Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG0290

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
170987
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak.

Het vonnis waarvan verzet wordt grotendeels bekrachtigd. In reconventie worden gelegde executoriale beslagen opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 170987 / KG ZA 08-350

Vonnis in verzet in kort geding van 3 oktober 2008

in de zaak van

1[eisers]

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gedaagden in het verzet,

advocaat mr. J.M. Bosnak

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIFIN GROEP B.V.,

gevestigd te Arnhem, kantoorhoudende Velp,

2. de vennootschap naar Turks recht

EURO HOLDING A.S.,

gevestigd te Alanya (Turkije),

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

gedaagde sub 3 tevens eiser in reconventie,

eisers in het verzet,

advocaat mr. J.A.M.P. Keijser.

Eisers in het verzet zullen hierna Unifin, Euro Holding en [eiser sub 3 in het verzet ] (gezamenlijk ook wel Unifin c.s.) genoemd worden.

Gedaagden in het verzet zullen hierna als [gedaagden in het verzet] worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussen partijen op 20 maart 2008 in kort geding gewezen verstekvonnis

- de verzetdagvaarding van Unifin c.s. van 28 april 2008

- het herstelexploit van Unifin c.s. van 17 juni 2008

- de mondelinge behandeling op 19 september 2008

- de pleitnota van [gedaagden in het verzet]

- de pleitnota van Unifin c.s.

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Euro Holding is een vennootschap naar Turks recht die zich bezig houdt met de ontwikkeling en verkoop van luxe appartementen en vijfsterrenhotels in Turkije.

Unifin is een vennootschap naar Nederlands recht die zich bezig houdt met projectontwikkeling, marketing en verkoop van buitenlands vastgoed.

[eiser sub 3 in het verzet ] is door middel van een holdingconstructie bestuurder van Unifin en daarnaast samen met de heer [betrokkene] bestuurder en grootaandeelhouder van Euro Holding.

2.2. Vanaf 2005 hebben [gedaagden in het verzet] - deels ieder voor zich, deels in groepsverband - koopovereenkomsten gesloten met betrekking tot nog te realiseren luxe vakantieappartementen in de Turkse badplaatsen Bodrum en Alanya. Die appartementen maken deel uit van twee vastgoedprojecten van Unifin en Euro Holding, respectievelijk genaamd Oriental Palace Resort Bodrum (“OPR Bodrum”) en Oriental Palace Resort Alanya II (“OPR Alanya”). In de aanhef van die koopovereenkomsten worden Unifin en Euro Holding telkens aangeduid als “project developer / promotor “. Voorts wordt in die overeenkomsten (telkens) Euro Holding genoemd als eigenaresse van het perceel grond waarop de appartementen worden gebouwd en Unifin als degene die gemachtigd is de grond met de daarop te realiseren appartementen te verkopen en ter zake de koopovereenkomsten te tekenen. Onderaan de overeenkomsten staat als verkoper (“Seller”) telkens vermeld:

“Euro-Holding/Unifin Groep”. De verdere inhoud van de koopovereenkomsten komt hierna

- voor zover van belang - nader aan de orde.

2.3. Daarnaast zijn [gedaagden in het verzet] ieder een separate huurovereenkomst met Euro Holding aangegaan welke een onlosmakelijk onderdeel vormt van de koopovereenkomst(en). Daarbij zijn zij - zakelijk weergegeven - (telkens) overeengekomen dat Euro Holding als beheerder van de gerealiseerde appartementen gerechtigd is deze voor de duur van 10 jaar aan derden te verhuren. [gedaagden in het verzet] zullen daarvoor jaarlijks een gegarandeerd rendement van 10% over de respectieve koopsommen ontvangen, waarvoor Euro Holding een bankgarantie zal dienen af te geven. De koop- en huurovereenkomsten zijn tot stand gekomen via bemiddeling van een door Unifin ingeschakelde agent, genaamd Adventurehouse ApS, gevestigd in Denemarken, die inmiddels is gefailleerd.

2.4. In de koopovereenkomsten is onder het kopje “PAYMENT” bepaald dat de door [gedaagden in het verzet] te betalen koopsommen in twee termijnen zouden worden gefactureerd.

Binnen vijf dagen na ondertekening van de koopovereenkomsten dient een aanbetaling van 20% van de koopsom te worden voldaan. De resterende 80% van de koopsom moet binnen vijf dagen na aanvang van de bouwwerkzaamheden worden gestort op een ten name van Unifin gestelde, geblokkeerde bankrekening bij ABN AMRO Bank te Zevenaar.

Aan die geblokkeerde bankrekening is een bankgarantie gekoppeld ten gunste van de kopers die dat wensten voor het gestorte bedrag van de koopsom. Overeengekomen werd voorts dat de bedragen op die geblokkeerde rekening in drie tranches zouden worden vrijgegeven, en wel als volgt:

I. 40% van de totale koopsom zodra de zogenaamde ‘declaration of completion of construction phase 1’ is afgegeven en het eigendomsbewijs, de zogenaamde ‘tapu’, aan de koper is overhandigd;

II. 35% van de totale koopprijs bij afgifte van de zogenaamde ‘declaration of completion of construction phase 2’;

III. de resterende 5% van de totale koopsom bij de sleuteloverdracht in overeenstemming met het opleveringsprotocol.

2.5. Onder het kopje “TRANSFER” in de koopovereenkomsten is (telkens) bepaald dat de maximale bouwtijd 18 maanden bedraagt, te rekenen vanaf de datum van afgifte van de zogenaamde ‘declaration of the start of the construction’.

2.6. Tot slot is – voor zover thans van belang – in de koopovereenkomst(en) het volgende forum keuzebeding opgenomen: “The parties shall abide by the decision of the competent court under Turkish law for the interpretation and/or resolution of all issues arising from this agreement”.

2.7. [gedaagden in het verzet] hebben aan hun hiervoor onder 2.4. omschreven betalingsverplichtingen voldaan. De restant koopsommen van in totaal ongeveer 1,2 miljoen euro zijn door hen op de geblokkeerde rekening met het nummer 43.23.13.338 bij de ABN AMRO Bank ten name van Unifin gestort.

2.8. Om uiteenlopende redenen is ernstige vertraging ontstaan in de voortgang van de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de door [gedaagden in het verzet] gekochte vakantieappartementen, waardoor de overeengekomen maximale bouwtijd van 18 maanden inmiddels ruimschoots is overschreden. Naar aanleiding daarvan heeft onder andere op 22 oktober 2007 een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van Euro Holding en Unifin enerzijds en (onder meer) [gedaagden in het verzet] anderzijds om tot een oplossing van de gerezen problematiek te komen. Het verslag van die bespreking is door [gedaagden in het verzet] als productie 13 overgelegd. Tijdens die bespreking is namens [gedaagden in het verzet] te kennen gegeven dat zij de door hen gestorte restant koopsommen tijdelijk teruggestort wilden zien in verband met gederfde rente-inkomsten. Uiteindelijk is tussen betrokkenen toen de volgende afspraak gemaakt:

“(…) The monies that are now at Advodan or ABN-AMRO, can be returned to the members of the Association (opmerking voorzieningenrechter: bedoeld wordt een groep van 60 tot 70 bezorgde kopers van de vakantieappartementen, onder wie [gedaagden in het verzet]). When the project will be completed, Euro Holding will be entitled to these amounts and will ask the members to transfer the money to Euro Holding. Those members who will not pay within due time, risk the termination of their contract, without any refund or compensation. Parties will further negotiate a specific date as a final date for completion of the projects (…).”

2.9. Aan de onder 2.8. genoemde afspraak tot restitutie van de restant koopsommen aan [gedaagden in het verzet] is tot op heden geen gevolg gegeven. De desbetreffende gelden of een deel daarvan zijn inmiddels (al dan niet abusievelijk) door/namens Unifin van de geblokkeerde rekening van Unifin bij ABN AMRO Bank via de vrije rekening van Unifin bij die bank in periodieke bedragen overgeboekt naar de desbetreffende bank van een Turkse vennootschap Orient Management Resort AS.

2.10. [gedaagden in het verzet] hebben hierop Unifin c.s. in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in deze rechtbank ter terechtzitting van 13 maart 2008. Unifin c.s. zijn daar toen niet verschenen. Op vordering van [gedaagden in het verzet] zijn Unifin c.s. bij het onder de procedure genoemde verstekvonnis (hierna het vonnis te noemen) als volgt veroordeeld:

3.1. veroordeelt Unifin om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis ABN AMRO te instrueren de door eisers op de geblokkeerde rekening gestorte restant koopsommen, in totaal

€ 1.291.105,60, een en ander zoals nader gespecificeerd in het bij productie 21 gevoegde overzicht, althans het aanwezige restant saldo, te restitueren;

3.2. veroordeelt Unifin om ingeval zij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan de onder 3.1. weergegeven veroordeling te voldoen, aan eisers een dwangsom te betalen van € 50.000,00 per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, echter met een maximum van

€ 1.000.000,-;

3.3. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de een betaalt, ook de anderen daardoor zullen zijn bevrijd, om aan eisers te betalen een bedrag van

€ 1.291.105,60, althans het verschil tussen het op de geblokkeerde rekening aanwezige restant saldo en € 1.291.105,60, indien en voor zover blijkt dat over de door eisers op de geblokkeerde rekening gestorte restant koopsommen, in totaal € 1.291.105,60, een en ander zoals nader gespecificeerd in het bij productie 21 gevoegde overzicht, door Unifin en/of Euro Holding en/of [eiser sub 3 in het verzet] geheel of gedeeltelijk is beschikt;

3.4. veroordeelt Unifin om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis inzage te verstrekken in en afschrift te verstrekken van alle relevante bescheiden aangaande de door eisers verrichte betalingen, een en ander inzichtelijk geadministreerd voorzien van een registeraccountant gecontroleerde en geaccordeerde goedverklaring, aan de hand waarvan objectief kan worden vastgesteld op welke wijze de betalingen zijn aangewend ten behoeve van de ontwikkeling en realisatie van door eisers aangekochte appartementen in Bodrum respectievelijk Alanya;

3.5. veroordeelt Unifin om ingeval zij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan de onder 3.4. weergegeven veroordeling te voldoen, aan eisers een dwangsom te betalen van € 10.000,00 per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, echter met een maximum van € 250.000,-;

3.6. veroordeelt gedaagden in de kosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op

€ 866,44;

3.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

2.11. Het vonnis is op 1 april 2008 aan Unifin c.s. (in de persoon van [eiser sub 3 in het verzet ]) betekend met gelijktijdig bevel om binnen twee dagen aan de inhoud van het vonnis te voldoen. Unifin c.s. hebben op 28 april 2008 verzet tegen het vonnis aangetekend.

2.12. Bij deurwaardersexploit van 8 april 2008 is op verzoek van [gedaagden in het verzet] ten laste van [eiser sub 3 in het verzet ] executoriaal beslag gelegd op de volgende aan [eiser sub 3 in het verzet ] (deels samen met diens echtgenote met wie [eiser sub 3 in het verzet ] in gemeenschap van goederen is gehuwd) in eigendom toebehorende onroerende zaken:

- gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres],

- gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres],

- gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres]

- gelegen te [woonplaats] aan het adres [adres].

De executoriale verkoop van die onroerende zaken is (nader) vastgesteld op 11 november 2008.

2.13. Ter voldoening aan de in het vonnis onder 3.4. opgenomen veroordeling hebben Unifin c.s. aan het accountantskantoor Ernst & Young te Arnhem verzocht een onderzoek in te stellen. Dat accountantskantoor heeft daarvan op 14 april 2008 rapport uitgebracht, dat als productie 1 door Unifin c.s. is overgelegd. Dat rapport bevat onder het kopje “1. Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden” onder meer de volgende passage:

“(…) De opdracht houdt in dat op het opgenomen cijfermateriaal en toelichtingen daarop geen accountantscontrole is toegepast en dat evenmin een beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het opgenomen cijfermateriaal en toelichtingen daarop (…).”

Daarnaast is in het rapport als relaas van bevindingen - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen: “(…) Uit de administratie van Unifin Groep B.V. is niet te herleiden welke bedragen voor welke appartementen worden overgemaakt naar Turkije. Unifin Groep B.V. treedt op als gemachtigde van de verkoper van de appartementen. In haar administratie is dan ook geen projectadministratie opgenomen waaruit de toerekening aan de verschillende appartementen valt op te maken. Op grond hiervan kunnen wij dan ook geen oordeel geven over de wijze waarop de betalingen zijn aangewend voor de appartementen van de eisers.”

3. Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie

De bevoegdheid

3.1. Unifin c.s. hebben vóór alle weren de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen.

Zij stellen zich daarbij op het standpunt dat deze voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid Rv. niet bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu tussen Euro Holding en [gedaagden in het verzet] in de koopovereenkomsten een forumkeuze is overeengekomen, inhoudende dat alle geschillen omtrent de interpretatie en/of oplossingen voortvloeiende uit die koopovereenkomsten zullen worden beslecht door het ter zake bevoegde gerecht in Turkije en zullen worden onderworpen aan Turks recht.

3.2. [gedaagden in het verzet] voeren daartegen verweer. Zij nemen het standpunt in dat deze voorzieningenrechter (zoals door hem in het vonnis is overwogen) op grond van het bepaalde in artikel 2 juncto artikel 7 Rv. bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu [eiser sub 3 in het verzet ] woonachtig is in Nederland en de vorderingen jegens [eiser sub 3 in het verzet ] voldoende samenhangen met de vorderingen jegens Unifin en Euro Holding. Daarnaast zijn zij van mening dat de op 22 oktober 2007 tussen partijen (nader) gemaakte afspraak tot restitutie van de restant koopsommen (zoals hiervoor onder 2.8. geciteerd) buiten de werkingssfeer van de koopovereenkomst(en) valt, zodat het forumkeuze beding hier niet van toepassing is.

3.3. De voorzieningenrechter acht zich bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid juncto artikel 6, eerste lid van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, nu zowel Unifin als [eiser sub 3 in het verzet ] hun vestigings-/woonplaats in Nederland (en in dit arrondissement) hebben en tussen de jegens hen en Euro Holding ingestelde vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een gelijktijdige berechting uit oogpunt van een goede rechtsbedeling wenselijk/noodzakelijk is.

De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van Unifin c.s. op de forumkeuze in de koopovereenkomst(en). Zoals ook [gedaagden in het verzet] menen is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit beding niet geldt voor de onder 2.8. genoemde nadere afspraak tussen betrokkenen. Die afspraak - waarbij zowel Unifin (als houdster van de bankrekening waarop de restant koopsommen diende te worden gerestitueerd en als de vennootschap die vervolgens voor terugbetaling van die restant koopsommen aan [gedaagden in het verzet] diende zorg te dragen) als [eiser sub 3 in het verzet ] (als bestuurder van Unifin) waren betrokken - is immers buiten de overeenkomst(en) om gemaakt ter beslechting van een tussen partijen gerezen geschil.

Voorshands is er geen aanknopingspunt dat partijen die nadere overeenkomst ook aan forumkeuze hebben willen onderwerpen.

Dat die afspraak is gemaakt op het kantoor van de advocaat van [gedaagden in het verzet] in Denemarken, doet aan het voorgaande niet af.

De ontvankelijkheid

3.4. Unifin c.s. hebben betoogd dat [gedaagden in het verzet] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen jegens Euro Holding en [eiser sub 3 in het verzet ], omdat de inleidende dagvaarding door [gedaagden in het verzet] niet rechtsgeldig aan Euro Holding en [eiser sub 3 in het verzet ] is betekend, nu Euro Holding en [eiser sub 3 in het verzet ] geen domicilie hadden gekozen op het adres van hun toenmalige advocaat mr. I. van Bekkum, op welk adres de dagvaarding is uitgebracht.

De voorzieningenrechter verwerpt dit betoog, omdat de advocaat van [gedaagden in het verzet] ter terechtzitting een brief van mr. I. van Bekkum, gedateerd 29 februari 2008, heeft overgelegd, waarin deze verklaart dat de kort geding dagvaarding aan zijn kantooradres kon worden uitgebracht. Daaruit blijkt voldoende van een rechtsgeldige domiciliekeuze van Euro Holding en [eiser sub 3 in het verzet ], zodat [gedaagden in het verzet] ontvankelijk zijn in hun vorderingen jegens hen.

Het toepasselijke recht

3.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het Nederlands recht op de voet van artikel 4 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) van toepassing is op de onderhavige rechtsverhouding tussen partijen, omdat deze overeenkomst het nauwst verbonden is met Nederland. Het geld van [gedaagden in het verzet] stond immers op een geblokkeerde bankrekening in Nederland bij een Nederlandse bank ten name van de in Nederland gevestigde vennootschap naar Nederlands recht, Unifin, die aldus de zeggenschap had over de desbetreffende gelden die ingevolge een mede door haar gemaakte afspraak met [gedaagden in het verzet] door haar gerestitueerd dienen te worden. Voor de gedachte dat de rechtskeuze in de koop-/aannemingsovereenkomsten voor Turks recht naar de bedoeling van partijen ook voor de onderhavige afspraak zou gelden, zijn voorshands onvoldoende aanknopingspunten.

De vorderingen en de beoordeling daarvan

3.6. [gedaagden in het verzet] hebben - kort gezegd - nakoming gevorderd van de onder 2.8. genoemde afspraak tussen partijen zoals onder 2.10. in het dictum van het vonnis is geformuleerd.

Unifin c.s. hebben daartegen het verweer gevoerd dat [gedaagden in het verzet] geen recht op althans geen redelijk belang hebben bij restitutie van de door hen gestorte restant koopsommen, omdat die koopsommen inmiddels volledig aan de bouw zijn besteed en de restant koopsommen - indien deze aan [gedaagden in het verzet] zouden zijn gerestitueerd - gelet op de voortgang van de werkzaamheden op korte termijn door [gedaagden in het verzet] weer moeten worden terugbetaald. Unifin c.s. hebben in dit verband met name gewezen op het onder 2.11. genoemde rapport van Ernst & Young, op de door hen als productie 3 overgelegde foto’s en op een door hen als productie 4 overgelegd taxatierapport van T.G.D. van 1 februari 2008 waarin de staat van de appartementen c.q. de huidige waarde daarvan staat omschreven. Daarnaast stellen Unifin c.s. zich - naar de voorzieningenrechter begrijpt subsidiair - op het standpunt dat [gedaagden in het verzet] alleen Euro Holding kunnen aanspreken, omdat Unifin en [eiser sub 3 in het verzet ] geen contractspartijen van [gedaagden in het verzet] zijn (geweest) en bovendien een grondslag voor de persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser sub 3 in het verzet ] ontbreekt.

Op grond daarvan zijn Unifin c.s. van mening dat zij dienen te worden ontheven

van de jegens hen bij het vonnis uitgesproken veroordelingen en dat [gedaagden in het verzet] alsnog niet ontvankelijk in hun vorderingen jegens Unifin c.s. verklaard moeten worden althans dat aan [gedaagden in het verzet] die vorderingen als ongegrond en onbewezen dienen te worden ontzegd.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

ten aanzien van de vorderingen van [gedaagden in het verzet] waarop in het dictum van het vonnis onder 3.1. tot en met 3.3. is beslist

3.8. Unifin c.s. hebben de (onder 2.8. genoemde) op 22 oktober 2007 gemaakte afspraak tot restitutie van de restant koopsommen op zichzelf niet betwist.

De voorzieningenrechter verwerpt het onder 3.6. genoemde verweer van Unifin c.s. dat [gedaagden in het verzet] ondanks die afspraak thans geen recht op en geen redelijk belang meer bij die restitutie hebben. Dat verweer miskent in de eerste plaats dat volgens genoemde (nadere) afspraak Euro Holding eerst na voltooiing van het gehele project aanspraak heeft op terugbetaling van de restant koopsommen door [gedaagden in het verzet]

In de tweede plaats doet zich thans - mede gelet op de over en weer overgelegde foto’s en op de inhoud van het door/namens Unifin c.s. overgelegde taxatierapport van T.G.D. betreffende de staat waarin de appartementen op dit moment verkeren - evenmin de situatie voor dat [gedaagden in het verzet] naast de aanbetaling van 20% van de koopsom enige termijn als hiervoor onder 2.4. sub I tot en met III van de koopovereenkomst(en) bedoeld, verschuldigd zijn. De daar bedoelde verklaringen zijn immers nog steeds niet afgegeven en evenmin zijn de eigendomsbewijzen (de zogenaamde tapu’s) van de appartementen aan [gedaagden in het verzet] ter hand gesteld. Voor zover in het verweer van Unifin c.s. tevens ligt besloten dat de geldigheidsduur van (een aantal van) de aan de geblokkeerde rekening gekoppelde bankgaranties inmiddels was verstreken en de desbetreffende restant koopsommen reeds om die reden waren vrij gevallen, faalt dat verweer eveneens. Gesteld noch gebleken is immers dat de afgifte van de bankgaranties c.q. het verstrijken van de daarin opgenomen termijn op enigerlei wijze van betekenis is voor de tussen partijen gesloten (nadere) overeenkomst van 22 oktober 2007.

3.9. De conclusie uit het voorgaande is dat de restant koopsommen aan [gedaagden in het verzet] dienen te worden terug betaald. Zowel Euro Holding als Unifin zijn daartoe gehouden, nu zij beide voorshands als partijen bij meergenoemde afspraak moeten worden aangemerkt. Dat blijkt voorshands voldoende uit de inhoud van het onder 2.8. bedoelde verslag van de bespreking op 22 oktober 2007 (door [gedaagden in het verzet] overgelegd als productie 13), tijdens welke bespreking [eiser sub 3 in het verzet ] aanwezig was als bestuurder van zowel Euro Holding als Unifin alsmede de heer [betrokkene 2], eveneens namens Unifin.

Dat beide vennootschappen als partij bij de afspraak de restitutieverplichting hebben, ligt ook voor de hand, nu in ieder geval Euro Holding als wederpartij/verkoper bij de koopovereenkomsten moet worden aangemerkt en Unifin niet alleen ook als partij in die overeenkomsten wordt genoemd maar bovendien de partij is op wiens naam de geblokkeerde bankrekening bij ABN AMRO stond.

3.10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is [eiser sub 3 in het verzet ] in privé niet gehouden tot restitutie van de restant koopsommen. [gedaagden in het verzet] baseren hun vordering met betrekking tot die verplichting op [eiser sub 3 in het verzet ]’s aansprakelijkheid als bestuurder van Unifin.

Volgens vaste rechtspraak mag een dergelijke aansprakelijkheid echter niet te snel worden aangenomen. Slechts onder bijzondere omstandigheden, waarin de bestuurder een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, kan een dergelijke aansprakelijkheid worden aanvaard. Daarvan kan onder meer sprake zijn, indien de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst door de rechtspersoon wist althans redelijkerwijs kon weten dat de rechtspersoon niet in staat zou zijn die overeenkomst na te komen en geen verhaal zou bieden voor de door de wanprestatie te lijden schade. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen dergelijke omstandigheden in het kader van dit kort geding onvoldoende worden vastgesteld. Niet is komen vast te staan dat [eiser sub 3 in het verzet ] reeds bij het maken van de afspraak op 22 oktober 2007 wist of kon weten dat Euro Holding en/of Unifin de restant koopsommen niet aan [gedaagden in het verzet] zouden terugbetalen maar deze via de geblokkeerde en vervolgens de vrije rekening van Unifin bij de ABN AMRO Bank zouden overmaken naar de onderhavige Turkse vennootschap. Evenmin is gesteld noch gebleken dat [eiser sub 3 in het verzet ] toen al wist dat Euro Holding en/of Unifin hierna mogelijkerwijs geen verhaal meer zou(den) bieden voor de daaruit voor [gedaagden in het verzet] ontstane schade. Weliswaar is de bewuste overboeking geschied onder verantwoordelijkheid van [eiser sub 3 in het verzet ], maar voorshands is onvoldoende komen vast te staan dat [eiser sub 3 in het verzet ] daartoe zelf de opdracht heeft gegeven dan wel dat hij daarin anderszins de hand heeft gehad. Volgens [eiser sub 3 in het verzet ] heeft [betrokkene 2] die opdracht zelfstandig/op eigen naam aan de bank gegeven zonder dat [eiser sub 3 in het verzet ] daarvan op de hoogte was. [gedaagden in het verzet] hebben het tegendeel van die stelling voorshands onvoldoende aangetoond. Evenmin hebben zij aangetoond dat [eiser sub 3 in het verzet ] de restant koopsommen althans een gedeelte daarvan heeft verduisterd c.q. in zijn privé vermogen heeft laten vloeien.

De daartoe opgeworpen stelling van [gedaagden in het verzet] dat die gelden zijn aangewend ten behoeve van een door de onder 2.9. genoemde Turkse vennootschap aan [eiser sub 3 in het verzet ] verstrekte hypothecaire geldlening, wordt als onvoldoende onderbouwd, verworpen.

Los van het voorgaande kan niet worden gezegd dat [eiser sub 3 in het verzet ] persoonlijk ervoor aansprakelijk kan worden gehouden dat de bouw van de appartementen bij lange na niet zover is gevorderd als tussen partijen was overeengekomen en dat Euro Holding en Unifin hun verplichtingen in dat opzicht niet nakomen.

Al met al is in dit kort geding niet komen vast te staan dat [eiser sub 3 in het verzet ] in deze een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Wat [eiser sub 3 in het verzet ]’s rol precies is geweest, dient zonodig in een bodemprocedure (bijvoorbeeld aan de hand van de in het vonnis onder 3.4. bedoelde bescheiden) te worden uitgezocht. Dit kort geding leent zich daarvoor niet.

3.11. Het voorgaande voert tot de slotsom dat de in het vonnis onder 3.1. tot en met 3.3. opgenomen veroordelingen gehandhaafd dienen te blijven behoudens de veroordeling onder 3.3. ten aanzien van [eiser sub 3 in het verzet ]. In zoverre zal het vonnis - ook ten aanzien van de daarin opgenomen kostenveroordeling - worden vernietigd. Voor het overige dient het daartegen gedane verzet van Unifin c.s. ongegrond te worden verklaard en zal het vonnis worden bekrachtigd. Met betrekking tot de onder 3.1. opgenomen veroordeling merkt de voorzieningenrechter nog op dat die niet ziet op een rechtstreekse betaling maar op het geven tot opdracht daartoe door Unifin aan de bank, zodat het opleggen van een dwangsom - anders dan Unifin c.s. menen - mogelijk is.

ten aanzien van de vorderingen van [gedaagden in het verzet] waarop in het dictum van het vonnis onder 3.4. en 3.5. is beslist

3.12. Vast staat dat gelden ter zake van de restant koopsommen zijn verdwenen en (kennelijk) naar een Turkse vennootschap zijn overgemaakt die geen partij is bij de koopovereenkomsten(en) en daarin ook niet wordt vermeld. Bovendien is er geen enkel bewijs voor dat die gelden in de bouw van de appartementen zijn gestoken.

Onder deze omstandigheden hebben [gedaagden in het verzet] er belang bij dat er zicht op komt wat er met die gelden is gebeurd c.q. waar deze naar toe zijn gegaan en wie daartoe opdracht heeft gegeven. Door/namens Unifin c.s. dienen daartoe relevante bescheiden te worden overgelegd zoals in het vonnis bedoeld. Anders dan Unifin c.s. menen acht de voorzieningenrechter de daarin bedoelde bescheiden voldoende bepaalbaar zoals bedoeld in artikel 843a Rv. Daarbij moet met name gedacht worden aan bankafschriften en onderliggende bescheiden waaruit de geldstromen met betrekking tot de verdwenen restant koopsommen zichtbaar worden. Het enkele door Unifin c.s. als productie 1 overgelegde rapport van het accountantskantoor Ernst & Young is daarvoor - mede gelet op de daarin opgenomen beperkingen zoals onder 2.13. geciteerd - naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende. Het voorgaande betekent dat het vonnis ook ten aanzien van die veroordeling alsmede de daaraan (onder 3.5. van het vonnis) gekoppelde dwangsom moet worden bekrachtigd.

3.13. Als de jegens [gedaagden in het verzet] in het ongelijk gestelde partijen dienen Unifin en Euro Holding in de kosten van dit kort geding in conventie te worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden in het verzet] worden begroot op € 816,-- wegens salaris advocaat.

3.14. [gedaagden in het verzet] dienen als de jegens [eiser sub 3 in het verzet ] in het ongelijk gestelde partijen in diens kosten van dit kort geding in conventie te worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 3 in het verzet ] worden begroot op nihil.

4. Het geschil en de beoordeling daarvan in reconventie

4.1. [eiser sub 3 in het verzet ] vordert - kort gezegd - opheffing van de onder 2.12. genoemde beslagen en doorhaling van de inschrijving van die beslagen in de openbare registers op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[gedaagden in het verzet] voeren daartegen verweer. Zij stellen zich daarbij primair op het standpunt dat de eis in reconventie in strijd met de geldende afspraken niet tevoren door (de advocaat van) [eiser sub 3 in het verzet ] is aangekondigd en dus te laat is ingediend. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Hoewel de eis in reconventie inderdaad pas op de terechtzitting is ingesteld, verzetten de eisen van een goede procesorde zich in dit geval niet tegen het toelaten van die eis. Gelet op de vorderingen in conventie lag het instellen van de vorderingen in reconventie zo voor de hand dat [eiser sub 3 in het verzet ]’s advocaat daardoor niet verrast kan zijn (geweest).

4.2. De vordering is toewijsbaar, omdat gelet op het in conventie onder 3.9. overwogene de aansprakelijkheid van [eiser sub 3 in het verzet ] voorshands niet is komen vast te staan en diens veroordeling tot betaling in het verstekvonnis bij dit vonnis is vernietigd. Daarmee ontvalt de titel aan de gelegde executoriale beslagen. De ten laste van [eiser sub 3 in het verzet ] gelegde executoriale beslagen op diens (privé) onroerende zaken zijn dus onrechtmatig en dienen te worden opgeheven. Uit praktische overwegingen zal de voorzieningenrechter het beslag zelf opheffen. Er is aanleiding om de gevorderde dwangsom en het totaal daarvan te matigen zoals in het dictum is opgenomen.

4.3. Als de jegens [eiser sub 3 in het verzet ] in het ongelijk gestelde partijen dienen [gedaagden in het verzet] in de kosten van dit kort geding in reconventie te worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 3 in het verzet ] worden begroot op € 408,-- wegens salaris advocaat.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1. bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 20 maart 2008 behoudens voor zover [eiser sub 3 in het verzet ] daarbij onder 3.3. is veroordeeld tot betaling aan [gedaagden in het verzet] van de daar genoemde bedragen en voor zover [eiser sub 3 in het verzet ] daarbij in de kosten is veroordeeld, vernietigt dat vonnis in zoverre en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de desbetreffende vorderingen van [gedaagden in het verzet] jegens [eiser sub 3 in het verzet ] af en veroordeelt [gedaagden in het verzet] in de kosten, aan de zijde van [eiser sub 3 in het verzet ] tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil,

5.2. veroordeelt Unifin en Euro Holding in de kosten van dit kort geding, aan de zijde van [gedaagden in het verzet] tot op heden begroot op € 816,--

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. weigert het meer of anders gevorderde,

in reconventie

5.5. heft op de onder 2.12. genoemde executoriale beslagen,

5.6. veroordeelt [gedaagden in het verzet] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de inschrijving van de onder 2.12. genoemde executoriale beslagen in de openbare registers te doen doorhalen,

5.7. veroordeelt [gedaagden in het verzet] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt, de anderen daarvan zullen zijn bevrijd, om ingeval zij (na betekening van dit vonnis) in gebreke mochten blijven aan bovenstaande veroordeling sub 5.6. te voldoen, aan [eiser sub 3 in het verzet ] een dwangsom te betalen van € 25.000,-- per dag, echter met een maximum van € 500.000,--,

5.8. veroordeelt [gedaagden in het verzet] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser sub 3 in het verzet ] bepaald op € 408,-- voor salaris,

5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 3 oktober 2008.