Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BE9519

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-08-2008
Datum publicatie
01-09-2008
Zaaknummer
505947 CV Expl. 07-4686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

" Artt. 3:310 lid 1, 7:658, 658a lid 1, 681 BW. Niet-nakoming zorgplicht voor veilige arbeidsomstandigheden door werkgever. Schade door werknemer geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Niet nagekomen toezegging van de werkgever dat de reïntegratie-inspanning na ommekomst van het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht heeft op loon, zou worden voorgezet. Kennelijk onredelijk ontslag. Beroep van de werkgever op verjaring in het gegeven geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Schadevergoeding naar billijkheid. "

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 172
AR-Updates.nl 2008-0565
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 505947 \ CV EXPL 07-4686 \ 282fh

uitspraak van

Vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te Leuth

eisende partij

gemachtigde mr. M.A.I. Gerards (SRK Rechtsbijstand)

tegen

de stichting STICHTING Sint Maartenskliniek

statutair gevestigd te Nijmegen, kantoorhoudend te Nijmegen

gedaagde partij

gemachtigde eerst mr. J.E. Brouwer-Harbach, nu mr. F.V.I.M. Hoppers

Partijen worden hierna [eisende partij] en St. Maartenskliniek genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het griffie-exemplaar van het vonnis van de kantonrechter van 8 februari 2008 en de daarin genoemde gedingstukken;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek met producties;

- de akte uitlating producties van [eisende partij].

1. De feiten

1.1. [eisende partij], geboren op [dag en maand] 1956, is op 1 november 1986 bij St. Maartenskliniek in dienst getreden in de functie van groepsleidster en verpleegkundige voor gemiddeld 32 uur per week, na eerst een half jaar als uitzendkracht bij St. Maartenskliniek te hebben gewerkt. Haar loon bedroeg laatstelijk € 1.789,03 bruto per maand.

1.2. [collega A], [collega B], [collega C] en [collega D], collega’s van [eisende partij] die met haar op dezelfde afdeling werken, de afdeling Kinder- en Jongerenrevalidatie, hebben zich bij brief van 10 november 1995 tot St. Maartenskliniek ([namen van 3 personen X, Y en Z]) gewend. Zij schrijven onder meer:

“ al geruime tijd overwegen wij, de leden van team 2 van afdeling 11, om iets te doen aan het gevoel van onmacht en onvrede wat in ons team heerst n.a.v. de wijze waarop er met een conflict tussen een collega van ons en ons afdelingshoofd wordt omgegaan.

(…)

Ook al zijn wij niet volledig op de hoogte van alle ins en outs van wat er speelt tussen [voornaam eisende partij] en [voornaam afdelingshoofd], wij vangen wel es wat op en hebben onze ogen en oren niet in de zak zitten. Gevolg is, dat er heel wat gepraat en gespeculeerd wordt, hetgeen de sfeer binnen het team en de afdeling niet ten goede komt.

Graag willen wij meer duidelijkheid omtrent de gang van zaken rond onze collega en de consequenties voor de afdeling en ons als team.”

1.3. [eisende partij] is in 1995 en 1996 enige tijd arbeidsongeschikt geweest. Daarna heeft zij op de afdeling Volwassenenrevalidatie gewerkt. Op 9 januari 1998 is zij opnieuw door ziekte uitgevallen. Met ingang van 28 augustus 2001 is haar een WAO-uitkering toegekend op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.

1.4. Een brief van St. Maartenskliniek aan [eisende partij] van 30 december 1999 bevat onder meer de volgende passage:

“In ons gesprek op 17 juni heb ik u gezegd dat reïntegratie over het algemeen veel tijd in beslag neemt en dat de St. Maartenskliniek niet stopt met reïntegratie-ondersteuning na 2 jaar arbeidsongeschiktheid. De heer [F] (P&O-functionaris bij St. Maartenskliniek; kantonrechter) blijft u dan ook helpen na 1 februari 2000. Helaas is het onmogelijk daarbij succes te garanderen. Wij zijn immers afhankelijk van uw mogelijkheden en beperkingen en van het vinden van passende vacatures.”

1.5. St. Maartenskliniek deelt bij brief van 3 september 2002 aan [eisende partij] mee:

“Naar aanleiding van uw open sollicitatie d.d. 9 februari 2002 en het gesprek dat wij op 11 april 2002 daarover voerden, is gezocht naar alternatieve werkzaamheden binnen de Sint Maartenskliniek.

U heeft kenbaar gemaakt voor 12 uur per week (4 dagen van 3 uur) beschikbaar te zijn voor werkzaamheden binnen onze kliniek. Daarbij hebben wij geconstateerd dat het werken in de zorg, het werken in de administratie, baliewerkzaamheden en het halen en brengen van patiënten van en naar therapieën, vanwege fysieke problemen niet tot de mogelijkheden behoort.

Vanwege uw beperkingen zijn wij op dit moment dan [ook] niet in staat u zinvol werk aan te bieden. Wanneer wij u op enig moment wel zinvol werk kunnen aanbieden, nemen wij contact met u op.”

1.6. De gemachtigde van [eisende partij] antwoordt bij brief van 4 maart 2003. voor zover hier van belang:

“Cliënte deelde mij mede dat zij, na enige tijd volledig arbeidsongeschikt te zijn geweest, sedert 28 augustus 2001 gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt geacht. Volgens de Uitvoeringsinstelling Werknemersverzekeringen is zij onder meer in staat om werkzaamheden als receptiemedewerker in een ziekenhuis te verrichten. Van cliënte begreep ik, dat dit soort werkzaamheden ook bij uw ziekenhuis is ruime mate worden verricht.

U heeft cliënte laatstelijk bij brief van 3 september 2002 - naar aanleiding van een "open" sollicitatie van cliënte van 9 februari 2002 - laten weten dat u van oordeel bent haar geen werkzaamheden te kunnen bieden, omdat u geconstateerd zou hebben dat o.m. baliewerkzaamheden vanwege fysieke problemen niet tot de mogelijkheden behoren.

Uw oordeel staat daarmede haaks op het oordeel van de Uitvoeringsinstelling, welk oordeel in casu thans als rechtens geldend dient te worden aangemerkt. U bent als goed werkgever gehouden cliënte passende arbeid aan te bieden, waarbij van u verlangd kan worden dat u zonodig aanpassingen in uw organisatie doorvoert.

Namens cliënte verzoek ik u dan ook om haar in staat te stellen om binnen uw organisatie die werkzaamheden te gaan verrichten, waartoe zij door de Uitvoerings-instelling in staat wordt geacht en haar het daarbij behorende loon te voldoen. Cliënte is bereid en in staat om op eerste afroep uwerzijds de werkzaamheden aan te vangen.”

1.7. Bij brief van 10 november 2004 heeft St. Maartenskliniek aan [eisende partij] een verslag gezonden van een gesprek, dat partijen op 28 oktober 2004 hebben gevoerd. De tekst van dat verslag luidt, voor zover hier van belang:

“Mevrouw [G] vraagt mevrouw [eisende partij] hoe het met haar gaat. Zij antwoordt dat het goed met haar gaat en dat zij veel baat heeft bij het begeleidingstraject dat de Sint Maartenskliniek (SMK) haar heeft aangeboden.

[persoon Z] deelt mede dat de SMK bewust gewacht heeft met het voeren van een gesprek over beëindiging van het dienstverband om het begeleidingstraject niet te verstoren, (…).

Mevrouw [eisende partij] zegt dat zij `psychologisch' allang afscheid heeft genomen van de SMK, zij heeft geen behoefte aan een receptie of iets dergelijks.

[persoon Z] vraagt mevrouw [eisende partij] of zij het dienstverband met wederzijds goedvinden wil beëindigen, gezien de situatie dat zij volledig (80 - 100 %) arbeidsongeschikt is en de SMK haar noch intern noch extern kan reïntegreren.

Mevrouw [eisende partij] wil dat niet, zij zal zich verzetten en voor haar zakelijke belangen opkomen.

[persoon Z] zegt dat de SMK in dat geval een ontslagprocedure zal starten, dat is het beleid bij medewerkers die 2 jaar of langer arbeidsongeschikt zijn en bij wie de situatie zodanig stabiel is dat werkhervatting is uitgesloten.”

1.8. St. Maartenskliniek heeft op 10 november 2004 de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen (CWI) toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] op te zeggen.

1.9. [eisende partij] heeft op 25 november 2004 een verweerschrift ingediend bij CWI. Zij verzoekt daarin mede advies te vragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in verband met haar arbeidsongeschiktheid en mogelijkheden tot herplaatsing.

1.10. Nadat partijen zich nog een keer schriftelijk hebben kunnen uitlaten, heeft CWI op 19 mei 2005 aan St. Maartenskliniek geschreven, dat de ontslagaanvraag uit het actuele bestand is verwijderd “om zuiver praktisch-administratieve redenen”, en een kopie van die brief aan de toenmalige gemachtigde van [eisende partij] gezonden.

1.11. St. Maartenskliniek heeft CWI bij brief van 24 november 2005 verzocht de ontslagaanvraag opnieuw in behandeling te nemen. CWI heeft dit bij brief van 30 november 2005 aan brief aan de gemachtigde van [eisende partij] meegedeeld en deze in de gelegenheid gesteld schriftelijk verweer te voeren.

1.12. De gemachtigde van [eisende partij] heeft op 12 december 2005 een nieuw verweerschrift ingediend.

1.13. CWI heeft bij brief van 22 december 2005 aan St. Maartenskliniek toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] op te zeggen.

1.14. St. Maartenskliniek heeft bij brief van 3 januari 2006 aan [eisende partij] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 mei 2006.

1.15. Bij brief van 13 juli 2006 aan St. Maartenskliniek heeft de gemachtigde van [eisende partij] namens haar op grond van kennelijke onredelijkheid van haar ontslag aanspraak gemaakt op een bedrag van € 94.675, 47 (op basis van de kantonrechtersformule met correctiefactor C=2). Ook op 25 oktober 2006 heeft [eisende partij] bij St. Maartenskliniek melding gemaakt van haar aanspraak.

1.16. [eisende partij] heeft bij exploot van 10 april 2007 de stichting STICHTING tot Dienstverlening aan de Sint Maartenskliniek, h.o.d.n. Stg. Dienstverlening Sint Maartenskliniek, gevestigd en kantoorhoudend te Nijmegen (verder te noemen: de Stichting Dienstverlening), gedagvaard voor de kantonrechter alhier en gevorderd voor recht te verklaren dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag door de Stichting Dienstverlening, en haar te veroordelen tot betaling van het genoemde bedrag van € 94.675,47, althans een in goede justitie vast te stellen schadevergoeding.

1.17. De kantonrechter heeft bij vonnis van 8 februari 2008 de vordering afgewezen op de grond dat niet was gebleken, dat [eisende partij] in dienst was van de Stichting Dienstverlening.

2. De vordering en het verweer

2.1. De vordering van [eisende partij] en de grondslagen daarvan zijn weergegeven in het vonnis van 8 februari 2008 onder 1.

2.2. St. Maartenskliniek voert gemotiveerd verweer. Voor zover nodig zal de kantonrechter hierna op het verweer ingaan.

3. De beoordeling

3.1. Verjaring

3.1.1. St. Maartenskliniek voert ten eerste het verjaringsverweer dat zij eerder ook bij incidentele conclusie heeft opgeworpen. Zij motiveert dat als volgt. De verjaringstermijn voor een vordering op grond van artikel 7:681 BW is zes maanden, en gaat daags nadat de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd in. Dat was op 1 mei 2006. De verjaringstermijn eindigde dus op 1 november 2006. Bij brief van 25 oktober 2006 heeft [eisende partij] de verjaring gestuit aan het adres van de Stichting St. Maartenskliniek, waardoor een nieuwe termijn ging lopen tot 25 april 2007. Daarna heeft zij op 10 april 2007 de Stichting Dienstverlening gedagvaard. Met die dagvaarding is de verjaring tegen St. Maartenskliniek niet gestuit. De verjaringstermijn ex artikel 7:681 is daarom op 27 april 2007 verstreken.

3.1.2. Ook de subsidiaire vordering op grond van artikel 7:611 BW is verjaard, zo meent St. Maartenskliniek. Vorderingen tot schadevergoeding verjaren in beginsel op grond van artikel 3:310 BW na vijf jaren. De verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag dat de benadeelde met de schade en met de aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dat was, aldus St. Maartenskliniek, op 9 januari 1998, de datum waarop [eisende partij] ziek is geworden, naar zij stelt door toedoen van St. Maartenskliniek. De dagvaarding is betekend op 17 augustus 2007, dus ruim negen jaar later.

3.1.3. Op dezelfde grond zijn de meer subsidiaire vordering van [eisende partij] uit onrechtmatige daad en haar uiterst subsidiaire vordering uit schending van de zorgplicht van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden verjaard, aldus nog steeds St. Maartenskliniek.

3.1.4. [eisende partij] stelt hiertegenover, kort gezegd, dat haar arbeidsovereenkomst is beëindigd op initiatief van St. Maartenskliniek, en zo leest de kantonrechter - dat de verjaring van de vordering op grond van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag is gestuit door tijdige betekening van een exploot inhoudende die vordering, op het kantoor van de gemachtigde van St. Maartenskliniek. Deze heeft de eveneens aan dat kantoor betekende dagvaarding gericht tot de Stichting Dienstverlening in redelijkheid behoren te begrijpen als een mededeling aan St. Maartenskliniek waarin [eisende partij] zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming van de schadevergoedingsverbintenis voorbehoudt en heeft dit ook daadwerkelijk zo begrepen. Verder wordt op de van St. Maartenskliniek uitgaande stukken, zoals de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] en de aan haar gerichte brieven, volstaan met de vermelding dat zij afkomstig zijn van “Sint Maartenskliniek” of “de St. Maartenskliniek” zonder vermelding van het nummer waaronder St. Maartenskliniek is ingeschreven in het handelsregister. Correspondentie van de CWI aan de werkgever van [eisende partij] is, overeenkomstig het vermelde op de ontslagaanvraag van 10 november 2004, geadresseerd aan “Sint Maartenskliniek” tout court. St. Maartenskliniek heeft eerst na verloop van acht jaren nadat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden de arbeidsverhouding beëindigd, zodat het beroep van die zijde op verjaring thans niet gepast is, aldus nog steeds [eisende partij].

3.1.5. Verscheidene van deze stellingen zijn tegen het verweer bestand. Vooreerst is opmerkelijk dat St. Maartenskliniek zich klaarblijkelijk op het standpunt stelt, dat bij het instellen van een vordering in rechte de uiterste zorgvuldigheid in acht genomen moet worden bij de adressering van de dagvaarding, en dat het in geval van onzekerheid over de persoon van de gedaagde op de weg van de verzoeker tot het uitbrengen van het exploot dan wel diens gemachtigde ligt om hierover duidelijkheid te krijgen, dan wel meerdere personen te dagvaarden teneinde te vermijden dat de juiste schuldenaar wordt gemist.

3.1.6. In het algemeen gesproken is dit verweer niet onjuist, maar onder de gegeven omstandigheden faalt het. [eisende partij] legt er terecht de vinger bij, dat aan de zijde van St. Maartenskliniek noch een in het handelsregister ingeschreven handelsnaam, noch het nummer waaronder de rechtspersoon in dat register is ingeschreven, op enig van deze uitgaand stuk te vinden is, zelfs niet op haar arbeidsovereenkomst. St. Maartenskliniek heeft in het midden gelaten, waarom de door haar verdedigde mate van zorgvuldigheid bij het uitbrengen van een dagvaarding niet vereist zou zijn bij het deelnemen door rechtspersonen aan het economisch verkeer, als voorgeschreven in artikel 25 lid 1 Handelsregisterwet (Hrw) 1996 (voordien artikel 32a Hrw). In het systeem van die wet en overige bepalingen van rechtspersonenrecht kan onzekerheid over de identiteit van de rechtspersoon die met een derde een rechtsbetrekking is aangegaan, aan laatstgenoemde niet worden tegengeworpen, indien de onzekerheid een gevolg is van een omstandigheid die aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het zich bedienen van een niet geregistreerde handelsnaam, en het veronachtzamen van het voorschrift van genoemd artikel 25 lid 1 Hrw, zijn zodanige omstandigheden waardoor de bedoelde onzekerheid voor risico van die rechtspersoon blijft. In de gegeven omstandigheden kon niet door raadpleging van het handelsregister een einde komen aan die onzekerheid. Dat het bepaalde in artikel 25 lid 1 Hrw niet voor St. Maartenskliniek geldt als bedoeld in lid 2 van dat artikel, of dat haar op de voet van het bepaalde in lid 3 van dat artikel een vrijstelling was verleend, is niet gesteld of gebleken. Ook is niet van belang, dat de juiste handelsnaam wel voorkwam op stukken afkomstig van het UWV, zoals St. Maartenskliniek heeft gesteld. Dit mag zo zijn, maar in het licht van de hiervoor weergegeven onnauwkeurigheid van St. Maartenskliniek kan de omstandigheid dat [eisende partij] die stukken niet heeft geraadpleegd met het doel de identiteit van haar wederpartij vast te stellen alvorens een dagvaarding te doen betekenen, haar niet worden tegengeworpen.

3.1.7. Daar komt bij dat de dagvaarding in de procedure met nummer 488840 CV EXPL 07.2260 tegen de Stichting Dienstverlening, evenals die in dit geding, betekend is aan het kantoor van de gemachtigde van St. Maartenskliniek. St. Maartenskliniek zowel als de Stichting Dienstverlening heeft op dat kantoor domicilie gekozen. Deze gemachtigde heeft bij wijze van spreken in één oogopslag kunnen en moeten opmerken, dat [eisende partij] een vordering tegen haar werkgeefster bedoelde in te stellen, maar dat voor haar niet geheel duidelijk was welke van de rechtspersonen die “St. Maartenskliniek” in hun naam voeren zij moest aanspreken.

3.1.8. De hiervoor beschreven, aan St. Maartenskliniek toe te rekenen omstandigheden vormden een ernstige belemmering voor [eisende partij] bij het instellen van haar vordering. De kantonrechter komt op grond van een en ander tot het oordeel, dat het beroep van St. Maartenskliniek op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit geldt niet alleen voor de arbeidsrechtelijke vorderingen maar zeker ook voor de algemeen-verbintenisrechtelijke vorderingen, nu [eisende partij] geacht kan worden niet eerder dan door de incidentele conclusie van St. Maartenskliniek in deze procedure casu quo de conclusie van antwoord in de procedure tegen Stichting Dienstverlening (de kantonrechter ambtshalve bekend) bekend te zijn geworden zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon.

3.1.9. Nu het verjaringsverweer op alle punten faalt, blijft de beslissing dat [eisende partij] in haar vordering kan worden ontvangen (zie het vonnis van 8 februari 2008 onder 4.1) in stand.

3.2. Het ontslag

3.2.1. Opzegging van een arbeidsovereenkomst wordt als kennelijk onredelijk aangemerkt, als een redelijk oordelend werkgever niet tot een dergelijke opzegging had kunnen komen (vergelijk de in artikel 7:681 lid 2 BW gegeven voorbeeldgevallen), of ook als de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

3.2.2. St. Maartenskliniek bestrijdt de stelling van [eisende partij], dat zij als gevolg van werkomstandigheden arbeidsongeschikt geworden is. Wat de fouten in de medicijnuitgifte betreft, waartegen volgens [eisende partij] ondanks haar herhaalde waarschuwingen geen maatregelen werden genomen, voert St. Maartenskliniek aan dat het controlesysteem deugdelijk was en is, en dat haar geen klachten of meldingen van [eisende partij] bekend zijn. Tegen een collega van [eisende partij] die zich schuldig maakte aan seksuele intimidatie van patiënten zijn, anders dan zij stelt, maatregelen genomen die zijn uitgemond in een verzoek aan de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat dit verzoek is afgewezen, kan - zo betoogt St. Maartenskliniek - haar niet worden tegengeworpen. Wel is de bewuste collega herplaatst. Deze feiten hebben overigens plaatsgevonden tussen 1986 en 1995, zodat uitgesloten moet worden geacht dat dit iets van doen zou hebben met de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] in 1998. Aan de communicatieproblemen met haar voormalige leidinggevende [naam afdelingshoofd] (verder te noemen: [afdelingshoofd]) is [eisende partij] voor een belangrijk deel zelf debet, aldus St. Maartenskliniek. Zij kan onvoldoende relativeren, heeft tegenover [afdelingshoofd] een wantrouwende en vijandige houding aangenomen en ongefundeerde verwijten aan haar adres geuit. Na de ziekteperiode die eindigde in 1996 is [eisende partij] in onderling overleg naar een andere afdeling overgeplaatst. Voor zover zij [afdelingshoofd] verwijt haar reïntegratie te hebben belemmerd, is dat thans niet meer relevant; [afdelingshoofd] is sinds haar overplaatsing in 1996 niet meer haar leidinggevende.

3.2.3. Tegen de stelling van [eisende partij] dat St. Maartenskliniek onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft geleverd, voert laatstgenoemde het volgende verweer. Reeds enkele weken nadat [eisende partij] arbeidsongeschikt was geworden, heeft St. Maartenskliniek een reïntegratieplan gemaakt. Dit plan is door Cadans goedgekeurd. In 1998 constateerde de bedrijfsarts dat [eisende partij] niet inzetbaar was in haar eigen functie en ook niet in andere passende functies. Vanaf 1999 heeft [eisende partij] passend (licht) werk gedaan en daartoe een computercursus gevolgd. Er zijn begeleidingsgesprekken gevoerd. Ook nadat haar arbeidsongeschiktheid twee jaar had geduurd en haar een WAO-uitkering was toegekend, zijn de reïntegratiepogingen voortgezet, zonder succes evenwel, omdat [eisende partij] steeds arbeidsongeschikt bleek, zoals ook door het UWV is vastgesteld. Ook in 2003 en 2004 hebben gesprekken plaatsgevonden en zijn vacatures onder haar aandacht gebracht. Het UWV heeft haar op 23 juni 2004 volledig arbeidsongeschikt verklaard. [eisende partij] verliest het verschil tussen de eerste periode van haar arbeidsongeschiktheid (1995-1996) en de tweede (vanaf 1998) uit het oog. De oorzaken van haar arbeidsongeschiktheid in de eerste periode zijn St. Maartenskliniek niet bekend. De tweede periode kon zij niet werken als gevolg van peesklachten, als gevolg van het feit dat zij een patiënt moest reanimeren terwijl ze nog met een verstuikte pols kampte. Dat zou geresulteerd hebben in posttraumatische dystrofie. St. Maartenskliniek merkt op dat, daargelaten dat het gestelde voorval langer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden, [eisende partij] er geen bewijs voor geleverd heeft. Dat het zo gegaan is als zij beschrijft acht St. Maartenskliniek overigens onaannemelijk, omdat een alarmsysteem haar in staat stelt, in noodgevallen direct hulp van een collega te krijgen.

3.2.4. Voorts betwist St. Maartenskliniek dat de gevolgen van de opzegging voor [eisende partij], in verhouding tot het met de opzegging te dienen belang, te ernstig zijn. [eisende partij] heeft in de ontslagprocedure bij CWI niet betwist dat hervatting van de bedongen arbeid of ander passend werk niet binnen een redelijke termijn te verwachten was. De opzegging was dan ook op grond van het bepaalde in artikel 5:2 Ontslagbesluit geoorloofd en dus niet kennelijk onredelijk, aldus St. Maartenskliniek.

3.2.5. De kantonrechter overweegt als volgt. In het licht van het verweer van St. Maartenskliniek heeft [eisende partij] haar stellingen over de gebreken in het medicijnuitgiftesysteem onvoldoende feitelijk onderbouwd, bijvoorbeeld met een overzicht van incidenten. Uit haar eigen stellingen blijkt verder dat zij, nadat zij - naar zij stelt - bij haar afdelingshoofd geen gehoor vond voor gesignaleerde problemenbij de medicijnuitgifte, in het team van haar afdeling het initiatief heeft genomen om een deugdelijk systeem met controlemogelijkheid op te zetten, alsook dat zij vanaf 1997 zitting had in commissies voor het opstellen van protocollen, onder meer voor het veilig melden van incidenten. Dat haar arbeidsongeschiktheid geheel of ten dele het gevolg was van tegenwerking inzake de medicijnuitgifte, staat dan ook niet vast.

3.2.6. Ook haar stellingen over de gevolgen van het aankaarten van seksuele intimidatie van patiënten door een collega, kunnen de vordering niet dragen. [eisende partij] heeft immers niet betwist dat St. Maartenskliniek een ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW tegen die collega heeft geëntameerd - maar dat de kantonrechter het verzoek heeft afgewezen - en dat de collega vervolgens is overgeplaatst naar een afdeling waarvan het personeel geen contact heeft met patiënten en ook niet met de afdeling van [eisende partij]. De kantonrechter deelt haar verwijt aan het adres van St. Maartenskliniek dat door deze niet adequaat zou zijn gereageerd op haar melding(en), dan ook niet.

3.2.7. Wel wordt uit de stukken genoegzaam duidelijk dat St. Maartenskliniek niet adequaat heeft gereageerd op signalen die duidden op spanningen tussen [eisende partij] en haar afdelingshoofd. St. Maartenskliniek bestrijdt de desbetreffende stellingen van [eisende partij], zoals die uit haar dagboek van destijds zijn overgenomen, met een dagboek van het afdelingshoofd, [afdelingshoofd]. Laatstgenoemd dagboek leent zich echter niet voor onderzoek, niet alleen doordat het met de hand geschreven is, het handschrift niet uitmunt door leesbaarheid en een getypte transcriptie ontbreekt, maar ook vanwege de slechte kwaliteit van de overgelegde kopieën (productie 4 bij de conclusie van antwoord). De desbetreffende stellingen van [eisende partij] hebben dan ook te gelden als onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit de hiervoor onder 1.2 aangehaalde brief van de collega’s van [eisende partij] aan St. Maartenskliniek, uit verslagen van werkbesprekingen in 1996 en uit schriftelijke reacties van personeelsfunctionaris [persoon J] op berichten van [eisende partij], valt overigens genoegzaam af te leiden dat de communicatiestoornis tussen [afdelingshoofd] en [eisende partij], die de oorzaak was van de spanningen op de afdeling, niet tijdig en niet voldoende is onderkend, alsook dat het gaat om een omstandigheid die voornamelijk in de risicosfeer van St. Maartenskliniek ligt, die als professionele organisatie gemakkelijker dan [eisende partij] kan beschikken over middelen om iets aan een dergelijk probleem te doen. In zoverre is de kantonrechter van oordeel, dat St. Maartenskliniek zich jegens [eisende partij] niet als een goed werkgeefster heeft gedragen. De spanningen tussen [eisende partij] en [afdelingshoofd] zijn daardoor onnodig hoog opgelopen en haar arbeidsongeschiktheid in de periode 1995-1996 is daar blijkens haar dagboeknotities in belangrijke mate een gevolg van.

3.2.8. Bij de beantwoording van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst om die reden als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt, moeten alle aangevoerde en juist bevonden feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Hieruit volgt dat, hoewel blijkens het verzoek van St. Maartenskliniek aan CWI om een ontslagvergunning de opzegging niet is gegrond op feiten en omstandigheden in de eerste arbeidsongeschiktheids-periode, rekening moet worden gehouden met hetgeen hiervoor is overwogen.

3.2.9. Het “Overzicht dossier mevrouw [voorletters eisende partij] [eisende partij]”, dat St. Maartenskliniek als bijlage had meegestuurd bij haar verzoek om een ontslagvergunning, begint op 9 april 1999, ruim drie jaar na de gebeurtenissen tot februari 1996 die [eisende partij] in haar dagboek vastlegde. Vanaf november 1996 heeft [eisende partij] - zo volgt uit hetgeen zij stelt - in het kader van haar reïntegratie op een andere afdeling gewerkt, de afdeling Volwassenenrevalidatie, waar zij op 9 januari 1998 opnieuw door ziekte is uitgevallen.

3.2.10. St. Maartenskliniek voert aan, dat [eisende partij] haar klachten in de eerste arbeidsongeschiktheidsperiode niet inzichtelijk heeft gemaakt en St. Maartenskliniek - zoals deze stelt - niet bekend is met de aard van die klachten omdat zij niet over het medisch dossier van [eisende partij] mag beschikken. Volgens St. Maartenskliniek is de eerste periode van haar arbeidsongeschiktheid in 1996 “ten einde gekomen”.

3.2.11. Indien St. Maartenskliniek hiermee bedoelt dat de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] in de eerste periode niet een relevante omstandigheid voor de beoordeling van de (kennelijke on)redelijkheid van het ontslag, kan dat verweer haar niet baten. [eisende partij] heeft immers onbetwist gesteld, dat zij in het kader van haar reïntegratie op de afdeling Volwassenenrevalidatie is gaan werken. St. Maartenskliniek heeft in het geheel geen informatie van de bedrijfsarts of het UWV in het geding gebracht, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de reïntegratie van [eisende partij] op de afdeling Volwassenenrevalidatie is geslaagd en ertoe heeft geleid dat zij op enig tijdstip tussen november 1996 en 9 januari 1998 weer volledig arbeidsgeschikt verklaard is. Ook anderszins is dit niet gebleken.

3.2.12. Hierbij komt nog het volgende. [eisende partij] heeft gesteld dat zij eind november 1997 haar pols heeft verstuikt, dat zij zich heeft laten onderzoeken door de dienstdoende revalidatiearts, dat haar een drukverband is aangemeten en dat zij haar pols zo veel mogelijk moest ontzien. In december 1997 droeg zij nog steeds het drukverband. Haar afdelingshoofd was bekend met de blessure. Op de avond van 22 december 1997 stond [eisende partij], als gevolg van ziekte onder de collega’s, alleen voor de zorg van de patiënten van haar afdeling, waarbij zij slechts werd bijgestaan door een 1e-jaars stagiair MDGOVP. Een patiënt kreeg een hartstilstand en [eisende partij] moest reanimeren. Hierdoor is een aantal pezen in de geblesseerde hand beschadigd, waarna peesontsteking en posttraumatische dystrofie zijn ontstaan. Zij stelt daardoor haar werk in de verpleging niet meer te zullen kunnen verrichten.

3.2.13. St. Maartenskliniek betwist een en ander bij gebrek aan wetenschap. Zij acht het gestelde onaannemelijk, omdat een alarmsysteem voorhanden is waarmee in de zeldzame gevallen dat reanimatie noodzakelijk is, direct een collega kan worden opgeroepen. Zij vindt het vreemd dat [eisende partij] haar niet binnen vijf jaar na het voorval op de voet van het bepaalde in artikel 7:658 BW aansprakelijk heeft gesteld.

3.2.14. [eisende partij] stelt dat er geen alarmsysteem aanwezig was, en dat zij het reanimatieteam heeft laten oproepen, dat in verband met een lopende verbouwing buitenom van een ander gebouw moest komen. Deze omstandigheden zijn door haar gemeld bij de arbo-arts. Cadans heeft op 28 september 1998 een brief aan St. Maartenskliniek gestuurd, geschreven door dr. Kessener, waarin is vastgelegd dat de reanimatie de medische klachten van [eisende partij] heeft verergerd. [eisende partij] verzoekt St. Maartenskliniek deze brief in het geding te brengen.

3.2.15. De kantonrechter overweegt dat St. Maartenskliniek niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat [eisende partij] op de bewuste avond in december 1997 alleen voor de zorg van de patiënten op haar afdeling stond en dat haar afdelingshoofd wist van haar polsblessure. Dat een van de patiënten een hartstilstand kreeg, heeft St. Maartenskliniek eveneens onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat dit tussen partijen vast staat. Dit leidt tot het oordeel dat St. Maartenskliniek voor de arbeid van [eisende partij] niet zodanige maatregelen heeft getroffen als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden schade lijdt. In de acute noodsituatie die ontstaat door de hartstilstand van een aan haar zorg toevertrouwde patiënt, waarin het belang van die patiënt onmiddellijk ingrijpen vereist, kon van [eisende partij] in redelijkheid niet worden verlangd dat zij tijd zou nemen voor het maken van een weloverwogen keus tussen dat belang en haar eigen belang bij het ontzien van de geblesseerde pols. Zou dit al anders zijn, dan stond zij voor de vraag of het reanimatieteam tijdig aanwezig zou zijn en of zij de komst ervan lijdzaam mocht afwachten. Voor zover St. Maartenskliniek haar verwijt een verkeerde afweging te hebben gemaakt, treft dat verwijt geen doel.

3.2.16. St. Maartenskliniek heeft nog de vraag opgeworpen, waarom [eisende partij] haar niet eerder aansprakelijk heeft gesteld voor de gevolgen van het voorval, maar vermeldt niet welke rechtsgevolgen zij aan het tijdsverloop verbonden wenst te zien. Voor zover St. Maartenskliniek bedoeld heeft een beroep op rechtsverwerking te doen, kan dat beroep niet slagen. Daargelaten dat, zolang partijen nog on speaking terms waren over de reïntegratie van [eisende partij], het instellen of enkel aankondigen van aansprakelijkstelling en rechtsmaatregelen niet opportuun was, valt niet in te zien waarom het voorval bij de beoordeling van de rechtsvraag buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.2.17. Ten slotte verwijt [eisende partij] St. Maartenskliniek dat zij zich (ook) in de tweede periode van haar arbeidsongeschiktheid niet voldoende reïntegratie-inspanningen heeft getroost.

3.2.18. Dit verwijt mist in zoverre zijn doel, dat vast staat dat St. Maartenskliniek reeds kort nadat [eisende partij] was uitgevallen, een reïntegratieplan heeft opgesteld, dat door Cadans is goedgekeurd, dat in de loop van 1999 verscheidene gesprekken zijn gevoerd en dat [eisende partij] is toegezegd, dat de reïntegratie-inspanning ook na 1 februari 2000 zou worden voorgezet. Dat dit laatste ook is gebeurd, is echter onvoldoende gebleken. Wel heeft St. Maartenskliniek in de loop van de tijd enkele vacatures onder haar aandacht gebracht en is zij nog enkele malen uitgenodigd voor een gesprek, maar uit de stukken valt niet meer af te leiden dan dat dit gemiddeld één keer per jaar is gebeurd. Gegeven het bepaalde in artikel 7:658a BW heeft de werkgever die zich beperkt tot het vrijblijvend aanbieden van enkele vacante functies en de werknemer laat deelnemen aan een sollicitatieprocedure, niet voldaan aan zijn reïntegratieverplichting. Het verwijt aan het adres van St. Maartenskliniek is voor het overige dan ook gerechtvaardigd.

3.2.19. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat St. Maartenskliniek de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] kennelijk onredelijk heeft opgezegd. [eisende partij] komt daarom een schadevergoeding ten laste van St. Maartenskliniek toe. De schadevergoeding op de voet van het bepaalde in artikel 7:681 lid 1 BW behoort naar billijkheid te worden vastgesteld. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval zal de kantonrechter het bedrag van de vergoeding van materiële en immateriële schade vaststellen op € 58.000,- bruto.

3.3. Conclusie; proceskosten

3.3.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de primaire vordering worden toegewezen op de wijze als hierna zal worden vermeld.

3.3.2. St. Maartenskliniek zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van [eisende partij] gevallen kosten worden begroot op € 84,31 voor het exploot van dagvaarding, € 199,- voor vastrecht en twee punten à € 600,- volgens het liquidatietarief voor salaris gemachtigde, totaal € 1.483,31.

BESLISSING

De kantonrechter

- verklaart voor recht, dat St. Maartenskliniek de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] kennelijk onredelijk heeft opgezegd;

- veroordeelt St. Maartenskliniek om tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 58.000,- bruto aan [eisende partij] te betalen voor vergoeding van materiële en immateriële schade;

- veroordeelt St. Maartenskliniek in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 1.483,31;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- verklaart de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.P.M. Weusten en in het openbaar uitgesproken op