Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BF1555

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
19-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/3295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering van het college om de verleende drank- en horecavergunning van horecaonderneming in te trekken. Van het college had een verdergaand onderzoek mogen worden verwacht middels controlebezoeken en bijvoorbeeld een boekenonderzoek naar de feitelijke exploitatie en of deze in overeenstemming met de vergunning is. Het beroep is derhalve gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/3295

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 augustus 2008

inzake

de vereniging Afdeling Zevenaar, Doesburg en Angerlo van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland, eiseres,

gevestigd te Zevenaar, vertegenwoordigd door [A], werkzaam bij het Bureau Eerlijke Mededinging (BEM),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 juli 2007.

2. Procesverloop

Bij brief van 26 januari 2007, aangevuld op 23 maart 2007, heeft het BEM namens eiseres verweerder verzocht de aan Sportclub Doesburg ’65 verleende drank- en horecavergunning in te trekken.

Bij besluit van 17 april 2007 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door het BEM namens eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is door het BEM namens eiseres beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 mei 2008. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door [A] en [B], werkzaam bij het BEM. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Lokhorst, werkzaam bij de gemeente Doesburg.

3. Overwegingen

Verweerder heeft bij besluit van 22 december 2006 aan de vereniging Sportclub Doesburg ’65, gevestigd te Doesburg, een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in de kantine van de vereniging. Daaraan is een aantal voorschriften verbonden met betrekking tot (onder andere) de aard van de activiteiten die in de kantine mogen plaatsvinden, de openingstijden en het schenken van alcohol.

Aan het verzoek tot intrekking van de vergunning heeft eiseres kort samengevat ten grondslag gelegd, dat de kantine middels een schijnconstructie wordt geëxploiteerd. De kantine wordt volgens eiseres niet door Sportclub Doesburg ’65, maar door de heer [X] geëxploiteerd. Voorts stelt eiseres, dat de aan de vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot de openingstijden van de kantine en de activiteiten die in de kantine plaats mogen vinden, niet worden nageleefd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 17 april 2007, waarbij is geweigerd om de vergunning in te trekken, gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd, dat blijkens inlichtingen van Sportclub Doesburg ’65 de kantine niet wordt verpacht en ook nooit is verpacht aan [X] en dat de exploitatie volledig door Sportclub Doesburg ’65 wordt uitgeoefend. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld, dat bij de aanvraag juiste en volledige gegevens zijn verstrekt en dat de vergunning dan ook op basis van juiste gegevens is verleend. Bovendien is volgens verweerder geen sprake van overtreding van de vergunningvoorschriften.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 1º, van de DHW wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet en voor zover hier van belang onder leidinggevende verstaan: de natuurlijke persoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend.

In artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW is bepaald dat een vergunning wordt ingetrokken, indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

In artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW is bepaald dat een vergunning wordt ingetrokken indien een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a, van de DHW is bepaald dat een vergunning voorts kan worden ingetrokken, indien is gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, bedoeld in artikel 4 of artikel 23, derde lid.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren omdat volgens verweerder niet duidelijk is tegen welk besluit het beroep is gericht. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, omdat uit het beroepschrift van 7 augustus 2007 voldoende blijkt dat het beroep tegen het bestreden besluit is gericht.

Eiseres stelt dat het bestreden besluit op onvoldoende onderzoek berust, omdat geen nader onderzoek is verricht naar de feitelijke gang van zaken omtrent de exploitatie van de kantine en evenmin gerichte controles zijn uitgevoerd op naleving van de vergunningvoorschriften. Deze stellingen van eiseres treffen doel, waartoe de rechtbank het volgende overweegt.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister werd de kantine met ingang van 1 januari 2007 voor rekening van [X] geëxploiteerd. Bij brief van 26 januari 2007 heeft verweerder aan Sportclub Doesburg ’65 medegedeeld, dat exploitatie van de kantine door [X] in strijd met de vergunning is. Verweerder gaf Sportclub Doesburg ’65 nog éénmaal de gelegenheid om kenbaar en aannemelijk te maken dat de sportclub zich conformeert aan de vergunning. Daarbij heeft verweerder aangegeven, dat in ieder geval de inschrijving in het handelsregister dient te worden gewijzigd en dat ook anderszins zal moeten blijken dat de huidige situatie geen schijnconstructie is. Bij brief van 29 januari 2007 heeft Sportclub Doesburg ’65 verweerder kort gezegd medegedeeld, dat het in de bedoeling ligt de kantine in de toekomst te verpachten aan [X], maar dat te voortvarend was gehandeld. De intentieverklaring om de kantine aan [X] te verpachten is ingetrokken, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel is ongedaan gemaakt en de exploitatie van de kantine loopt vanaf dat moment weer volledig voor rekening van de vereniging.

Uit het vorenstaande blijkt dat reeds kort nadat verweerder bij besluit van 22 december 2006 aan de sportclub een drank- en horecavergunning heeft verleend, de feitelijke situatie niet in overeenstemming met de verleende vergunning blijkt te zijn. Voorts is de rechtbank uit de stukken gebleken, dat de door de sportclub gevraagde vergunning in november 2006 is geweigerd omdat de feitelijke situatie niet overeenstemming met de aanvraag was. Onder deze omstandigheden kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet enkel afgaan op de van Sportclub Doesburg ’65 verkregen informatie over de exploitatie van de kantine. Van verweerder had een verdergaand onderzoek mogen worden verwacht middels controlebezoeken en bijvoorbeeld een boekenonderzoek naar de feitelijke exploitatie van de kantine van de sportclub en of deze in overeenstemming met de vergunning is. Het voorgaande is niet alleen van belang in het licht van de in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW neergelegde intrekkingsgrond, maar ook in het licht van de intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW, nu die bepaling intrekking van de vergunning voorschrijft indien een niet op de vergunning vermelde persoon leidinggevende is geworden, en in artikel 1, eerste lid, onder 1º, van de DHW een leidinggevende, voor zover hier van belang, wordt gedefinieerd als de natuurlijke persoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel, dat het standpunt van verweerder dat er geen aanleiding bestaat om de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de DHW in te trekken, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

Het standpunt van verweerder, dat er geen aanleiding bestaat om de vergunning op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a, van de DHW in te trekken, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens ondeugdelijk gemotiveerd. Bij de behandeling van het beroep ter zitting is namens verweerder verklaard, dat van de door de politie verrichte controles op naleving van de vergunningvoorschriften geen rapportages zijn gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat niet verifieerbaar is hoe vaak en wanneer de controles hebben plaatsgevonden en evenmin wat de bevindingen van die controles zijn geweest.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank voor een bespreking van de overige stellingen van eiseres geen aanleiding.

De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Doesburg aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Doesburg het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 285 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, en mrs. H.J.M. Besselink en

J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 26 augustus 2008