daar achtergelaten. Daarna zijn [getuige 1] en de Bulgaar teruggereden naar het café van [getuige 1] in Gorinchem. [getuige 1] heeft verdachte voor 70 tot 90 procent herkend als de Bulgaar die in de nacht van 28 juni 2003 met hem en [slachtoffer] op de A15 was. Onderweg terug naar het café heeft [getuige 1], op 28 juni 2003 om 01.57 uur, gebeld met [getuige 4] die zich op dat moment in het café van [getuige 1] bevond. [getuige 1] heeft toen [getuige 4] gevraagd de zijdeur van het café open te laten.

Getuige [getuige 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [getuige 1] hem in de nacht van 28 juni 2003 in het café belde met het verzoek om de zijdeur voor [getuige 1] open te laten. Enige tijd na dat telefoontje kwam [getuige 1] samen met een Bulgaarse man het café binnen. Het leek alsof er bloedvlekken op de kleding van de Bulgaarse man zaten. Toen [getuige 1] binnen kwam stuurde hij [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 5] gelijk naar boven.

Getuige [getuige 6] heeft bij de rechter-commissaris onder ede verklaard dat hij zich die desbetreffende nacht ook in het café van [getuige 1] bevond. Hij heeft verklaard dat [getuige 1] die nacht rond 03.00 uur naar hem toe kwam en vroeg naar kleding omdat de Bulgaren dat wilden. Getuige zag bloed op het lichaam en de kleren van de Bulgaar. Hij heeft deze Bulgaar goed gezien. Hij herkende hem meteen, deze Bulgaar was namelijk in de avonduren ook als klant in het café geweest. [getuige 6] moest van [getuige 1] naar boven.

Ook getuige [getuige 5] bevond zich die nacht in het café van [getuige 1]. [getuige 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die nacht na 02.00 uur gezien heeft dat [getuige 1] de zijdeur van het café binnenkwam. Er liep een andere man achter [getuige 1] aan. Op de linkerborst van die andere man zag [getuige 5] bloedvlekken. [getuige 1] schreeuwde dat ze (getuigen [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 5]) naar boven moesten gaan. [getuige 5] heeft bij een meervoudige fotobewijsconfrontatie verdachte voor 100 procent herkend als de man met de bloedvlekken.

Vanuit het café van [getuige 1] is verdachte vroeg in de ochtend van die 28e juni 2003 vertrokken naar Den Haag en via Amsterdam nog diezelfde dag per bus naar Bulgarije afgereisd.

Getuige [getuige 8] heeft verklaard op 29 juni 2003 telefonisch contact gehad te hebben met verdachte. Verdachte vertelde getuige toen dat hij onderweg was naar Bulgarije en dat hij een man geslagen/geraakt had.

Op 7 juli 2003 belt verdachte met getuige [getuige 3]. Dit gesprek, in het Turks en Bulgaars gevoerd, is door de politie afgeluisterd en vertaald. Verdachte vraagt [getuige 1] om het telefoonnummer van [getuige 1] uit Gorinchem. [getuige 1] zegt tegen verdachte: “Hij zei dat je je werk niet goed genoeg hebt gedaan en hij wil de helft terugkrijgen, snap je?” [getuige 3] verklaart dat hij alleen nog weet dat hij, als hij verdachte sprak, van [getuige 1] moest vragen of zeggen dat verdachte de helft van het geld moest teruggeven omdat [getuige 1] niet tevreden was.

De rechtbank acht boven aangehaalde verklaring van [getuige 2] betrouwbaar nu deze gedetailleerd is en uit het dossier blijkt dat er in de periode van 14 juni 2003 t/m 17 juni 2003 meerdere malen telefonisch contact is geweest tussen de mobiele telefoons van [getuige 1] en [getuige 2]. Dat opsporingsambtenaren ten aanzien van het verhoor van [getuige 2] de zaak eenzijdig hebben onderzocht en de waarheidsvinding en het beginsel van een eerlijk proces van art. 6 EVRM hebben veronachtzaamd, is onvoldoende aannemelijk gemaakt en ook overigens op geen enkele wijze uit het dossier naar voren gekomen.

Ook de verklaring van [getuige 1] acht de rechtbank, voor zover hierboven genoemd, betrouwbaar, nu deze op belangrijke punten overeenkomt met de verklaringen van [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 5] en daarnaast ondersteund wordt door de in het dossier opgenomen analyse van printgegevens. Uit die printgegevens en analyse van de telefoon van [getuige 1] en van [getuige 4] blijkt dat hun telefoons daadwerkelijk die nacht van 28 juni 2003 rond het door hen genoemde tijdstip contact met elkaar hebben gehad.

De verklaring van [getuige 1] dat hij die nacht, behalve met [slachtoffer], samen met een ander op de A15 was, wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen die gezien hebben dat er die nacht twee personen op de A15 vanaf de middenberm van de A15 naar een stilstaande auto renden aan de noordelijke rijbaan van de A15.

Dat [getuige 1] het in zijn verklaringen eerst heeft over ‘een hem onbekende Bulgaar’ doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet af nu het goed denkbaar is dat hij dit heeft gedaan om zichzelf te beschermen.

De rechtbank acht ook de verklaringen van [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 5] betrouwbaar nu deze verklaringen op belangrijke punten consistent zijn en elk van deze verklaringen ondersteuning vindt in de andere verklaringen, in de verklaringen van [getuige 1] en in bovengenoemde (analyse van) printgegevens. Dat zij in hun eerste verklaringen niet hebben verklaard over het bovenstaande doet daar voor de rechtbank niet aan af nu uit hun verklaringen ook blijkt dat zij dit niet eerder hebben verklaard uit angst zelf bij de zaak betrokken te worden en Nederland te worden uitgezet.

Ook de verklaring van [getuige 8] acht de rechtbank betrouwbaar nu deze ondersteund wordt door de in het dossier vermelde analyse van printgegevens waaruit blijkt dat [getuige 8] en verdachte op 29 juni 2003 telefonisch contact hebben gehad , de verklaring van [getuige 8] gedetailleerd is en ook niet aannemelijk is geworden dat [getuige 8], als vriend van verdachte, reden had verdachte in een kwaad daglicht te willen stellen.

Dat de opmerking over het ‘slaan/raken’ betrekking zou hebben op een vechtpartij in Den Haag op 26 juni 2003, zoals door de verdediging is aangevoerd, acht de rechtbank niet aannemelijk nu verdachte dat nimmer in geen van zijn verklaringen naar voren heeft gebracht.

Conclusie

Het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de twee personen die door getuigen op 28 juni 2003 op de A15 te Tiel gezien zijn, verdachte en [getuige 1] betreffen en dat verdachte, tezamen en in vereniging met deze [getuige 1], meerdere schoten op [slachtoffer] gelost heeft, waaronder twee nekschoten, waarna zij de aangeschoten [slachtoffer] hebben achtergelaten op de rijbaan van de A15. [slachtoffer] is toen overreden als gevolg waarvan hij is komen te overlijden.

Aan het voorgaande doet niet af dat er geen sporen van verdachte op de plaats delict zijn aangetroffen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 28 juni 2003 te Tiel op de Rijksweg A15, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen op voornoemde [slachtoffer] meerdere schoten, waaronder twee 'nekschoten' heeft/hebben afgevuurd en voornoemde [slachtoffer] hebben achtergelaten op de rijbaan van de A15, waarna het lichaam van voornoemde [slachtoffer] een keer, althans meerdere keren is overreden door voertuigen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van moord

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte;

- het gegeven dat in Nederland geen documentatie van verdachte bekend is

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer [slachtoffer] van het leven beroofd. Zij hebben meerdere schoten op [slachtoffer] gelost, waaronder twee nekschoten. Daarna hebben zij [slachtoffer] achtergelaten op de snelweg waarna het slachtoffer door meerdere auto’s is overreden.

Verdachte heeft het feit ontkend en daarmee geen inzicht gegeven in enig motief dat aan de moord ten grondslag lag. Gelet op de manier waarop de moord is uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een liquidatie.

Verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer op een gruwelijke wijze om het leven gebracht en hem diens meest waardevolle bezit – het recht op leven – door hun handelingen ontnomen waarmee zij ook onherstelbaar leed hebben toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer.

Een dergelijk delict veroorzaakt daarnaast grote gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Nu verdachte voor dit feit ongeveer een jaar in Bulgarije in voorlopige hechtenis heeft gezeten, zal de rechtbank, nu zij deze in Bulgarije in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd niet op grond van art. 27 van het Wetboek van Strafrecht kan aftrekken, verrekenen en tot uitdrukking brengen in een lager op te leggen straf.

De rechtbank zal bij de strafoplegging tevens in het voordeel van verdachte rekening houden met het feit dat sinds de aanhouding van verdachte in Bulgarije (eind maart 2004) bijna 4 jaar en 7 maanden zijn verstreken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 11 jaar en 6 maanden en met aftrek van de tijd die verdachte in uitleveringsdetentie en in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alleszins passend en geboden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, voorlopige hechtenis en uitleveringsdetentie doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. M.A.E. Somsen, rechter, als voorzitter,

mr. G. Noordraven, rechter,

mr. A.M. van Gorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 oktober 2008.