Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BF1398

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-09-2008
Datum publicatie
19-09-2008
Zaaknummer
ZWB 08/1282
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen beoordeling gegrond verklaard wegens strijd met verbod van reformatio in peius. Bovendien voor eiseres onduidelijk wat de resultaatafspraken waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/1282 AW

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 2 september 2008

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. P.R. Reitsma,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 januari 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft verweerder de beoordeling van eiseres over de periode van 6 februari 2006 tot en met 31 december 2006 vastgesteld. Bij besluit van 28 september 2007 is deze beoordeling ingetrokken en is een gewijzigde beoordeling vastgesteld met handhaving van het eindoordeel.

In het onder 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het genoemde besluit van 28 september 2007 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank van 31 juli 2008. Voor eiseres is daar verschenen mr. P.R. Reitsma, advocaat te Harderwijk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. D.D. Vloedbeld en [leidinggevende], beiden werkzaam bij de gemeente Arnhem.

3. Overwegingen

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is sinds 1990 werkzaam bij de gemeente Arnhem in de functie van [functienaam] bij de afdeling [naam afdeling]. Sinds 2004 wordt door verweerder het systeem van resultaatgericht beoordelen gehanteerd. Conform de Handleiding Resultaatgericht Beoordelen (verder: HRB) heeft op 6 februari 2006 een zogeheten planningsgesprek plaatsgevonden tussen eiseres en haar leidinggevende, [leidinggevende]. Blijkens een ongedateerd en niet ondertekend planningsformulier zijn met eiseres een zestal (resultaat)afspraken gemaakt.

Op 12 juni 2006 heeft een vervolggesprek met eiseres plaatsgevonden waarbij zij volgens haar het planningsformulier voor het eerst onder ogen heeft gekregen en waarbij tussen eiseres en haar leidinggevende discussie is ontstaan over de inhoud en reikwijdte van de op 6 februari 2006 gemaakte afspraken.

Op 12 december 2006 heeft er tussen eiseres en [leidinggevende] een beoordelingsgesprek plaatsgevonden over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. Het functioneren van eiseres is daarbij beoordeeld met score 3, hetgeen inhoudt dat de werknemer niet geheel volgens de gestelde eisen functioneert en dat op enkele punten verbetering noodzakelijk is. Deze beoordeling is op 21 december 2006 vastgesteld, maar eerst op 18 mei 2007 op de voorgeschreven wijze aan eiseres bekend gemaakt.

Eiseres heeft tegen deze beoordeling bezwaar gemaakt. Hangende dit bezwaar heeft verweerder in een brief van 10 augustus 2007 de beoordeling van 20 december 2006 ingetrokken en vervangen door een gewijzigde beoordeling over de periode 1 januari tot en met 11 december 2006. Hierbij is de motivering aangepast en is de score van drie gehandhaafd. Nadat eiseres hierop een schriftelijke reactie heeft ingediend, heeft verweerder bij besluit van 28 september 2007 de aangepaste beoordeling vastgesteld. Het bezwaar van eiseres is met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen de nieuwe beoordeling. Eiseres heeft op 24 oktober 2007 nog afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde beoordeling.

De bezwarencommissie van verweerder heeft, na eiseres en verweerder te hebben gehoord, op 12 december 2007 verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Hierop heeft verweerder in navolging van dit advies het bestreden besluit genomen.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich (samengevat) op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod van reformatio in peius, dat onduidelijk was op welke punten zij beoordeeld zou worden omdat zij niet beschikte over de schriftelijke planningsafspraken, dat er geen voortgangs- of functioneringsgesprekken zijn gevoerd en dat enkele beoordeelde taken of resultaten niet tot haar functieomschrijving behoren.

De rechtbank moet beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, is de rechterlijke toetsing in een geval als dit beperkt tot de vraag of de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Het uitgangspunt bij een negatieve of niet (geheel) voldoende beoordeling is dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een dergelijke beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven iedere twijfel verheven is maar dat in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waardering de evenbedoelde toetsing kan doorstaan.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de grief van eiseres, dat de vaststelling van de gewijzigde beoordeling op 28 september 2007 hangende het bezwaar tegen de oorspronkelijke beoordeling reformatio in peius oplevert, doel treft. Verweerder heeft immers na kennisneming van het bezwaarschrift tegen de eerste beoordeling intern besloten tot aanpassing hiervan, waarbij in vergelijking met de oorspronkelijke beoordeling de motivering en de kwalificaties met betrekking tot de onderscheidene resultaatsafspraken en overige gezichtspunten in voor eiseres ongunstige zin aanmerkelijk zijn gewijzigd en aangevuld. Hieraan doet niet af dat de eindscore van 3 punten voor het algeheel functioneren is gehandhaafd. Indien bij een beoordeling wordt vastgesteld dat de ambtenaar niet geheel aan de gestelde eisen voldoet, hangen eventuele rechtspositionele gevolgen hiervan immers nauw samen met de daaraan ten grondslag gelegde motiveringen. De rechtbank stelt vast dat in de oorspronkelijke beoordeling uiterst summiere en relatief neutrale formuleringen zijn gebezigd, terwijl in de gewijzigde beoordeling op ieder aspect een algemeen oordeel is gegeven en vervolgens per gezichtspunt specifieke kwalificaties zijn toegekend op een viertal criteria. Uit zowel de algemene als de specifieke bevindingen rijst onmiskenbaar een negatiever beeld op van het functioneren van eiseres dan uit de eerste beoordeling naar voren komt. Aldus is eiseres als gevolg van haar bezwaar in een nadeliger positie gekomen dan zij zonder dat bezwaar zou zijn geweest. Het bestreden besluit dient reeds om die reden te worden vernietigd.

Ook op inhoudelijk gronden is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling niet in stand kan blijven. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat het eerder genoemde planningsformulier niet op 6 februari 2006 door eiseres en haar leidinggevende is ondertekend. Ter zitting heeft de (toenmalige) leidinggevende van eiseres verklaard dat er op die datum geen overeenstemming is bereikt over de inhoud van de resultaatafspraken en dat hij die toen eenzijdig heeft vastgesteld. Volgens eiseres zou hieromtrent nog een vervolgafspraak worden belegd en heeft zij uiteindelijk pas op 12 juni 2006 het niet gedateerde en ongetekende planningsformulier gezien. Vastgesteld moet worden dat aldus niet is voldaan aan hetgeen in de HRB ten aanzien van de vastlegging van de resultaatafspraken uitdrukkelijk is voorgeschreven, zodat ook niet genoegzaam aannemelijk is geworden welke concrete resultaat- en andere afspraken met eiseres op 6 februari 2006 zijn gemaakt. Nu uit de HRB tevens blijkt dat de leidinggevende verantwoordelijk is voor het opstellen en de inhoud van het planningsformulier dat tijdens het beoordelingsgesprek als uitgangspunt voor de beoordeling wordt gebruikt, moet het risico dat meningsverschillen bestaan over de juiste inhoud en omvang van de (plannings)afspraken voor rekening van verweerder blijven. Hieruit volgt mitsdien dat in elk geval niet voldoende duidelijk is geworden welke concrete afspraken tussen eiseres en haar leidinggevende nu wel of niet als resultaatafspraken hadden te gelden, zodat het planningsformulier niet als deugdelijke grondslag voor de beoordeling kon dienen. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust.

De overige door eiseres opgeworpen grieven behoeven op grond van het vorenstaande geen nadere bespreking. De rechtbank wil in dit verband nog wel opmerken dat het ontbreken van verslagen van functionerings- en voortgangsgesprekken met eiseres in dit geval als een ernstig gemis wordt ervaren. Gelet op de beoordelingen in de twee voorafgaande jaren, waarbij het functioneren van eiseres ook niet van kritiek was ontbloot, had het alleszins in de rede gelegen dat de leidinggevende van eiseres gebruik had gemaakt van het in de HRB als "optimale model" omschreven scenario 2.

Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook het primaire besluit van 28 september 2007 en - voor zover nodig - het besluit van 16 mei 2007 te herroepen, omdat bij een nieuw te nemen besluit op het bezwaar de aan het bestreden besluit klevende gebreken niet meer kunnen worden hersteld.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- ter zake van rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsprocedure. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten in dit verband is niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gezien artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept de besluiten van 28 september 2007 en – voor zover nodig – het besluit van 16 mei 2007 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre de plaats treedt van het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1288,-, en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Arnhem het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Holtrop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 2 september 2008