Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BF0589

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
168046
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming woonwagenstandplaats. Voorshands geoordeeld geen sprake van misbruik van eigendomsrecht door de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 168046 / KG ZA 08-206

Vonnis in kort geding van 20 juni 2008

in de zaak van

GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL,

gevestigd te Beneden-Leeuwen,

eiseres,

procureur mr. A.T. Bolt,

advocaat mr. M.J. Tunnissen,

beiden te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijbehorende producties

- de door [gedaagde] overgelegde producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de gemeente

- de pleitnota van [gedaagde]

- de aanhouding ten behoeve van schikkingsonderhandelingen

- het op 27 mei 2008 ingekomen verzoek van de gemeente om vonnis te wijzen waarbij

haar vorderingen worden toegewezen en de bij dat verzoek gevoegde bijlagen

- de reactie op dat verzoek met bijlagen van [gedaagde] d.d. 27 mei 2008 strekkende tot

afwijzing van de vorderingen.

1.2. Ten slotte is het vonnis op heden bepaald.

2. De feiten

2.1. De gemeente is eigenares van de woonwagenlocatie aan [adres]. Die locatie is gelegen tussen de woonbebouwing ter plaatse en bestaat thans uit drie standplaatsen, waarvan er twee door de gemeente worden verhuurd. De gemeente is voornemens woningbouw op die locatie te realiseren en is bezig in samenspraak met de Woningstichting Rivierengebied te Beneden-Leeuwen (hierna de Woningstichting te noemen) daartoe een herinrichtingsplan te ontwikkelen. Dit plan is neergelegd in de nota “Stand van zaken woonwagenlocaties gemeente West Maas en Waal” van juni 2007 en voorziet (onder meer) in de opheffing van [adres] en de realisering van drie à vier huurwoningen ter vervanging van de laatste twee woonwagens.

2.2. Tot medio maart 2008 stonden er nog drie woonwagens op de locatie, waarvan één op [adres]. Laatstgenoemde woonwagen was eigendom van de gemeente en werd al geruime tijd niet meer bewoond. In verband met de uitvoering van voormeld herinrichtingsplan werd die woonwagen verwijderd. De twee andere woonwagens worden nog steeds bewoond en zijn eigendom van de bewoners, die (zoals onder 2.1. reeds is vermeld) hun standplaats huren van de gemeente.

2.3. Op 7 januari 2008 heeft een inspecteur van de gemeente geconstateerd dat [gedaagde] zonder toestemming van de gemeente en zonder daartoe een huurovereenkomst te hebben gesloten, een tourcaravan heeft geplaatst op de standplaats aan [adres]. Op diezelfde dag heeft [gedaagde] zich op dat adres laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie. Vervolgens heeft [gedaagde] bij brief van zijn advocaat van 16 januari 2008 aan de Woningstichting verzocht om als huurder van die standplaats te worden aangemerkt.

2.4. Bij brief van 28 januari 2008 heeft de gemeente [gedaagde] verzocht om de tourcaravan vóór 9 februari 2008 te verwijderen en de standplaats te verlaten. Vervolgens heeft de gemeente (als eigenaresse van de standplaats) bij brief van 6 februari 2008 aan [gedaagde] meegedeeld dat zijn verzoek om als huurder van de standplaats te worden aangemerkt, is afgewezen, omdat de betreffende woonwagenlocatie in verband met het onder 2.1. genoemd herinrichtingsplan op korte termijn zal worden gesaneerd. [gedaagde] is in die brief andermaal verzocht om de door hem ingenomen standplaats te verlaten, welk verzoek bij brief van de advocaat van de gemeente d.d. 18 maart 2008 is herhaald.

2.5. [gedaagde] heeft aan voormelde verzoeken/sommaties geen gehoor gegeven. Op of omstreeks 26 maart 2008 heeft [gedaagde] zonder toestemming van de gemeente op de standplaats een woonwagen geplaatst en daaraan een aanbouw gerealiseerd. De aanvankelijk die dag door hem verwijderde tourcaravan heeft [gedaagde] op of omstreeks 27 maart 2008 op de standplaats teruggeplaatst.

3. Het geschil

3.1. De gemeente vordert thans [gedaagde] te veroordelen om de tourcaravan en de woonwagen op de standplaats aan [adres] te [plaats] binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden en om die standplaats geheel te ontruimen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met machtiging aan de gemeente om die ontruiming – desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van [gedaagde] – zelf te bewerkstelligen, alsmede met bepaling dat dit vonnis gedurende een jaar kan worden ten uitvoer gelegd op de wijze als bedoeld in artikel 557a, derde lid Rv. De gemeente stelt daarbij een spoedeisend belang te hebben gelet op de uitvoering van het door haar ontwikkelde herinrichtingsplan en de daarmee gepaard gaande sanering van de standplaats aan [adres].

3.2. [gedaagde] voert verweer en heeft daarbij met name gewezen op het ontbreken van een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming, nu de andere twee standplaatsen op de onderhavige locatie nog steeds door de gemeente worden verhuurd en zolang die huurders daarop blijven staan, de standplaats van [gedaagde] (ook) niet voor andere doeleinden gebruikt kan worden.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vast staat dat [gedaagde] de onderhavige standplaats zonder recht of titel in gebruik heeft en daarmee inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gemeente. De vraag is dan of de gemeente misbruik maakt van haar eigendomsrecht door thans de ontruiming van die standplaats door [gedaagde] te vorderen. Die vraag moet voorshands ontkennend worden beantwoord. De gemeente ontleent haar bevoegdheid tot ontruiming aan de regels van het privaatrecht, nu gesteld noch gebleken is (en evenmin door [gedaagde] is aangevoerd) dat in dit geval via een publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.

De bevoegdheid tot ontruiming strookt ook met het door de gemeente (voorlopig) ontwikkelde herinrichtingsplan, neergelegd in de hiervoor onder 2.1. aangehaalde nota.

Van het daarin geformuleerde beleid kan bij een marginale toetsing als waarvan in dit kort geding - gelet op de beleidsvrijheid van de overheid c.q. de gemeente - slechts sprake kan zijn, voorshands niet worden gezegd dat dat in strijd is met de wet en/of met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gemeente is na de intrekking van de Woonwagenwet in 1999 niet meer verplicht om woonwagen standplaatsen te creëren dan wel in stand te houden. De huisvesting van woonwagenbewoners is sindsdien immers onderdeel van het volkshuisvestingbeleid waarvoor de gemeenten primair verantwoordelijk zijn en waarbij alle burgers gelijk dienen te worden behandeld. Mede in het licht daarvan moet het onderhavige beleid van de gemeente worden bezien. Het beleid is er immers (onder meer) op gericht om de huidige woonwagen standplaatsen op de onderhavige locatie geleidelijk aan op te heffen en te vervangen door huurwoningen die ook door woonwagenbewoners kunnen worden gehuurd. Op grond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat de gemeente op grond van een kennelijke onredelijke belangenafweging tot dat beleid is gekomen.

4.2. Gelet op het voorgaande is de vordering tot ontruiming toewijsbaar.

De gemeente heeft daarbij ook een spoedeisend belang, omdat van haar, mede gelet op meergenoemd herinrichtingsplan en de beoogde sanering van de onderhavige standplaats, niet kan worden gevergd dat zij de door [gedaagde] geschapen onrechtmatige toestand blijft dulden. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat de andere twee standplaatsen op dit moment nog door de gemeente aan derden worden verhuurd, maakt het voorgaande niet anders. Dit feit kan er immers niet toe leiden dat de ingebruikname door [gedaagde] niet langer onrechtmatig zou zijn of dat de gemeente op deze grond het voortduren van een onrechtmatige ingebruikname zou moeten dulden.

4.3. De gevorderde dwangsom zal worden geclausuleerd zoals hierna in het dictum is opgenomen.

4.4. Wat betreft de ontruimingstermijn is het volgende van belang.

Na de behandeling van het kort geding op 16 april 2008 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [gedaagde] en (vertegenwoordigers van) de Woningstichting over de mogelijke herhuisvesting van [gedaagde]. Zoals blijkt uit de in dat verband door de gemeente als bijlagen bij haar onder 1.1. genoemd verzoek overgelegde bescheiden is tussen [gedaagde] en de Woningstichting afgesproken dat de Woningstichting er alles aan zal doen om in de komende maanden passende woonruimte voor [gedaagde] te vinden en dat het initiatief daartoe ook door [gedaagde] kan worden genomen, een en ander mits [gedaagde] het inschrijfgeld als woningzoekende heeft voldaan. [gedaagde] heeft in dat verband te kennen gegeven dat hij bereid is een passende woning te accepteren. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van (ruim) drie maanden, tot 1 oktober 2008, alleszins redelijk. Aangenomen moet worden dat die termijn voor [gedaagde] voldoende is om elders te worden gehuisvest. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden de belangen van de gemeente door die termijn niet op onaanvaardbare wijze geschaad.

4.5. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal € 1.155,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 1 oktober 2008 de (tour)caravan en de woonwagen op de standplaats aan [adres] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden en die standplaats geheel te ontruimen,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan de gemeente een dwangsom verbeurt van € 500,--, tot een maximum van

€ 10.000,-- en met dien verstande dat geen verdere dwangsommen verschuldigd zullen zijn, indien de gemeente gebruik maakt van de hierna onder 5.3. te geven machtiging tot tenuitvoerlegging van dit vonnis,

5.3. geeft machtiging tot tenuitvoerlegging van vorenstaande veroordeling onder 5.1.op kosten van [gedaagde] en zonodig met behulp van de sterke arm,

5.4. bepaalt dat dit vonnis gedurende één jaar na de onder 5.1. genoemde datum ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in voormeld pand bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dit voordoet,

5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.155,44,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C van Emden-Geenen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 20 juni 2008.