Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BE7526

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
18-08-2008
Zaaknummer
165809
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verenigingsbestuur heeft eisers uit de vereniging gezet. Eisers komen op tegen dat besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165809 / HA ZA 08-153

Vonnis van 30 juli 2008

in de zaak van

1. [eisers]

eisers,

procureur mr. H.M.G. van Lotringen,

advocaat mr. I.R.M. Goedings te Ede,

tegen

de vereniging

VERENIGING SERVICEFLAT "PARKFLAT DE VALKENBURCHT",

gevestigd te Oosterbeek,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. R.M. Rijpstra te Arnhem.

Partijen zullen hierna [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en de Vereniging genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 april 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wonen in “Parkflat De Valkenburcht” te Oosterbeek. In dat kader zijn zij lid (geweest) van de Vereniging.

2.2. In de statuten van de Vereniging is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

“Lidmaatschap

Artikel 9

(…)

2. Het lidmaatschap geeft aan het lid het recht op uitsluitend gebruik van de wooneenheid, waarop het lidmaatschap betrekking heeft, zomede het medegebruik van de gemeenschappelijke ruimten van het flatgebouw en de aan de vereniging toebehorende terreinen, zulks met inachtneming van deze statuten en het huishoudelijk reglement.

(…)

Rechten en verplichtingen der leden

Artikel 12

1. Ieder lid heeft recht op de door of vanwege de vereniging verstrekte diensten en verzorgende verstrekkingen als bedoeld in artikel 4, zomede de service-verlening die voortvloeit uit besluiten van de algemene vergadering of bestuur.

2. Ieder lid is verplicht tot betaling van een door het bestuur, met inachtneming van de door de algemene vergadering goedgekeurde begroting, te bepalen bedrag als aandeel in de exploitatiekosten, welke ten laste van de vereniging komen. (…)

Einde van het lid zijn van de vereniging

Artikel 15

1. Een lid houdt op lid van de vereniging te zijn:

(…)

d. door ontzetting; deze kan alleen worden uitgesproken, wanneer een lid in strijd met statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt

Dit laatste zal ondermeer het geval zijn:

- indien het lid ernstige overlast aan de overige bewoners of enkele hunner heeft aangedaan;

- wanneer financiële verplichtingen, ongeacht uit welken hoofde dan ook, jegens de vereniging niet worden nagekomen of een aan de vereniging toegezegde zekerheidsstelling niet wordt gegeven;

- wanneer in strijd wordt gehandeld met (…) de artikelen 13 en 14;

- wanneer in de wooneenheid handelingen worden verricht of toegelaten, welke redelijkerwijze in het flatgebouw ontoelaatbaar moeten worden geacht.

- wanneer is gebleken dat opzettelijk onjuiste gegevens in het kader van de aanvraag van toelating tot het lidmaatschap aan het bestuur zijn verstrekt dan wel feiten of omstandigheden zijn verzwegen, die, indien het bestuur deze had gekend, redelijkerwijs tot afwijzing van de aanvraag zou hebben geleid.

(…)

5. Ontzetting geschiedt door het bestuur. De betrokkene wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld.

6. Van een besluit tot ontzetting staat de betrokkene binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de algemene vergadering als bedoeld in artikel 43. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

Artikel 17

1. Ontzetting bedoelt in artikel 15 lid 1 sub d brengt met zich mee, dat het lidmaatschap en alle daaruit voortvloeiende rechten vervallen aan de vereniging; de verplichtingen van het lidmaatschap blijven echter ten laste van het ontzette lid totdat het bestuur het lidmaatschap aan een ander lid of een derde heeft overgedragen en tevens al het door het ontzette lid uit welken hoofde ook verschuldigde aan de vereniging is voldaan of met haar verrekend.

Algemene vergadering

Artikel 24

1. Er worden jaarlijks twee gewone algemene vergaderingen bijeengeroepen (…)

2. Buitengewone algemene vergaderingen worden bijeengeroepen wanneer het bestuur zulks nodig oordeelt.

3. Het bestuur is verplicht zodanige vergaderingen bijeen te roepen, indien dit door tenminste één/tiende deel der leden wordt verzocht; bij het verzoek dient te worden opgegeven welke onderwerpen verzoekers ter vergadering wensen te zien behandeld; het bestuur is gehouden deze onderwerpen op de agenda te plaatsen.

4. Indien het bestuur aan het in het vorige lid bedoelde verzoek niet voldoet binnen veertien dagen na de indiening, danwel de vergadering niet binnen vier weken na de indiening van het verzoek wordt gehouden, kunnen de verzoekers zelf tot bijeenroeping van een algemene vergadering overgaan op de wijze bij artikel 27, eventueel 28 lid 2, voorgeschreven.

Artikel 28

1. Geldige besluiten kunnen door de algemene vergadering slechts worden genomen, wanneer tenminste de helft der stemgerechtigde leden der vereniging bij de opening der vergadering tegenwoordig of vertegenwoordigd is.

(…)

3. In de algemene vergadering wordt beslist bij meerderheid van het aantal uitgebrachte geldige stemmen, voor zover de statuten of de wet niet ander bepalen. (…)

Beroep

Artikel 43

(…)

7. Een lid, dat op grond van artikel 15 uit zijn lidmaatschap is ontzet, staat binnen één maand na de dag, waarop de brief houdende mededeling van de ontzetting aan hem tegen ontvangstbewijs is uitgereikt danwel voor aangetekende verzending ter post is bezorgd, schriftelijk beroep open op de algemene vergadering.

8. Het beroepschrift wordt verzonden aan het bestuur der vereniging, hetwelk verplicht is de behandeling van het beroep te plaatsen op de agenda van een binnen één maand na ontvangst te houden algemene vergadering.

9. De appellant wordt in de gelegenheid gesteld het beroepschrift in de vergadering, waarin het wordt behandeld, toe te lichten, doch neemt niet deel aan de stemming, welke buiten zijn tegenwoordigheid zal plaatshebben.

10. De beslissing van de vergadering wordt binnen acht dagen nadat zij is gegeven, door de secretaris aan de belanghebbende medegedeeld (…).”

2.3. Bij brief van 1 februari 2007 heeft [gedaagde sub 1], samengevat, het bestuur van de Vereniging (hierna: het bestuur) verzocht een buitengewone algemene vergadering (hierna: BAV) bijeen te roepen, met als doel de leden c.q. bewoners te informeren over de mogelijkheden die de Stichting Dienstverlening Serviceflats (hierna: SDS) kan bieden met betrekking tot de toekomst van de serviceflat. Bij de brief is een lijst met handtekeningen gevoegd van (mede)bewoners die het verzoek steunen. [gedaagde sub 1] heeft een kopie van de brief aan SDS gezonden.

2.4. Bij brief van 7 februari 2007 heeft het bestuur aan [gedaagde sub 1] medegedeeld geen gevolg te zullen geven aan het verzoek. Als reden hiervoor wordt, samengevat, genoemd dat het bestuur in het verleden negatieve ervaringen heeft opgedaan met SDS. Het bestuur verklaart zich wel bereid een BAV bijeen te roepen waarin de leden een oordeel kunnen uitspreken over de vraag of SDS uitgenodigd moet worden.

2.5. Bij brief van 9 februari 2007 heeft [gedaagde sub 1] het bestuur, kort gezegd, medege-deeld dat het verzoek tot bijeenroepen van een BAV wordt gehandhaafd en dat de weigering van het bestuur niet relevant is en in strijd is met de statuten, omdat de leden zich al hebben uitgesproken vóór een informatieve vergadering met SDS.

2.6. Op 16 februari 2007 heeft het bestuur de leden schriftelijk uitgenodigd tot het bijwonen van een BAV op 7 maart 2007. Op de agenda (punt 4) staat onder meer vermeld de uitnodiging van SDS. Voorts is een aantal bijlagen bijgevoegd, waaronder de brieven van 1, 7 en 9 februari 2007 en een toelichting van het bestuur op haar voornoemde weigering.

2.7. Bij brief van 20 februari 2007 heeft [gedaagde sub 1] het bestuur, voor zover relevant, geschreven:

“Op mijn brief van 9 februari jl., met als onderwerp een te houden buitengewone algemene ledenvergadering (BALV), kreeg ik tot op heden geen antwoord. Wel ontving ik daarna (…) de agenda van een door het bestuur te organiseren buitengewone ledenvergadering op 7 maart 2007.

Ik teken bezwaar aan tegen deze gang van zaken en zie uw handelwijze als een staaltje van “onbehoorlijk bestuur” om onder meer de navolgende redenen:

1.1 Het verzoek tot het houden van een BALV is al door een aantal leden gedaan met brief dd. 1 februari 2007 Bedoeld verzoek heeft derhalve voorrang boven de door u aangekondigde BALV op 7 maart 2007.

1.2 Het bestuur heeft met de brief van 7 februari jl. geweigerd om aan het verzoek van de leden te voldoen. Het handelt daarmee in strijd met de statuten. Als gevolg hiervan treedt artikel 24.2 van de statuten in werking.

2. De initiatiefnemers handhaven hun voornemen tot het bijeenroepen van een buitengewone

ledenvergadering, zoals verzocht in mijn brief van 1 februari jl.. De Stichting Dienstverlening

Serviceflats (S.D.S.) zal hiervoor worden uitgenodigd.

(…)

5. Mocht het bestuur aan het verzoek van de leden van 1 februari jl. geen gevolg willen geven, dan

zal ik daar elders bezwaar tegen aantekenen.

Met vriendelijk groet, mede namens de initiatiefnemers,

[voorletters] [gedaagde sub 1] cc. S.D.S./leden”

2.8. Op 23 februari 2007 heeft het bestuur schriftelijk gereageerd en aangegeven dat artikel 24 van de statuten voldoende ruimte biedt voor een eigen beoordeling van verzoeken en dat de leden het recht hebben om zelf een BAV bijeen te roepen.

2.9. Bij de stukken bevindt zich een schrijven d.d. 3 maart 2007, afkomstig van [gedaagde sub 2], met als opschrift “Overdenkingen van een bewoner”. Hierin schrijft hij onder meer:

“Van het bestuur ontvingen wij de “Mededelingen betreffende Quo Vadis”, d.d. 2 februari 2007, waarin 4 rubrieken worden behandeld:

(…)

b. Taxatie en verdeling: wat dat inhield hebben we inmiddels waargenomen: waren dit wel de juiste taxaties; het straalde weinig/geen vertrouwen uit! Bovendien werd door een taxateur medegedeeld: taxatiekosten zijn voor rekening van de fa. Westermeijer; een andere taxateur vertelde: de kosten komen voor rekening van uw bestuur! Wie is hier de filantroop en wie uiteindelijk de slachtoffers??

(…)

De huidige voorzitter maakte tegen een lid de opmerking: HET BESTUUR IS DE BAAS en niet de leden of de ledenvergadering. (…)

Dan is nog het volgende aan u mede te delen t.a.v. de t.z.t. evt. verkoop van “De Valkenburcht”:

Adviezen van een paar notarissen, een vermogensbeheerder en een te goeder naam en faam bekend staand makelaar:

verkoop niet aan een projectontwikkelaar of een commercieel onroerendgoed-opkoper; die zijn er nl. op uit een object zo goedkoop mogelijk in de vingers te krijgen om het daarna zo hoog mogelijk weer te verkopen (etc.)! Het zijn beslist geen filantropen; er wordt vaak ook met “bonussen” gewerkt, etc.; een goed verstaander heeft hier maar een half woord nodig om e.e.a. te begrijpen! (…)”

2.10. Op 7 maart 2007 heeft een BAV plaatsgevonden, waar onder meer - zo blijkt uit de notulen - de uitnodiging van SDS en het rondschrijven van [gedaagde sub 2] aan de orde zijn gesteld.

2.11. Bij brief van 7 maart 2007 heeft het bestuur [gedaagde sub 2] uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van zijn rondschrijven. Bij brief van 12 maart 2007 heeft mr. Goedings namens [gedaagde sub 2] aan het bestuur medegedeeld dat [gedaagde sub 2] om hem moverende redenen niet in staat is op het verzoek in te gaan.

2.12. Bij brief van 14 maart 2007 heeft het bestuur [gedaagde sub 1] uitgenodigd voor een gesprek over de volgende onderwerpen:

1. het misbruiken van stemmen in de brieven van 9 en 20 februari 2007,

2. het verzenden van een kopie van de brief van 20 februari aan SDS,

3. hinderlijk gedrag ten opzichte van medebewoners in de recreatiezaal.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft [gedaagde sub 1] aangegeven geen behoefte te hebben aan een dergelijk gesprek, maar wel bereid te zijn te praten over een bijeenkomst met SDS.

2.13. Bij brief van 23 maart 2007 heeft het bestuur, samengevat, aan [gedaagde sub 2] geschreven dat het hem vrij staat zijn mening aan de leden/bewoners kenbaar te maken middels voormeld rondschrijven, maar dat de zinsneden zoals hiervoor onder 2.9 verwoord als zeer ernstige beschuldigingen moeten worden aangemerkt en dat het bestuur hiertegen geen weerwoord heeft kunnen voeren. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] geweigerd in gesprek te treden over dit onderwerp. Voorts staat in de brief:

“Het bestuur is van oordeel dat u, handelend zoals u hebt gedaan, de vereniging op onredelijke wijze hebt benadeeld. In verband daarmee heeft het bestuur besloten u uit het lidmaatschap van onze vereniging te ontzetten. Het bestuur maakt hiertoe gebruik van de mogelijkheid die artikel 15 lid 1 onder d. van de statuten van onze vereniging biedt.

De ontzetting uit het lidmaatschap heeft onder meer tot gevolg dat u niet langer gebruik kunt maken van de gemeenschappelijke ruimtes, zoals de recreatiezaal en de biljartkamer. De gevolgen treffen ook uw echtgenote. Voor haar geldt eveneens dat zij niet langer de samenkomsten in de recreatiezaal kan bezoeken. (…)”

2.14. Bij brief van 28 maart 2007 heeft het bestuur, samengevat, aan [gedaagde sub 1] geschreven dat nu [gedaagde sub 1] heeft geweigerd in gesprek te gaan over de drie punten zoals genoemd in de brief van 14 maart 2007, hij heeft besloten hem uit het lidmaatschap van de Vereniging te ontzetten. Het bestuur schrijft:

“Het bestuur is van oordeel dat u, handelend zoals u hebt gedaan, de vereniging op onredelijke wijze hebt benadeeld. In verband daarmee heeft het bestuur besloten u uit het lidmaatschap van onze vereniging te ontzetten. Het bestuur maakt hiertoe gebruik van de mogelijkheid die artikel 15 lid 1 onder d. van de statuten van onze vereniging biedt.

De ontzetting uit het lidmaatschap heeft onder meer tot gevolg dat u niet langer gebruik kunt maken van de gemeenschappelijke ruimtes, zoals de recreatiezaal en de biljartkamer.”

2.15. Op 30 maart 2007 heeft mr. Goedings namens [gedaagde sub 2] beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur d.d. 23 maart 2007.

2.16. Bij brief van 5 april 2007 heeft het bestuur gereageerd en, kort gezegd, aangegeven dat [gedaagde sub 2] nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om een afspraak te maken voor een bespreking met het bestuur en alsdan zijn verontschuldigingen aan te bieden.

Op genoemde datum is tevens een brief verzonden aan [gedaagde sub 3], waarin het bestuur aangeeft terug te komen op zijn eerdere beslissing dat de gevolgen van de ontzetting van het lidmaatschap van [gedaagde sub 2] ook haar raken en dat het haar wederom vrij staat gebruik te maken van de gemeenschappelijke ruimtes.

2.17. In zijn brief van 12 april 2007 heeft mr. Goedings aangegeven dat ten aanzien van [gedaagde sub 3] een excuusbrief van het bestuur op zijn plaats is en dat [gedaagde sub 2] nog steeds achter het door hem gestelde staat en het maken van excuses niet opportuun acht.

2.18. Op 12 april 2007 heeft mr. Goeding namens [gedaagde sub 1] beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur d.d. 28 maart 2007.

2.19. Op 20 april 2007 heeft het bestuur de leden schriftelijk uitgenodigd tot het bijwonen van een BAV op 7 mei 2007. Op de agenda staan onder meer vermeld de beroepsschriften van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]. Het bestuur heeft voorts een toelichting op zijn besluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] bijgevoegd. Hierin staat, samengevat en voor zover relevant, dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben geweigerd in gesprek te gaan met het bestuur en verantwoording af te leggen voor hun acties, zodat - aldus het bestuur - geen andere mogelijkheid overbleef dan de ontzetting uit het lidmaatschap. Voorts wordt aangegeven dat het geenszins de bedoeling is [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] het woonrecht te ontnemen.

2.20. Blijkens de notulen is tijdens de BAV van 7 mei 2007 niet het vereiste aantal leden aanwezig geweest om besluiten te kunnen nemen, zodat de vergadering is verdaagd naar de algemene ledenvergadering van 30 mei 2007.

2.21. Bij brief van 11 mei 2007 heeft het bestuur aan mr. Goedings geschreven dat [gedaagde sub 1] zich, in weerwil van het besluit van 28 maart 2007, heeft opgehouden in de recreatiezaal.

2.22. Bij brief van 24 mei 2007 heeft mr. Goedings namens [gedaagde sub 1] gereageerd en aangegeven dat laatstgenoemde zich niet zal houden aan het opgelegde verbod.

2.23. Op 30 mei 2007 heeft een algemene ledenvergadering plaatsgevonden, waarin onder meer - zo blijkt uit de notulen - de ontzetting uit het lidmaatschap van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] aan de orde is geweest. Tijdens de vergadering heeft mr. Goedings het woord gevoerd namens hen.

De ledenvergadering heeft vervolgens bij meerderheid van stemmen de bestuursbesluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] bekrachtigd.

2.24. Op 4 juni 2007 heeft het bestuur aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] schriftelijk mede-gedeeld dat nu een meerderheid van de leden vóór de genoemde besluiten heeft gestemd, deze definitief zijn geworden, hetgeen betekent dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] niet langer stemgerechtigd zijn en geen toegang meer hebben tot de ledenvergaderingen. [gedaagde sub 1] heeft voorts geen toegang meer tot de recreatiezaal.

2.25. Bij dagvaarding van 18 juli 2007 zijn [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] een kort geding procedure gestart tegen de Vereniging.

Bij vonnis van 5 december 2007 heeft de Voorzieningenrechter - onder meer - geoordeeld dat de besluiten van 23 en 28 maart 2007 door de algemene vergadering zijn bekrachtigd en dat deze derhalve rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, doch dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat de besluiten in een nader te voeren bodemprocedure zullen worden vernietigd op grond van artikel 2:15 BW, zodat aanleiding bestaat de besluiten te schorsen.

2.26. Bij de stukken bevindt zich ten slotte nog een brief van het bestuur d.d. 14 december 2007, gericht aan de leden van de Vereniging, waarin het bestuur meedeelt dat het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van [gedaagde sub 3] is ingetrokken, omdat dit op onjuiste gronden was genomen.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen samengevat - dat de besluiten van 23 maart 2007 ten aanzien van [gedaagde sub 2] en van 28 maart 2007 ten aanzien van [gedaagde sub 1] worden vernietigd en dat de Vereniging binnen 24 uur na het te betekenen vonnis een brief zendt aan alle bewoners van “Parkflat de Valkenburcht” waarin zij excuses maakt voor de wijze waarop zij zijn bejegend, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijft, en dat de Vereniging wordt veroordeeld tot betaling van € 9.085,64 aan kosten ter zake van rechtsbijstand en € 10.500,- aan immateriële schadevergoeding, met veroordeling van de Vereniging in de kosten van de procedure. Voorts hebben [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] een tekst opgesteld voor de genoemde brief.

3.2. De Vereniging voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen dat de besluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap van de Vereniging van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vernietigbaar zijn omdat zij, kort gezegd, op onjuiste gronden zijn genomen en bovendien in strijd zijn met de statuten, zodat zij nietig zijn. Daarbij hebben zij er onder meer op gewezen dat het bestuur de leden van de Vereniging heeft voorzien van onjuiste en onvolledige informatie en dat sprake is van ‘stemmingmakerij’. Zij achten de besluiten voorts buitenproportioneel, omdat zij hierdoor (te) ernstig worden beperkt in hun woonrecht. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen dat zij als gevolg van één en ander grote schade hebben geleden en dat het bestuur gehouden is hen hiervoor te compenseren.

4.2. Artikel 15 lid 1 sub d van de statuten van de Vereniging biedt het bestuur de mogelijkheid een lid uit het lidmaatschap te ontzetten wanneer het lid de Vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Blijkens de brieven van 23 en 28 maart 2007 is het bestuur van oordeel dat sprake is van een zodanige benadeling door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat ontzetting uit het lidmaatschap gerechtvaardigd is. De genoemde besluiten zijn vervolgens bekrachtigd door de ledenvergadering. Daarmee heeft de ledenvergadering kennelijk (tevens) het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ongegrond verklaard (artikel 43 jo. 28 van de statuten). Dit brengt mee dat de besluiten geacht moeten worden rechtsgeldig te zijn, voor zover het de wijze van totstandkomen betreft.

Dat de ledenvergadering in haar stemgedrag is beïnvloed door het bestuur kan niet worden vastgesteld. De toelichting op de besluiten die het bestuur heeft meegezonden bij de uitnodiging/agenda van de BAV van 7 mei 2007 is niet zodanig dat van ‘stemmingmakerij’ moet worden gesproken. Dat de voorzitter van het bestuur vervolgens tijdens de vergadering van 30 mei 2007 bepaalde uitlatingen heeft gedaan over [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is bepaald ongelukkig, doch op zichzelf volgt ook hier niet uit dat sprake is van beïnvloeding. Daarbij moet tevens worden bedacht dat ook mr. Goedings het woord heeft gevoerd namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en hun kant van de zaak heeft belicht, zodat ‘hoor en wederhoor’ heeft plaatsgevonden. Van vernietigbaarheid in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW is dan ook geen sprake.

4.3. Het bestuur heeft aan zijn besluit ten aanzien van [gedaagde sub 1] - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat hij in zijn brieven van 9 en 20 februari 2007 misbruik heeft gemaakt van stemmen, dat hij een kopie van zijn brief van 20 februari 2007 aan SDS heeft gestuurd en dat hij zich hinderlijk heeft gedragen in de recreatiezaal. Omdat [gedaagde sub 1] vervolgens weigerde een gesprek aan te gaan en verantwoordelijkheid af te leggen over één en ander zag het bestuur geen andere mogelijkheid dan tot ontzetting over te gaan.

Aan het besluit ten aanzien van [gedaagde sub 2] heeft het bestuur - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat hij in zijn rondschrijven van 3 maart 2007 bepaalde uitlatingen heeft gedaan die als zeer ernstige beschuldigingen richting het bestuur moeten worden aangemerkt en waarmee hij de integriteit van de betrokkenen ten onrechte in twijfel heeft getrokken. Omdat ook [gedaagde sub 2] weigerde hierover in gesprek te gaan en excuses te maken, zag het bestuur zich genoodzaakt het besluit van 23 maart 2007 te nemen.

4.4. [gedaagde sub 1] heeft zijn brieven van 9 en 20 februari 2007 ondertekend ‘mede namens de initiatiefnemers’, waarmee werd gedoeld op de leden die hun handtekening hadden gezet op de lijst, gevoegd bij de brief van 1 februari 2007. Volgens de Vereniging is sprake van misbruik van stemmen omdat de genoemde leden pas naderhand kennis hebben genomen van de inhoud van de brieven en hiervoor geen toestemming hebben verleend. [gedaagde sub 1] heeft ter comparitie opgemerkt dat hem een ‘mandaat’ was verstrekt door de leden om de voorlichting met SDS te regelen en dat daaronder ook het voeren van correspondentie viel. Indien dit laatste juist is, is geen sprake van ‘misbruik’ van stemmen. Nog afgezien daarvan is de rechtbank echter van oordeel dat een dergelijk handelen door [gedaagde sub 1] niet zodanig ernstig is, dat ter zake maatregelen genomen moeten worden door het bestuur. Daar komt bij dat tijdens de comparitie namens de Vereniging is verklaard dat zij behoudens één opmerking van één lid tijdens de vergadering van 7 maart 2007 feitelijk geen klachten hierover heeft gekregen.

4.5. [gedaagde sub 1] heeft een afschrift van zijn brief van 20 februari 2007, waarin hij het bestuur beticht van ‘onbehoorlijk bestuur’, gezonden aan SDS. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] naar het oordeel van de rechtbank onverstandig gehandeld. [gedaagde sub 1] was er van op de hoogte dat het bestuur niet met SDS in zee wilde gaan, vanwege eerdere negatieve ervaringen. Daarvan had het bestuur hem immers (nogmaals) expliciet op de hoogte gesteld in haar brief van 7 februari 2007. Dat [gedaagde sub 1] het niet eens was met die keuze en de wijze waarop het bestuur op zijn verzoeken reageerde, rechtvaardigt nog niet dat hij SDS - die immers als buitenstaander moet worden beschouwd - in die discussie heeft betrokken door haar een afschrift van zijn brief te zenden. [gedaagde sub 1] had er verstandiger aan gedaan eerst de discussie omtrent de uitnodiging van SDS in de vergadering van 7 maart 2007 af te wachten, waarvoor hij inmiddels ook een uitnodiging had ontvangen.

4.6. Ten aanzien van het incident in de recreatiezaal wordt het volgende overwogen. Vast staat dat één bewoonster de zaal heeft verlaten naar aanleiding van discussies tussen de bewoners onderling over het bestuur en de toekomst van de flat. Dat dit enkel het gevolg zou zijn van gedrag of opmerkingen van [gedaagde sub 1] is niet vast komen te staan. [gedaagde sub 1] betwist dat hij onrust heeft gestookt of dat hij ooit is aangesproken op zijn gedrag door medebewoners, terwijl de Vereniging heeft verklaard dat zij vijf of zes klachten heeft gehad van mensen “die het gepraat zat waren”. Dat dit enkel zou slaan op ‘gepraat’ van [gedaagde sub 1] is niet gebleken, zodat hij hiervoor niet zonder meer volledig verantwoordelijk kan worden gehouden.

4.7. [gedaagde sub 2] heeft in zijn schrijven van 3 maart 2007, naar eigen zeggen, slechts zijn mening gegeven over bepaalde zaken, zonder het bestuur te willen beledigen of beschuldigen. De toon van de brief is in bepaalde opzichten echter wel scherp en suggestief. Hoewel het [gedaagde sub 2] vrij staat zijn mening te geven en eventuele onjuistheden aan te kaarten, dient hij daarbij wel de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. [gedaagde sub 2] had er verstandiger aan gedaan zijn grieven eerst bij het bestuur neer te leggen, alvorens (ongevraagd) een rondschrijven aan alle bewoners te doen toekomen, waarin hij zijn (eenzijdige) mening gaf. Daar komt bij dat inmiddels de uitnodiging/agenda voor de BAV van 7 maart 2007 was verspreid en dat in die vergadering de kwestie omtrent SDS aan de orde zou worden gesteld, alsmede (de stemprocedure bij) een eventuele verkoop van het gebouw. [gedaagde sub 2] had derhalve ook de gebruikelijke weg kunnen volgen en zijn grieven tijdens deze vergadering kunnen uiten, waarop het bestuur vervolgens ook direct had kunnen reageren.

4.8. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in bepaalde opzichten te ver gegaan. Dat zij - om welke reden dan ook - hebben geweigerd om een gesprek aan te gaan met het bestuur en excuses aan te bieden maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het bestuur geen andere mogelijk restte dan de onderhavige besluiten te nemen. De maatregel tot ontzetting uit het lidmaatschap is, zo volgt uit de voorbeelden genoemd in artikel 15 van de statuten, slechts gerechtvaardigd in uitzonderlijke en ernstige gevallen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat sprake zou zijn van een reeks van incidenten en een onhoudbare situatie is - behoudens een verwijzing naar de pleitaantekeningen ter zake van het kort geding (productie 24) - niet nader door de Vereniging onderbouwd en bovendien, zo blijkt uit de brieven van 23 en 28 maart 2007, niet aan de besluiten ten grondslag gelegd.

De gevolgen zijn voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onevenredig groot. Zij worden niet alleen beknot in hun recht om bepaalde gemeenschappelijke ruimtes te mogen gebruiken, waardoor hun woongenot beduidend afneemt, maar vooral ook in hun recht om mee te beslissen omtrent zaken die voor hen van groot (financieel) belang kunnen zijn. Hierdoor wordt hun woonrecht aanzienlijk uitgehold en daaraan doet op zichzelf niet af dat zij wel gebruik zouden mogen blijven maken van hun woning en andere voorzieningen.

Eén en ander brengt mee dat de besluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moeten worden geacht en dat zij vernietigbaar zijn (art. 2:15 lid 1 sub b jo. 2:8 BW). Dit maakt dat het gevorderde onder sub a van het petitum toewijsbaar is en dat hetgeen [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verder in dit verband hebben aangevoerd geen bespreking meer behoeft.

4.9. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderen behoudens vernietiging van de besluiten ook dat het bestuur een brief zendt aan alle bewoners waarin zij excuses maakt voor de wijze waarop zij zijn bejegend en voorts een bedrag van € 3.500,- per persoon aan immateriële schadevergoeding. De grondslag voor deze vorderingen is volgens mr. Goedings een toerekenbare tekortkoming, danwel onrechtmatige daad door de Vereniging.

4.10. Ingevolge artikel 6:106 lid 1 sub b BW heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij of zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn gegriefd door de wijze waarop zij zijn bejegend door het bestuur. Van schade als bedoeld in genoemd artikel is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake, waarbij nog wordt opgemerkt dat enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen onvoldoende is om van een aantasting in de persoon te kunnen spreken. In dat verband ziet de rechtbank ook geen meerwaarde in een verklaring van bijvoorbeeld een huisarts, zodat het ter zake gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd. Dat het bestuur zich tijdens de vergadering van 30 mei 2007 in bepaalde bewoordingen heeft uitgelaten over [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is weliswaar kwalijk te noemen, doch dit brengt niet direct mee dat ook sprake is van een schending van eer en goede naam in de zin van genoemd artikel. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben ook niet nader onderbouwd waarom hier volgens hen wel sprake van zou zijn.

4.11. Voor verzending van een excuusbrief door het bestuur ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Voor een dergelijke rectificatie is, ingevolge artikel 6:167 BW, slechts plaats wanneer iemand krachtens onrechtmatige daad aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard. Noch afgezien van de vraag of sprake is van een publicatie als bedoeld in dit artikel, is de rechtbank van oordeel dat het bestuur weliswaar ten onrechte heeft besloten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uit het lidmaatschap te ontzetten, doch dat van een onrechtmatige daad geen sprake is. Het bestuur heeft in het kader van de hem toekomende bevoegdheden een besluit genomen dat in de gegeven omstandigheden als te ingrijpend moet worden geoordeeld. Dat sprake zou zijn van een roekeloze beslissing of van misbruik van bevoegdheden of de statuten is echter niet gebleken. Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met het onderhavige vonnis waarin de besluiten worden vernietigd - hetgeen inhoudt dat zij wederom ongestoord gebruik kunnen maken van alle aan het lidmaatschap verbonden rechten - voldoende gerehabiliteerd moeten worden geacht. Ten aanzien van [gedaagde sub 3] geldt bovendien dat het bestuur in zijn brief van 14 december 2007 reeds aan de leden kenbaar heeft gemaakt dat zijn eerdere beslissing onjuist was, zodat [gedaagde sub 3] reeds als gerehabiliteerd moet worden beschouwd.

4.12. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde onder b, c, d en f van het petitum worden afgewezen.

4.13. De gevorderde kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte ad € 9.085,64 worden ambtshalve gematigd tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde € 904,-. Dat ten behoeve van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voor-werk II is onvoldoende onderbouwd, nu de namens hen overgelegde declaraties niet zijn gespecificeerd of toegelicht en niet kan worden uitgesloten dat deze (deels) zien op kosten waarvoor de artikelen 237-240 Rv reeds een vergoeding plegen in te sluiten en waarover - behalve in de onderhavige zaak - ook al een beslissing is gegeven in het kader van het kort geding. Bij deze stand van zaken bestaat ook geen aanleiding [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] alsnog toe te laten tot bewijslevering.

4.14. De Vereniging zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, welke aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot op heden worden begroot op € 515,44 aan verschotten en € 904,- aan salaris procureur (2 punten x tarief € 452,-). Daarbij wordt nog opgemerkt dat ten aanzien van [gedaagde sub 3] geen proceskosten worden toegekend, nu haar vordering tot rectificatie/verzending van een excuusbrief - zoals hiervoor onder 4.11 is overwogen - wordt afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt de besluiten van 23 maart 2007 ten aanzien van [gedaagde sub 2] en van 28 maart 2007 ten aanzien van [gedaagde sub 1],

5.2. veroordeelt de Vereniging in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 1.419,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2008.