Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BF8564

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-09-2008
Datum publicatie
13-10-2008
Zaaknummer
10/603040-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank legt gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden op voor mislukte invoer van cocaïne in Nederland. Verweer dat geen sprake is van voorbereidingshandelingen, maar uitvoeringshandelingen wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

PROMIS II

Parketnummer : 10/603040-07

Datum zitting : 11 september 2008

Datum uitspraak : 18 september 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

Raadsman mr. C.M.P. Jongsma, advocaat te Rotterdam.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat: of

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 7 oktober 2006 te Rotterdam en/of Hellevoetsluis en/of Zuidland en/of Hendrik Ido Ambacht en/of Heijplaat en/of Spijkenisse en/of Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, althans op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 360 kilogram, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- ontmoetingen gehad en/of (telefonisch) contact onderhouden met en/of informatie en/of instructies gegeven aan de chauffeur van de vrachtwagencombinatie, die de container vervoerde waarin de cocaïne verborgen zou zijn, althans is geweest en/of

- via het bedrijf Perzich.nl B.V. correspondentie gevoerd met MAC Trading BVBA te Antwerpen en/of het bedrijf Int. Transport [betrokkene 7] B.V. te Wateringen over het vervoer van Antwerpen naar Nederland van de container waarin de cocaïne verborgen zou zijn, althans is geweest en/of de kosten van dat vervoer en/of

- (een) ontmoeting(en) gehad en/of afspraken gemaakt met en/of instructies gegeven aan de verhuurder van een loods te Zuidland over het aldaar lossen van de container waarin de cocaïne verborgen zou zijn, althans is geweest en/of over het aldaar opslaan van de (dek)lading van die container en/of

- als bestuurder/inzittende van een (personen)auto de vrachtwagencombinatie, die de container vervoerde waarin de cocaïne verborgen zou zijn, althans is geweest, (een deel van) de reis naar Den Hoorn begeleid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 september 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Als uitdrukkelijk gemachtigde is aanwezig mr. C.M.P. Jongsma, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

19 september 2006

Op 19 september 2006 werd er een controle uitgevoerd in de haven te Caulcedo (Dominicaanse Republiek) op twee containers. Bij die controle werd ongeveer 2.500 kilo cocaïne aangetroffen. De containers waren bestemd voor “Chelsea’s Gym”, [adres], Antwerpen, België De zaakvoerder was medeverdachte [medeverdachte 1].

Op hetzelfde adres waren meerdere firma’s gevestigd, waaronder MAC-Trading. De zaakvoerder van deze zaak betrof eveneens medeverdachte [medeverdachte 1]. Voornoemde gegevens werden doorgegeven aan de Douane opsporingen te Antwerpen. Van deze dienst werd vernomen dat er op 26 september 2006 een container met nummer TTNU936958-0 was aangekomen in de haven van Antwerpen bestemd voor de firma MAC-Trading.

27 september 2006

In de container met het nummer TTNU936958-0 werden op 27 september 2006, 64 pakken met cocaïne aangetroffen Volgens de weging bedroeg de hoeveelheid cocaïne 360 kilogram. De monsters van de in de container met nummer TTNU936958-0 aangetroffen substantie, waarvan het vermoeden bestond dat het cocaïne betreft, zijn door de door de Belgische onderzoeksrechter B. de Hous aangestelde deskundige dr. Apr. Jan Cordonnier getest. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de aangetroffen monsters cocaïne bevatten. Voornoemde cocaïne werd aangetroffen in een dubbele wand van de container.

Naar aanleiding van deze vondst stelde de Belgische autoriteiten zichzelf ten doel de bij dit strafbare feit betrokken verdachten te achterhalen. Daartoe werd de cocaïne uit de container gehaald en detectieapparatuur in de container geplaatst.

Op grond van een rechtshulpverzoek van België aan Nederland werd door de Nationale Recherche de observatie op Nederlands grondgebied overgenomen van de Belgische autoriteiten.

5 oktober 2006

Op 5 oktober 2006, om 15.35 uur, kreeg het Nederlandse observatieteam van het Belgische observatieteam te horen dat de vrachtwagen met container in de nabijheid van de Nederlandse grens rijdt.

De vrachtwagen, met kenteken [nummer], werd begeleid door een BMW met het Nederlandse kenteken [nummer] met daarin 2 inzittenden. Het kenteken van voornoemde BMW is afgegeven aan J. van der Have .

Op 5 oktober 2006, om 16.00 uur, werd de observatie van het Belgische observatieteam overgenomen.

Tijdens de gehele observatie, van 5 oktober 2006 tot en met 7 oktober 2006, is de groene BMW met kenteken [nummer] regelmatig in beeld geweest en verbleef deze telkens langere tijd in de omgeving van de vrachtwagen.

Op 5 oktober 2006, om 16.35 uur, werd gezien dat de vrachtwagen de snelweg A15 verliet en een industrieterrein opreed, gelegen tussen de Willem Barentzweg en de Abel Tasmanweg te Rotterdam. De vrachtwagencombinatie en de BMW werden geparkeerd op een parkeerterrein.

Diezelfde dag, om 17.56 uur, reden de vrachtwagen en BMW vanaf de parkeerplaats richting de snelweg A15. Om 19.19 uur, die dag, werd geconstateerd dat de vrachtwagencombinatie aan de Langeweg te Zuidland een loods inreed. De BMW reed in de buurt rond.

Om 19.20 uur, die dag, vertrok het trekkende voertuig. De container bleef in de loods staan.

Om 19.22 uur, die dag, maakte de bestuurder van de BMW contact met de bestuurder van een grijze auto (dit betreft een grijze Opel Vectra met kenteken [nummer] op naam van [betrokkene 1] ). Om 19.27 uur, die dag, werd een witte Mercedes bestelbus, type Sprinter gezien met kenteken [nummer] (deze bestelbus staat op naam van [betrokkene 2] ).

Om 20.10 uur, die dag, ging de vrachtwagencombinatie weer rijden, gevolgd door de BMW met kenteken [nummer] en de Mercedes Sprinter met kenteken [nummer].

Om 20.15 uur, die dag, werd geconstateerd dat achter de vrachtwagen ook een VW polo, met kenteken [nummer] en een Mitsubishi Galant, grijs van kleur met kenteken [nummer] meereden: de kentekens stonden op naam van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .

Om 20.57 uur, die dag, werd gezien dat de vrachtwagen, de BMW, VW Polo, Mercedes Sprinter en Mitsubishi achter elkaar de A15 opreden, vervolgens de afslag namen naar de A16 richting Hendrik Ido Ambacht. Aan de A16 werd geparkeerd bij de McDonalds. De verbalisanten hebben daarbij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] herkend,

De videobeelden van de MacDonalds te Spijkenisse zijn onderzocht. Daaruit blijkt dat de volgende personen op 6 oktober 2006 tussen 15.54 uur en 16.33 uur het filiaal door de hoofdingang betreden dan wel verlaten: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6].

Om 21.45, die dag, uur reed de vrachtwagencombinatie richting Zwijndrecht.

Om 21.50 uur, die dag, verliet de vrachtwagen de A16 en reed vervolgens weer de A16 op in de richting van Hendrik Ido Ambacht. Vervolgens werd de tocht voortgezet op de A15 in de richting van Pernis. Bij en rondom de vrachtwagen reden, de gehele tijd, de groene BMW en de Mercedes Sprinter.

Vervolgens reed de vrachtwagencombinatie die avond richting Heijplaat alwaar op de Bunschoterweg werd gestopt.

Om 22.15 uur, die dag, werd gezien dat de BMW bij de vrachtwagencombinatie staat. De oplegger werd met de achterkant strak tegen een andere container wordt aangezet en afgekoppeld.

Om 22.47 uur, die dag, nadat de trekker was vertrokken, werd gezien dat de BMW in de omgeving van de container rondreed.

Tussen 5 oktober 2006, 22.47 uur, en 6 oktober 2006, 07.22 uur, kwam de Mercedes Sprinter bijna ieder uur in beeld bij de observerende verbalisanten.

6 oktober 2006

Op 6 oktober 2006, 08.00 uur, werd een Mitsubishi met kenteken [nummer] in de directe omgeving van de Bunschoterweg gesignaleerd. Voornoemde Mitsubishi met kenteken [nummer] stond op naam van [medeverdachte 6], wonende [adres], [woonplaats]. Tussen 10.09 uur en 12.42 uur, die dag, werd de Mercedes Sprinter met het kenteken [nummer] regelmatig gesignaleerd in de buurt van de Bunschoterweg alwaar de container staat. Vanaf 11.49 uur, die dag, werd de BMW met kenteken [nummer] wederom gesignaleerd en vanaf 13.56 uur ook de Opel Vectra met kenteken [nummer].

Om 13.57 uur, die dag, reed de oplegger met container in de richting van de Waalhavenweg te Rotterdam, gevolgd door de Mercedes Sprinter. Om 14.25 uur stond de vrachtwagencombinatie geparkeerd voor een loods op een industrieterrein aan de Raadsherenhoek te Zuidland. Daar stond ook de Mercedes Sprinter met twee personen.

Om 15.04 uur werd een Audi, type A4 met kenteken [nummer] gesignaleerd. Deze Audi A4 stond op naam van [betrokkene 5]. Om 15.29 uur reed de vrachtwagencombinatie weg in de richting van de Haasdijk te Zuidland. De Mercedes Sprinter reed eveneens in dezelfde richting.

Om 15.55 uur werd de vrachtwagencombinatie geparkeerd aan de Mosterweg te Spijkenisse. Tegenover het parkeerterrein waar de vrachtwagencombinatie geparkeerd stond, werd de Audi A4 ook gezien door de verbalisanten. De videobeelden van de MacDonalds te Spijkenisse zijn onderzocht door de verbalisanten. Daaruit bleek dat medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in de McDonalds aanwezig waren.

Om 16.46 uur, die dag, vertrok de vrachtwagencombinatie om vervolgens op 17.34 uur, die dag, te parkeren op het parkeerterrein Ruyven aan de rijksweg A13.

Om 18.27, die dag, uur kwamen de vrachtwagencombinatie en Mercedes Sprinter aan op het bedrijfsterrein van [betrokkene 6] aan de [adres] te Den Hoorn. Ook de BMW voegde zich daarbij. Om 19.24 uur, die dag, verliet de truck het terrein.

Tussen 6 oktober 2006, 21.40 uur, en 7 oktober 2006, 00.40 uur, werd gezien dat de Sprinter met het kenteken [nummer] regelmatig in de directe omgeving van de container rondreed. Ook werd een Mitsubishi Galant met kenteken [nummer] in de nabijheid van de container gezien.

7 oktober 2006

Op 7 oktober 2006 te 08.00 uur werd de Audi A4 met kenteken [nummer] gesignaleerd. Om 08.40, die dag, uur werd wederom de BMW met kenteken [nummer] gesignaleerd. Om 11.30 uur, die dag, stond de Mitsubishi met kenteken [nummer] op het bedrijfsterrein van [betrokkene 6].

Naar aanleiding van het voorgaande werd op 7 oktober 2006 tussen 11.35 uur en 11.40 uur, een groot deel van de medeverdachten in deze zaak in de directe omgeving van de container aangehouden.

Het gaat om de volgende personen:

medeverdachte [medeverdachte 9], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]; medeverdachte [medeverdachte 10], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]; medeverdachte [medeverdachte 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

medeverdachte [medeverdachte 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

medeverdachte [medeverdachte 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

medeverdachte [medeverdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

medeverdachte [medeverdachte 5], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]; en

medeverdachte [medeverdachte 6], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Verdachte is niet voor deze zaak aangehouden, aangezien hij reeds in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek gedetineerd zat.

Vast staat dat verdachte de container heeft gekocht, hij het transport van de container geregeld heeft, een en ander via het bedrijf Perzich.nl B.V. van Ghorbanian regelde , (telefonisch) ontmoetingen heeft gehad, contact onderhouden met en informatie en instructies heeft gegeven aan de chauffeur van de vrachtwagencombinatie [betrokkene 7], in het Distripark te Rotterdam, die de container vervoerde waarin de cocaïne verborgen is geweest , hij via het bedrijf Perzich.nl B.V. correspondentie heeft gevoerd met MAC Trading BVBA te Antwerpen en het bedrijf Int. Transport [betrokkene 7] B.V. te Wateringen over het vervoer van Antwerpen naar Nederland van de container waarin de cocaïne verborgen is geweest en de kosten van dat vervoer , ontmoetingen heeft gehad en afspraken heeft gemaakt en instructies heeft gegeven aan de verhuurder van een loods te Zuidland, Van den Berg, over het aldaar lossen van de container waarin de cocaïne verborgen is geweest alsmede over het aldaar opslaan van de deklading van die container . Verdachte herkent diverse documenten welke door [betrokkene 9] zijn opgesteld en erkent dat het handschrift op die documenten van hem is .

Het standpunt van verdachte

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake van opzet in de zin van wetenschap op de aanwezigheid van harddrugs. Voorts is geen sprake van voorbereidingshandelingen dan wel bevorderingshandelingen nu de door verdachte verrichte handelingen allen uitvoeringshandelingen waren. Daarom zal verdachte moeten worden vrijgesproken (of worden ontslagen van alle rechtsvervolging) van het hem tenlastegelegde.

Het standpunt van de officier van justitie

Op grond van een eerdere veroordeling van verdachte ter zake overtreding van de Opiumwet , de verklaring van verdachte ten overstaan van de politie, waarin hij heeft verklaard de hem verweten handelingen zoals tenlastegelegd te hebben gepleegd, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd.

Beoordeling van de standpunten

De rechtbank overweegt als volgt.

De getuige [betrokkene 7] heeft verklaard in 2000 te zijn vrijgesproken in een Opiumwetzaak. De getuige [betrokkene 7] kende verdachte van uit die zaak. Verder heeft de getuige verklaard verdachte wederom te hebben ontmoet en verdachte wilde ook nu weer zaken doen met de getuige [betrokkene 7] . Uit de verklaring van de getuige [betrokkene 7], zoals hiervoor opgenomen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wel degelijk opzet had om drugs Nederland in te voeren en daaromtrent voorbereidingshandelingen en bevorderinghandelingen heeft uitgevoerd in verband met de invoer van een partij harddrugs in Nederland. Die wetenschap volgt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen uit de verklaring van de getuige [betrokkene 7], maar ook uit het feit dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet en verdachte zich ook nu weer heeft ingelaten met een containertransport dat op een uitzonderlijke manier is begeleid en afgeleverd in Nederland.

Door de raadsman is bepleit dat in de onderhavige zaak geen sprake is van voorbereidingshandelingen en bevorderingshandelingen.

Datgene wat verdachte verweten kan worden zijn uitvoeringshandelingen / voltooiinghandelingen. Het verweer van de raadsman wordt door de rechtbank opgevat als een “dakdekkerverweer”. Dit betreft een bewijsverweer nu het gaat om de uitleg van het begrip voorbereidingshandelingen/ bevorderingshandelingen en het tenlastegelegde niet kan worden bewezenverklaard als de rechtbank het verweer van de verdediging zou volgen.

Dit verweer slaagt echter niet. In artikel 10a van de Opiumwet is de strafbaarheid ook aanwezig als het misdrijf, omschreven in artikel 10, derde lid of vierde lid, van de Opiumwet of de strafbare poging daartoe wel heeft plaatsgevonden. Weliswaar zal, indien het misdrijf is voltooid, of althans het pogingstadium werd bereikt, aan een vervolging ter zake van voorbereidings- of bevorderingshandelingen niet altijd in die mate behoefte bestaan als in het geval dat die laatst bedoelde handelingen niet het beoogde resultaat hebben gehad, maar, mede in verband met eventuele bewijsmoeilijkheden, achtte de wetgever het wenselijk dat een mogelijke strafvervolging ter zake van de gepleegde voorbereidings- of bevorderingshandelingen niet bij voorbaat is uitgesloten. Hieruit volgt dat verdachte door het begeleiden en bewaken van het transport en het contact onderhouden met de chauffeur, samen met anderen voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft verricht voor het binnen het grondgebied brengen, vervoeren en afleveren van cocaïne.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 7 oktober 2006 te Rotterdam en Hellevoetsluis en Zuidland en Hendrik Ido Ambacht en Heijplaat en Spijkenisse en Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 360 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe middelen en inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- ontmoetingen gehad en (telefonisch) contact onderhouden met en informatie en instructies gegeven aan de chauffeur van de vrachtwagencombinatie, die de container vervoerde waarin de cocaïne verborgen is geweest en

- via het bedrijf Perzich.nl B.V. correspondentie gevoerd met MAC Trading BVBA te Antwerpen en het bedrijf Int. Transport [betrokkene 7] B.V. te Wateringen over het vervoer van Antwerpen naar Nederland van de container waarin de cocaïne verborgen is geweest en de kosten van dat vervoer en

- ontmoetingen gehad en afspraken gemaakt met en instructies gegeven aan de verhuurder van een loods te Zuidland over het aldaar lossen van de container waarin de cocaïne verborgen is geweest en over het aldaar opslaan van de deklading van die container.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Het medeplegen van het misdrijf: Om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, daartoe behulpzaam zijn en om daartoe zich of een ander middelen en inlichtingen te verschaffen.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

Zoals hiervoor al is vermeld heeft de officier van justitie geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 01 augustus 2008.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Hoewel verdachte niet kan worden gezien als een van de organisatoren van het gehele transport, heeft hij een belangrijke rol gespeeld bij het vervoer van de container van Antwerpen naar Nederland. Verdachte kan gezien worden als de leider van de losploeg en vervulde samen met [medeverdachte 12] de rol van logistiek organisator. Hoewel verdachte slechts een beperkte rol heeft gespeeld bij het gehele transport vanuit Zuid-Amerika naar Nederland, kunnen transporten als het onderhavige niet plaatsvinden zonder de medewerking van mensen als verdachte.

Enkel door het optreden van de Belgische douane is er geen sprake van een voltooide invoer van de cocaïne.

De rechtbank hanteert in deze zaak als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden voor een rol zoals verdachte die heeft gespeeld en bij een transport van de onderhavige omvang.

De invoer van cocaïne, in het bijzonder van enorme hoeveelheden zoals bij het onderhavige transport, draagt in hoge mate bij aan de handel in en het gebruik van cocaïne waardoor de volksgezondheid in het algemeen ernstig wordt bedreigd. Voorts wordt hierdoor bevorderd dat gebruikers vermogensdelicten plegen om in hun drugsgebruik te kunnen bekostigen. Deze criminaliteit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Gelet op de rol van verdachte in het geheel, ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt.

Verdachte heeft zich, ondanks zijn eerdere veroordelingen wederom ingelaten met een drugstransport. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan en zal daar in de strafoplegging, ten nadele van verdachte, rekening houden. Dit betekent dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden aan verdachte opgelegd zal worden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 63, 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 10, 10a en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar en 6 (zes) maanden.

Aldus gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, rechter, als voorzitter,

mr. M. Jurgens, rechter,

mr. J.J.H. van Laethem, rechter,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op