Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BE9533

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
01-09-2008
Zaaknummer
158722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158722 / HA ZA 07-1218

Vonnis van 6 augustus 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VIBB B.V.,

gevestigd te Lisserbroek, gem. Haarlemmermeer,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R. Willemsen te 's-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TALENT INVEST B.V.,

gevestigd te Ermelo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COMPANY BROKERS B.V.,

gevestigd te Meteren, gemeente Geldermalsen,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. C.J.M. van Zeijl te Harderwijk.

Partijen zullen hierna VIBB en Talent Invest genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 maart 2008

- de akte uitlating tevens overlegging producties van VIBB

- de antwoordakte van Talent Invest en Company Brokers.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. In het vonnis van 19 maart 2008 (hierna: het tussenvonnis) is reeds overwogen dat de vordering in conventie voor afwijzing gereed ligt (r.o. 4.12). De rechtbank zal in conventie, gelet op de in reconventie te nemen beslissing, alle beslissingen aanhouden.

in reconventie

2.2. De rechtbank blijft bij wat zij in het tussenvonnis heeft overwogen. Hetgeen door partijen nader is aangevoerd, noopt niet tot een herziening van genomen beslissingen omdat het niet onaanvaardbaar is dat de rechtbank zich aan die beslissingen gebonden acht.

2.3. In reconventie is in het tussenvonnis overwogen dat de vordering van Company Brokers afgewezen moet worden (overwegingen 4.18 en 4.19).

2.4. Ten aanzien van de vordering van Talent Invest is overwogen dat het door VIBB aangevoerde onvoldoende concreet antwoord heeft gegeven op de vraag of de ontbinding in voldoende mate gedragen werd door de in de overeenkomst van 19 maart 2007 daarvoor gegeven grondslag. VIBB is in de gelegenheid gesteld om haar standpunt nader te onderbouwen.

2.5. VIBB plaatst hierbij de algemene stelling voorop dat de overeengekomen koopprijs (€ 5.750.000,00) tot stand gekomen is door – kennelijk is bedoeld: ongeveer – vijf maal het bedrijfsresultaat 2006 (€ 1.137.000,00) te nemen. Het belang hiervan is, gelet op het navolgende, in dit vonnis gering, maar de rechtbank zal op deze stelling ingaan omdat VIBB deze centraal stelt en er een aantal conclusies, ook in verband met haar beroep op de ontbindende voorwaarde, aan verbindt.

2.6. De rechtbank kan de redenering van VIBB die tot deze stelling leidt, niet volgen. Als uitgangspunt voor de vraagprijs, stelt zij, gold de som van de verwachting aan vermogen ultimo 2006 en zes maal het bedrijfsresultaat 2006. Dit leidde tot een vraagprijs van € 7.500.000,00, welk bedrag inderdaad vrijwel met de som van de verwachting aan vermogen ultimo 2006 en zes maal het bedrijfsresultaat 2006 (€ 7.522.000,00) overeenstemt. Nadat de vraagprijs aan VIBB meegedeeld was, is er onderhandeld. VIBB voert niets aan waaruit blijkt dat VIBB en Talent Invest daarbij zijn overeengekomen de koopprijs te stellen op vijf maal het bedrijfsresultaat 2006. Dat het resultaat van de onderhandelingen in de buurt van dat bedrag uitkomt, zegt op zichzelf niets. Het kan zijn oorzaak vinden in het feit dat VIBB zelf vijf maal het bedrijfsresultaat 2006 als vuistregel voor een aanvaardbare prijs hanteerde. Dat VIBB dit deed, blijkt uit het interne overleg tussen Herfs en Van der Sande. Er is echter geen aanwijzing voor dat deze vuistregel ook in het overleg tussen VIBB en de verkoper gehanteerd werd. De slotsom is dat VIBB onvoldoende feiten heeft gesteld die, mits bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat zij met Talent Invest is overeengekomen dat de koopprijs werd bepaald op vijf maal het bedrijfsresultaat 2006.

2.7. De rechtbank komt dan op de in VIBBs laatste akte opgenomen, concrete verschillen tussen de uitkomsten van het due diligence-onderzoek zoals die uit het conceptrapport van Pondman (tussenvonnis 2.18) blijken, en de vóór de ondertekening van de koopovereenkomst aan VIBB verstrekte informatie in de zin van art. 9 van de koopovereenkomst. Hierbij merkt de rechtbank op dat VIBB noch Talent Invest ingaat op de in het tussenvonnis (4.16) bedoelde factoren die tegenover door VIBB genoemde verschillen lijken te staan en het totale verschil per saldo kleiner maken. Nu partijen hier niet op ingaan, zal de rechtbank deze materie verder laten rusten.

2.8. Het eerste verschil dat VIBB noemt, betreft het al in het tussenvonnis genoemde bedrag van € 74.000,00. Dit is het bedrag van een directiebonus dat niet was opgenomen in de tussentijdse cijfers die aan VIBB waren overhandigd, maar pas na ondertekening van de koopovereenkomst aan het licht zou zijn gekomen.

2.9. De bonus wordt jaarlijks aan de hand van het resultaat vastgesteld en in de jaarcijfers verwerkt, stelt Talent Invest. De directiebonus staat anders dan de niet van het behaalde resultaat afhankelijke bonussen van verkopers en het verkoopmanagement niet in de tussentijdse en voorlopige jaarcijfers. Talent Invest stelt dat VIBB dit wist.

2.10. Naar het oordeel van de rechtbank kan VIBB zich niet op het hier bedoelde verschil in de cijfers beroepen als zij inderdaad wist dat in de aan VIBB gepresenteerde prognose resultaat 2006 de van het resultaat afhankelijke directiebonussen niet waren opgenomen, terwijl met de uitkering ervan wel rekening gehouden moest worden. Nu Talent Invest dit uitdrukkelijk te bewijzen aanbiedt, zal zij tot dit bewijs worden toegelaten.

2.11. Vervolgens wijst VIBB op verschillen tussen de conceptjaarrekening 2006 die door Pondman is bestudeerd, en een concept van 25 januari 2007 dat VIBB eerder onder ogen had gekregen. In het door Pondman bestudeerde concept was sprake van een eigen vermogen van € 667.643,00, van een resultaat voor rente en belastingen van € 1.107.012,00 en van een resultaat voor belastingen van € 998.170,00, stelt VIBB, terwijl in het eerdere concept sprake van een geconsolideerd eigen vermogen van € 741.900,00 en van een resultaat voor rente en belastingen van € 1.194.900. Dit wijst op verschillen, stelt VIBB van respectievelijk € 74.257,00 en € 87.888,00.

2.12. Talent Invest stelt hier tegenover dat in de prognose voor 2006, die in januari 2007 aan VIBB getoond is, de netto winst op € 724.400,00 was begroot, terwijl deze in de door Pondman bestudeerde concept jaarrekening € 712.000,00 beliep, wat op een verschil van € 12.400,00 duidt.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat de laatst genoemde cijfers de verschillen tussen de door VIBB bedoelde en in 2.12 genoemde onderliggende cijfers irrelevant maken. Er is dan nog steeds sprake van een verschil tussen de uitkomsten van het due diligence-onderzoek zoals die uit het conceptrapport blijken, en de vóór de ondertekening van de koopovereenkomst aan VIBB verstrekte informatie. Dit beloopt echter slechts € 12.400,00.

2.14. Het derde relevante verschil dat in het due diligence-onderzoek naar voren is gekomen, houdt volgens VIBB in dat de netto marge van het project Europaplus 2010 genormaliseerd had moeten worden omdat er geen zicht was op eenzelfde project in 2007 en dus geen reden om de op dit project behaalde marge volledig in de vraagprijs te verdisconteren. Los van het feit dat de redenering van VIBB over verdiscontering in de vraagprijs naar het oordeel van de rechtbank voortkomt uit een onjuist standpunt (2.6), strandt dit betoog van VIBB reeds op het eerder (tussenvonnis onder 4.11-4.12) gegeven oordeel dat Talent Invest geen verwijt kan worden gemaakt van verzwijgen van gegevens over het project Europaplus 2010.

2.15. De vraag is thans of VIBB, gelet op de wijze waarop zij gebruik gemaakt heeft van de ontbindende voorwaarde, tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst. Zij is tekortgeschoten als zij niet in redelijkheid kon komen tot gebruikmaking van haar beroep op ontbinding (tussenvonnis 4.16).

2.16. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat als Talent Invest niet in het onder 2.10 bedoelde bewijs slaagt, VIBB niet in deze zin tekortgeschoten is. In dat geval moet immers worden aangenomen dat VIBB werd geconfronteerd met een verschil van – inclusief het onder 2.13 bedoelde bedrag van € 12.400,00 – meer dan € 75.000,00 tussen de uitkomsten van het due diligence-onderzoek zoals die uit het conceptrapport blijken, en de vóór de ondertekening van de koopovereenkomst aan VIBB verstrekte informatie. Gekoppeld aan de korte termijn waarbinnen een beroep op de ontbindende voorwaarde mogelijk was, is de rechtbank van oordeel dat VIBB in redelijkheid op grond van deze constateringen voor ontbinding mocht kiezen. De reconventionele vordering moet dus als Talent Invest niet in haar bewijs slaagt, worden afgewezen.

2.17. Slaagt Talent Invest in haar bewijs, dan moet worden geoordeeld dat VIBB op grond van de in de koopovereenkomst gestelde ondergrens van € 75.000,00 voor het verschil al niet tot een beroep op ontbinding kon komen. Dan is zij dus in de nakoming van haar verplichtingen tegenover Talent Invest tekortgeschoten door dat wel te doen. De hoogte van de schade die Talent Invest stelt hierdoor te hebben geleden (€ 11.281,00 voor begeleiding door de heer Obdeijn van Brouwers Adviseurs B.V. bij het verzamelen van de informatie en het begeleiden van het due diligenceonderzoek en € 2.692,74, het bedrag zonder btw van de declaratie van Talent Invests juridisch adviseur over de onderhandelingsperiode tot en met de ontbinding) wordt op zichzelf niet betwist. Dit betekent dat als Talent Invest in haar bewijs slaagt, haar reconventionele vordering voor toewijzing gereed ligt.

2.18. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een deskundigenonderzoek naar de juistheid van de stellingen van partijen ten aanzien van de relevante verschillen.

2.19. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een comparitie van partijen kan openen. Zij moeten daarom ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. houdt iedere beslissing aan,

in reconventie

3.2. laat Talent Invest toe te bewijzen dat VIBB wist dat in de aan VIBB vóór het sluiten van de koopovereenkomst gepresenteerde prognose resultaat 2006 de van het resultaat afhankelijke directiebonussen niet waren opgenomen, terwijl met de uitkering ervan wel rekening gehouden moest worden,

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 augustus 2008 voor uitlating door Talent Invest of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

3.4. bepaalt dat Talent Invest, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

3.5. bepaalt dat Talent Invest, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden september tot en met november 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

3.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. M.J. Blaisse en mr. R.A. Boon en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008.