Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BG0245

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
137379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Waardering getuigenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137379 / HA ZA 06-292

Vonnis van 1 oktober 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BONI-MARKTEN B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.J. Boom te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FOOD FACTORY ALKMAAR B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FOOD FACTORY ENSCHEDE B.V.,

gevestigd te Enschede,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE SOEVEREIN HOLDING B.V.,

gevestigd te Almere,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE SPECERIJ BEHEER B.V.,

gevestigd te Almere,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Partijen zullen hierna Boni, FFA, FFE, Soeverein Holding, Specerij Beheer en [betrokkene 3] Beheer genoemd worden. FFA en FFE worden gezamenlijk Food Factory (vrouwelijk enkelvoud genoemd) en alle gedaagden gezamenlijk Food Factory cs (vrouwelijk enkelvoud).

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 september 2007

- de akte overlegging producties van de kant van Food Factory

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 december 2007, waar in enquête zijn gehoord de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]

- de rolverwijzing van 4 maart 2008

- de antwoordakte/conclusie na enquête van Boni

- de antwoordconclusie tevens akte vermindering eis in reconventie van de kant van Food Factory

- de akte uitlating producties van Boni.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen in het tussenvonnis van 26 september 2007 is overwogen en beslist.

in reconventie

2.2. In het tussenvonnis van 26 september 2007 is Food Factory opgedragen te bewijzen dat zij meer emballage heeft geretourneerd aan Boni dan door Boni is gecrediteerd.

2.3. Food Factory heeft ter voldoening aan die bewijsopdracht bij akte een grote hoeveelheid producties in het geding gebracht. Het gaat om kopieën van de emballage- retourbonnen van Boni en de daarmee corresponderende creditnota’s, ook aangeduid als verzendnota’s. Tevens is bijgevoegd een toelichting op die bescheiden waarin een overzicht wordt gepresenteerd van de totalen op vestigingsniveau over de jaren 2003 tot en met 2005 (hierna de toelichting). Volgens Food Factory blijkt uit die toelichting dat € 240.777,28 te weinig is gecrediteerd door Boni. Daarnaast is volgens Food Factory een groot bedrag aan emballage in rekening gebracht die niet is geleverd, zoals volgens haar blijkt uit de al eerder overgelegde VNA’s. Food Factory becijfert het totale van Boni te vorderen bedrag op

€ 292.290,--, namelijk € 114.982,-- met betrekking tot FFA en € 177.308,-- met betrekking tot FFE en zij heeft haar vordering dienovereenkomstig verminderd. Deze vermindering houdt verband met de getuigenverklaring van [getuige 3] van administratiekantoor Marshoek BV dat in de brief van 20 april 2006 aan de heer [getuige 1] van Food Factory (productie 7 conclusie van antwoord in conventie) een fout is geslopen en dat het totaalbedrag in de kolom Food Factory Alkmaar (€ 222.638,--) moet worden verminderd met tweemaal het bedrag van € 53.828,--. Na deze vermindering resteert het thans door FFA gevorderde bedrag van € 114.982,--.

Het verschil van € 51.512,72 tussen het totale gevorderde bedrag van € 292.290,-- en het in de toelichting genoemde bedrag van € 240.777,28 heeft volgens Food Factory betrekking op de emballage van wel gefactureerde maar niet geleverde goederen.

2.4. Food Factory heeft drie getuigen doen horen te weten [getuige 1], directeur/bestuurder van Food Factory, [getuige 2], medewerker van Food Factory en de hiervoor al genoemde [getuige 3]. Food Factory heeft afgezien van het doen horen van de eerder door haar opgegeven getuigen [voorletter] [betrokkene 4], [voorletter] [betrokkene] en [voorletter] [betrokkene 3].

2.5. De getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard.

Met name door mensen van het kantoor van Food Factory, zoals de heer [getuige 2] en mevrouw [betrokkene] werd bij Boni gereclameerd over de onjuiste creditering (…).

Boni heeft aangegeven dat een en ander zou worden gecorrigeerd. Ik neem aan dat er

e-mails zijn van Boni aan mevrouw [betrokkene] waar dit uit blijkt. Ik heb hier ook zelf met de heer [betrokkene 2] over gesproken. Ook meneer [betrokkene 3] sprak hierover met mensen van Boni (…).

Het zou best kunnen dat in 2005 is afgesproken dat bepaalde rollies en dollies niet meer in rekening werden gebracht, maar ik moet hier een voorbehoud maken (…).

Er was regelmatig overleg op directieniveau tussen Boni en Food Factory. Boni maakte notulen van die vergaderingen. De meeste notulen hebben wij ontvangen. Op die vergaderingen is zeker gesproken over de problematiek rond de emballagegoederen, dat er onvoldoende gecrediteerd werd door Boni (…).

2.6. De getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard.

Ik ben betrokken geweest bij het opstellen van het overzicht van de emballageverschillen (…). Als er een verschil wordt vastgesteld dan wordt daarvan melding gemaakt. Dit gebeurde via de mail door verschillende collega’s, waar onder mevrouw [betrokkene]. Ik zelf heb nooit zo’n mail verstuurd.

Ik ben alle retourbonnen met bijbehorende creditfacturen gaan controleren en heb op die manier het overzicht kunnen maken dat zich bij de stukken bevindt (…).

Ik heb van collega’s gehoord dat zij hebben gereclameerd bij Boni. Ik heb ook stukken gezien waaruit mij bleek dat zij hadden gereclameerd. Dat waren geprinte e-mails (…).

In het overzicht dat is opgesteld staat een prijs van € 60,= vermeld voor een rolly. Die prijs is afkomstig van de inkoopfactuur.

2.7. De getuige [getuige 3] heeft het volgende verklaard.

Ik werk sinds 1 september 2007 bij Marshoek.

Marshoek houdt de administratie bij van Food Factory en Marshoek maakt ook jaarrapporten voor Food Factory. Ik heb samen met mijn collega [betrokkene 4] het dossier van Food Factory en de rapporten die wij in de loop van de jaren hebben opgesteld, onderzocht (…).

De gegevens waarop de bedragen zijn gebaseerd die staan vermeld in de tabel van de brief van 20 april 2006 zijn afkomstig van de voorraadadministratie van de emballage van Food Factory (…).

De bedragen die staan vermeld in de tabel van 20 april 2006 zijn de verschillen die zijn geconstateerd tussen de bedragen aan emballage die gefactureerd en gecrediteerd zijn. Wij beoordelen niet of de emballage juist gefactureerd is dan wel geleverd is (…).

U houdt mij voor de laatste alinea die staat vermeld in de akte van Food Factory voor deze zitting. Daarin staat vermeld dat Marshoek zou hebben geconstateerd dat buiten de afwijking van de creditering ten opzichte van de retourbonnen, Boni bijna € 160.000,= in rekening heeft gebracht bij Food Factory voor emballage die nimmer door Food Factory is ontvangen. Ik kan daarover verklaren dat op dat bedrag in ieder geval 2 x het bedrag van

€ 53.828,= in mindering moet worden gebracht. Ten aanzien van het restant kan ik dan verklaren dat het zeer aannemelijk is dat dit tekort is ontstaan door emballage die wel is gefactureerd door Boni maar die nimmer is ontvangen door Food Factory.

2.8. Bij de beoordeling van het door Food Factory geleverde bewijs zal de rechtbank de door partijen gehanteerde indeling hanteren waarbij achtereenvolgens aan de orde zullen komen de retourzending van de ‘dollies’ (1), de pallets/europallets (2), de ‘rollies’ (3) en de emballage van niet geleverde goederen (4).

(1) de dollies

2.9. Voorop staat dat partijen het eens zijn dat aan ‘brooddollies’ geen emballagewaarde wordt toegekend zodat er ook geen creditering plaatsvindt naar aanleiding van retour gezonden ‘brooddollies’.

2.10. Boni voert aan dat Food Factory tot 23 augustus 2005 geen aanspraak kan maken op enige creditering wegens door haar geretourneerde dollies omdat die dollies tot dat moment ook niet in rekening werden gebracht door Boni of, zoals zij dat aanduidt, geen lastdrager waren. Vanaf die datum zijn de dollies wel in rekening gebracht en heeft ook creditering plaatsgevonden naar aanleiding van retour gezonden dollies, aldus Boni. Zij verwijst naar twee overzichten (productie 40 en 41 antwoordakte/conclusie na enquête) die ten aanzien van FFA een bedrag van € 13.770,-- en ten aanzien van FFE een bedrag van

€ 9.720,-- vermelden.

2.11. Food Factory betwist dat de dollies tot 23 augustus 2005 geen lastdrager waren en stelt onder overlegging van producties (productie 10 antwoordconclusie tevens akte vermindering van eis) dat alle dollies steeds door Boni in rekening zijn gebracht voor € 30,-- per dolly.

2.12. Food Factory heeft vier facturen van Boni aan Food Factory overgelegd uit de periode van februari 2005 tot en met augustus 2005 voor emballage, zijnde alle dollies van de vleesleverancier [vleesleverancier], voor een bedrag van € 30,-- per dolly. Dat Boni aan Food Factory andere dollies dan de dollies van [vleesleverancier] in rekening heeft gebracht is door Food Factory niet aangetoond. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het best zou kunnen dat in 2005 is afgesproken dat bepaalde rollies en dollies niet meer in rekening werden gebracht. Daarom resteert de vraag of de door Food Factory retour gezonden dollies van [vleesleverancier] door Boni op de juiste wijze zijn gecrediteerd.

2.13. Boni voert aan dat zij geen bemoeienis had met de creditering van de dollies van [vleesleverancier] omdat zij als zogenaamde cross-dock leverancier slechts faciliterend voor de leveranties van [vleesleverancier] aan Food Factory optrad. Volgens Boni is haar uit de administratie van [vleesleverancier] gebleken dat deze in 2004 en 2005 aan FFA en FFE meer dollies heeft gefactureerd dan gecrediteerd. Ten aanzien van FFA gaat het om een verschil van in totaal

€ 33.720,-- en ten aanzien van FFE om een bedrag van € 20.670,--. Deze bedragen zijn door Food Factory niet betwist. Boni meent dat de oorzaak van de verschillen hoogst-waarschijnlijk is gelegen in het feit dat door Food Factory geretourneerde dollies van [vleesleverancier] zijn zoek geraakt in het distributiecentrum.

2.14. De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat Boni niet alle door of via haar aan Food Factory gefactureerde emballage van [vleesleverancier] heeft gecrediteerd. Dat de emballage/dollies van [vleesleverancier] niet door Food Factory aan [vleesleverancier] zou/zouden zijn geretourneerd, is niet betwist door Boni, terwijl de omstandigheid dat geretourneerde dollies in een distributiecentrum zoek zijn geraakt niet op Food Factory kan worden afgewenteld nu er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die dit voor rekening of risico van Food Factory brengen. In zoverre is Food Factory dus geslaagd in het bewijs.

Rekening houdende met de hiervoor in r.o. 2.10 vermelde crediteringen door Boni, die door Food Factory niet zijn weersproken, zou Boni in beginsel wegens geretourneerde dollies aan FFA nog moeten vergoeden een bedrag van € 19.950,-- en aan FFE een bedrag van

€ 10.950,--.

(2) de pallets/europallets

2.15. Boni voert aan dat zij op grond van de overeenkomst tussen partijen niet gehouden is de retour gezonden europallets te crediteren. Boni wijst er op dat Food Factory haar nooit heeft meegedeeld dat zij retour gezonden europallets ten onrechte niet had gecrediteerd. De rechtbank leest in dit verweer van Boni een beroep op artikel 6:89 BW. Boni voert voorts aan dat zij op dit punt niet in gebreke is gesteld, zodat zij niet in verzuim is komen te verkeren.

2.16. De rechtbank stelt vast dat in de toelichting alleen ‘europallets’ staan vermeld, dat de waarde van die europallets steeds op € 22,69 is gesteld en dat bij elke retour gezonden europallet vanaf het begin van de overeenkomst tussen partijen in oktober 2003 staat vermeld: ‘Bedrag Boni staat op nul’. Deze opmerking ziet op de bij een retourbon behorende verzendnota, waarop voor de retour gezonden europallets een prijs van € 0,00 staat vermeld. De rechtbank heeft steekproefsgewijs vastgesteld dat de europallets op de emballageretourbonnen van Boni steeds met de hand zijn bijgeschreven en dat daarbij geen waarde staat vermeld. De verzendnota’s en de retourbonnen sluiten in zoverre op elkaar aan. De rechtbank beschouwt dit als een bevestiging van het standpunt van Boni dat zij europallets niet hoeft te crediteren. Indien Food Factory het hiermee niet eens was had het op haar weg gelegen om daartegen binnen bekwame tijd bij Boni te protesteren.

Food Factory voert aan dat zij hierover wel degelijk heeft geprotesteerd, maar deze stelling is niet althans onvoldoende door haar geconcretiseerd. De getuige [getuige 1] heeft wel verklaard over reclames via e-mail of de telefoon door [getuige 2], [betrokkene] en [betrokkene 3] en tijdens vergaderingen door hemzelf, maar die verklaring staat op zichzelf en wordt niet bevestigd door andere bewijsmiddelen. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zelf nooit een e-mail heeft verstuurd. Hij heeft alleen geprinte e-mails gezien waaruit hem bleek dat er gereclameerd werd. [betrokkene] en [betrokkene 3] zijn niet als getuigen gehoord en van hen is ook geen schriftelijke verklaring in het geding gebracht. De notulen van de vergaderingen waarover de getuige [getuige 1] verklaart, zijn door Food Factory niet in het geding gebracht. Food Factory heeft e-mailberichten in het geding gebracht (productie 12 antwoordconclusie tevens akte vermindering van eis in reconventie) maar daaruit blijkt niet van een protest over het uitblijven van de creditering voor de europallets. Die e-mailberichten gaan alleen over rollies en dollies.

Daar komt bij dat Food Factory slechts van één leverancier ([betrokkene 6] en [betrokkene 7] B.V.) inkoopfacturen heeft overgelegd waarin een bedrag voor europallets wordt gefactureerd. Uit de overgelegde stukken kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld in hoeverre de emballagekosten van de pallets (het gaat om in totaal 13 pallets) aan Food Factory zijn doorberekend, noch in hoeverre na terugzending van deze specifieke pallets geld aan Food Factory is geretourneerd zoals Boni aanvoert. Het vorenstaande betekent dat Food Factory ten aanzien van de europallets niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs zodat de daarop betrekking hebbende onderdelen van de vorderingen van Food Factory niet toewijsbaar zijn.

De rechtbank komt dan niet meer toe aan hetgeen partijen op dit onderdeel verder nog over en weer hebben aangevoerd.

(3) de rollies

2.17. Boni voert met betrekking tot diverse (om precies te zijn de nummers 23594, 23595, 23426, 23573, 23423, 23583, 23587, 23424, 23591, 23593, 23427, 23430, 23433, 23434, 23440, 23443, 14510, 14518) door Food Factory overgelegde retourbonnen van FFE uit 2004 aan: ‘Food Factory vermeld zelf de tekst “rollie wordt niet belast, dus ook niet gecrediteerd’. Food Factory heeft daarop als volgt gereageerd: ‘Rollies zijn in rekening gebracht door Boni. In eerste instantie werd aangenomen dat deze niet belast zouden worden. De retour gezonden rollies komen dan ook voor vergoeding in aanmerking’. Deze reactie van Food Factory is onvoldoende feitelijk onderbouwd om het verweer van Boni te ontkrachten; Food Factory heeft niet aangetoond dat de rollies door Boni in rekening zijn gebracht. Dit betekent dat Food Factory in zoverre niet is geslaagd in het opgedragen bewijs zodat de vordering van FFE met betrekking tot de bedoelde achttien retourzendingen niet toewijsbaar is.

2.18. Partijen twisten verder over de statiegeldwaarde van de rollies. Volgens Food Factory bedraagt die € 60,-- per rolly terwijl Boni meent dat die waarde € 45,-- per rolly bedraagt.

2.19. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de in de toelichting vermelde prijs van € 60,-- per rolly afkomstig is van de inkoopfacturen. Deze verklaring wordt weliswaar ondersteund door de hierna vermelde facturen van [betrokkene 8] bv, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat Boni gehouden is alle rollies te crediteren voor € 60,-- per rolly. De rechtbank stelt namelijk vast dat Food Factory emballage retourbonnen van Boni in het geding heeft gebracht die bij ‘rollie’ geen waarde vermelden en retourbonnen die een waarde van € 45,-- vermelden. De rechtbank stelt voorts vast dat Food Factory in de opstelling met betrekking tot de laatste 2 weken van 2005 zelf een waarde van € 45,-- per rolly hanteert, zoals Boni heeft aangevoerd. Food Factory heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de waarde € 60,-- bedraagt, bij de antwoordconclusie tevens akte vermindering van eis in reconventie facturen van Boni overgelegd (productie 13). Het gaat om diverse facturen van [betrokkene 8] bv aan FFA of FFE die alle een prijs van € 60,-- per dolly vermelden. Andere facturen zijn door Food Factory niet in het geding gebracht. Het enkele feit dat één leverancier een prijs van € 60,-- per dolly rekende, betekent echter nog niet dat Boni gehouden is alle retour gezonden rollies te crediteren voor een bedrag van € 60,-- per stuk. De rechtbank is van oordeel dat daarom moet worden uitgegaan van de waarde volgens de retourbonnen van Boni en de eigen opgave van Food Factory van € 45,-- per rolly.

2.20. Boni voert nog aan dat zij aan FFA niet meer dan 16 x € 45,-- en aan FFE niet meer dan 11 x € 45,-- hoeft te crediteren omdat uitsluitend [vleesleverancier] via haar distributiessyteem goederen op rollies aan Food Factory leverde. Dit verweer gaat niet op omdat uit r.o. 2.19 blijkt dat behalve [vleesleverancier] in ieder geval nog één andere leverancier, namelijk [betrokkene 8] bv, via het distributiecentrum van Boni goederen op rollies leverde aan Food Factory.

(4) de emballage van niet geleverde goederen

2.21. Food Factory meent dat het bewijs van dit onderdeel van de vordering volgt uit de brief van Marshoek van 20 april 2006 (productie 7 conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie), de getuigenverklaring van [getuige 3] en de al eerder overgelegde VNA’s.

2.22. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. In het tussenvonnis van 26 september 2007 heeft zij al zonder voorbehoud beslist dat Food Factory niet op de tussen partijen overeengekomen wijze heeft gereclameerd over onjuiste leveringen door niet tijdig en door middel van de op de overeengekomen wijze ingevulde VNA’s. Deze beslissing impliceert dat aan de VNA’s geen bewijs kan worden ontleend voor de vordering wegens de emballage van niet geleverde goederen. Dit bewijs volgt ook niet uit de getuigenverklaring van [getuige 3] over de inhoud van de voormelde brief van Marshoek, dat het zeer aannemelijk is dat het tekort aan creditering van retour gezonden emballage is ontstaan door emballage die wel is gefactureerd door Boni maar die nimmer is ontvangen door Food Factory. Deze getuigenverklaring is niet gebaseerd op de eigen waarneming van de getuige. Hij heeft immers verklaard dat door Marshoek niet is beoordeeld of de emballage juist gefactureerd of geleverd is. De enkele constatering dat er een opvallend verschil is tussen de emballage die Food Factory betaald heeft en de emballage die zij van Boni gecrediteerd heeft gekregen, is onvoldoende voor het door Food Factory te leveren bewijs dat Boni meer had moeten crediteren.

Dit betekent dat dit onderdeel van de vorderingen van Food Factory zal worden afgewezen.

overige emballage

2.23. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of Food Factory is geslaagd in het bewijs van ten aanzien van de overige emballage.

Daarbij overweegt de rechtbank allereerst dat zij de als productie 9 bij de antwoordconclusie tevens akte vermindering eis in reconventie overgelegde afschriften van retourbonnen en verzendnota’s buiten beschouwing laat. Niet alleen zijn niet alle stukken goed leesbaar, ze zijn ook pas overgelegd na de sluiting van de enquête en na de conclusie na enqête van Boni en daarmee tardief.

2.24. Voorts moet worden beoordeeld of de toelichting in samenhang met de getuigenverklaring van [getuige 2] ook ten aanzien van de retourzendingen waarvan de achterliggende stukken ontbreken, voldoende bewijs oplevert, zoals Food Factory meent.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Uit de hierna te behandelen verweren van Boni volgt immers dat er ten aanzien van de leveringen waarvan de bonnen wél zijn overgelegd, een aantal verschillen bestaan tussen de bonnen en de samenvatting daarvan in de toelichting. Ondanks de getuigenverklaring van [getuige 2] kan er daarom niet van uit worden gegaan dat de toelichting inhoudelijk de inhoud van de retourbonnen en verzendnota’s volledig juist weergeeft. Dat de voornoemde gebleken verschillen niet groot zijn in aantal doet er niet aan af dat de juistheid van de toelichting ten aanzien van het niet met stukken onderbouwde deel niet valt te controleren. Food Factory heeft voor dat deel van haar stellingen daarom onvoldoende bewijs geleverd. Dat Boni volgens Food Factory zelf wel over de desbetreffende bonnen zou beschikken, is in dit verband niet relevant. De vordering van Food Factory met betrekking tot de retourzendingen waarvan geen achterliggende stukken zijn overgelegd is daarom niet toewijsbaar.

2.25. Ten aanzien van de retourzendingen waarvan de retourbonnen en verzendnota’s wel in het geding zijn gebracht, overweegt de rechtbank als volgt.

2.26. Boni heeft erkend dat zij aan Food Factory te weinig heeft gecrediteerd. Het gaat volgens Boni ten aanzien van FFA in 2004 om een bedrag van € 4.046,40 en in 2005 om een bedrag van € 2.630,60, dus in totaal € 6.677,--. Voor wat betreft FFE gaat het in 2005 om een bedrag van € 3,40. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 4.046,40 moet worden verhoogd met € 486,36 en € 104,22, zoals Food Factory terecht heeft opgemerkt, omdat Boni op pagina 8 van haar antwoordakte/ conclusie na enquête heeft erkend dat ook die beide bedragen ten onrechte niet zijn gecrediteerd. Food Factory is ten aanzien van de door Boni erkende bedragen geslaagd in het bewijs. De vordering van FFA is daarom in ieder geval toewijsbaar tot een bedrag van € 7.267,58 en de vordering van FFE tot het al genoemde bedrag van € 3,40.

2.27. Van de overgelegde retourbonnen en verzendnota’s heeft een deel betrekking op de (brood)dollies. De rechtbank heeft hiervoor in r.o. 2.9 tot en met 2.14 al beslist dat er geen creditering plaatsvindt ten aanzien van de brooddollies en dat op dit onderdeel van de vordering van FFA in beginsel toewijsbaar is een bedrag van € 19.950,-- en van de vordering van FFE een bedrag van € 10.950,--. In die bedragen kunnen zijn begrepen retourzendingen waarvan de achterliggende stukken niet zijn overgelegd en de daarop betrekking hebbende vordering is niet toewijsbaar zoals is beslist in r.o. 2.24.

Het is de rechtbank niet duidelijk welk gedeelte van de hiervoor vermelde bedragen van

€ 19.950,-- en € 10.950,-- betrekking heeft op retourgezonden dollies waarvan de achterliggende stukken wel zijn overgelegd en partijen worden in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

2.28. Met betrekking tot het gedeelte van de overgelegde retourbonnen en verzendnota’s dat betrekking heeft op pallets/europallets heeft de rechtbank beslist dat de daarop betrekking hebbende onderdelen van de vordering niet toewijsbaar zijn.

2.29. Met betrekking tot het gedeelte van de overgelegde retourbonnen en verzendnota’s dat betrekking heeft op rollies heeft de rechtbank in r.o. 2.17 beslist dat de daar bedoelde vordering van FFE niet toewijsbaar is. Wél toewijsbaar is de vordering die ziet op de overige rollies die zijn genoemd in de toelichting en waarvan de verzendnota’s en retourbonnen zijn overgelegd. In r.o. 2.19 heeft de rechtbank beslist dat de waarde van de rollies € 45,-- per stuk bedraagt. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om van het vorenstaande een optelling te maken en die berekening in het geding te brengen.

2.30. Boni heeft verder tegen een aantal specifieke retourzendingen van FFA verweer gevoerd. Het gaat ten eerste om retourbon 13748 van FFA uit 2004. Volgens Boni komt die retourbon twee keer voor en vordert Food Factory ten onrechte een bedrag van € 22,69, hetgeen door Food Factory is erkend, zodat dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is.

2.31. Vervolgens betwist Boni de creditering wegens retourbon 13652 van FFA in 2004.

Volgens de toelichting van Food Factory heeft Boni een bedrag van € 509,52 te weinig gecrediteerd wegens de retourzending van 132 CBL kratten. Uit de bijgevoegde retourbon blijkt dat 466 CBL kratten zijn geretourneerd terwijl volgens de verzendnota (nummer 309110) 400 CBL kratten zijn gecrediteerd. Dit betekent dat Food Factory is geslaagd in het bewijs dat 66 door FFA retourgezonden CBL kratten ten onrechte niet zijn gecrediteerd door Boni. De vordering van FFA is dan toewijsbaar tot een bedrag van 66 x € 3,86 =

€ 254,76 en het meerdere (€ 254,76) zal worden afgewezen.

2.32. Boni voert ten aanzien van retourbon 20315 van FFA uit 2004 het volgende aan: ‘Op de bon staat 144 dolly; op het verzameloverzicht 14 dolly; op de bon staat 6 keer het aantal 24. Dit duidt op 6 keer 24 kratten ipv dolly’. De rechtbank begrijpt hieruit dat Boni betwist dat Food Factory is geslaagd in het bewijs met betrekking tot de 14 dollies die in de toelichting als ten onrechte niet gecrediteerd staan vermeld.

Food Factory heeft naar aanleiding van het verweer van Boni als volgt gereageerd: ‘Op de bon zijn de juiste aantallen te crediteren dollies aangegeven. Er is door de chaffeur van Boni voor de ontvangst van deze dollies getekend. De vordering moet dus worden verhoogd met 130 dollies à € 30,=, derhalve met € 3.900,=’. Food Factory is niet ingegaan op het verweer van Boni dat de retourzending geen betrekking heeft op dollies maar op kratten. Food Factory heeft daardoor het verweer van Boni onvoldoende ontkracht. Dit heeft tot gevolg dat Food Factory op dit onderdeel niet is geslaagd in het opgedragen bewijs en dat de hiermee corresponderende vordering van € 420,-- niet toewijsbaar is.

2.33. Met betrekking tot de retourbonnen 20324, 20331 en 28008 van FFA uit 2004 heeft Boni aangevoerd dat ofwel de retourbon ofwel de verzendnota niet is overgelegd door Food Factory en dat zij niet kan controleren of deze onderdelen van de vordering correct zijn.

Food Factory heeft bij de antwoordconclusie tevens akte vermindering eis in reconventie nog bescheiden in het geding gebracht, waaronder volgens Food Factory de drie door Boni bedoelde bescheiden. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen en beslist dat zij die bescheiden buiten beschouwing laat, zodat Food Factory op deze onderdelen niet is geslaagd in het opgedragen bewijs. De corresponderende vorderingen van FFA van respectievelijk € 654,97, € 166,14 en € 105,38 zijn daarom niet toewijsbaar.

2.34. Ten aanzien van retourbon 7832 van FFA uit 2005 voert Boni aan dat onduidelijk is welke ‘grijze kratjes’ het betreft. Volgens de toelichting van Food Factory heeft Boni ten onrechte een bedrag van € 165,98 niet gecrediteerd wegens de retourzending van 43 CBL kratten. Op de genoemde retourbon staat vermeld dat 43 grijze kratten retour worden gezonden. Op die retourbon staat verder nog vermeld de retourzending van 116 CBL kratten à € 3,86 per stuk en die zijn volgens de bijbehorende verzendnota wel gecrediteerd door Boni.

De rechtbank heeft geconstateerd dat zich bij de door Food Factory in het geding gebrachte bewijsstukken diverse retourbonnen bevinden waarop aantallen ‘grijze kratten’ staan vermeld en dat uit de bijbehorende verzendnota’s blijkt dat die aantallen grijze kratten wel zijn gecrediteerd door Boni. In verband hiermee en gelet op het feit dat door Boni niet is betwist dat die bewuste grijze kratten aan haar zijn geretourneerd, is de rechtbank van oordeel dat Food Factory op dit onderdeel is geslaagd in het opgedragen bewijs. Het bedrag van € 165,98 is dus toewijsbaar.

2.35. Boni heeft met betrekking tot retourbon 4431 van FFA uit 2005 ook aangevoerd dat het onduidelijk is welke 6 ‘grijze kratten’ het betreft. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat hiervoor in r.o. 2.34 is overwogen en komt tot de conclusie dat Food Factory op dit onderdeel is geslaagd in het bewijs. Het gevorderde bedrag van € 23,16 is toewijsbaar.

2.36. Door Boni is verder geen concreet verweer gevoerd tegen specifieke retourzendingen van FFE.

2.37. De overige door Food Factory overgelegde retourbonnen en verzendnota’s zijn door Boni niet weersproken zodat de daarmee corresponderende vorderingen van Food Factory toewijsbaar zijn. Partijen worden in de gelegenheid gesteld het totaal daarvan te berekenen en die berekening in het geding te brengen.

2.38. Voordat de rechtbank definitief kan beslissen dienen partijen, als eerste Food Factory, rekening houdende met de hiervoor vermelde beslissingen van de rechtbank, de in 2.29 en 2.37 genoemde berekeningen in het geding te brengen. In verband hiermee zal de zaak op de rol worden geplaatst voor akte aan de zijde van Food Factory.

3. De beslissing

De rechtbank

in reconventie

3.1. plaatst de zaak op de rol van 29 oktober 2008 voor akte aan de zijde van Food Factory,

in conventie en in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. T.P.E.E van Groeningen en mr. M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2008.

Coll: MV