Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BE0016

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
139599 / 141244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, mede gelet op haar taak te waken tegen onredelijke vertraging van het proces (art. 20 Rv.), van oordeel dat thans in beginsel doorgeprocedeerd moet worden. Dit zou anders kunnen zijn als beide partijen de afloop van de strafzaak wilden afwachten, maar dat is niet zo. De Ontvanger, die als eiser een evident belang bij voortprocederen heeft, wil dat thans doen. Daarbij neemt de Ontvanger desbewust het risico van een mogelijk minder gunstige bewijspositie, namelijk de positie die de vrije bewijskracht van het strafdossier zoals dat er nu ligt, meebrengt. Dit alles weegt naar het oordeel van de rechtbank op tegen de moeilijkheden die het zijn van partij in een civiel geding en in een strafproces over dezelfde materie voor gedaagde meebrengt. Hierbij geldt immers dat beide procedures zich volgens eigen regels afspelen en dat de enige dwingende bewijsbepaling in dit verband art. 161 Rv. is; een pendant daarvan kent het strafprocesrecht niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 23 juli 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 139599 / HA ZA 06-650 van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

eiser,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. E.A. van der Dussen,

advocaat mr. L. de Leon te Utrecht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 141244 / HA ZA 06-932 van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

eiser,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. E.A. van der Dussen,

advocaat mr. L. de Leon te Utrecht.

Partijen zullen hierna de Ontvanger en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure in de zaak 06-650

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 september 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2007

- de akte na comparitie van de Ontvanger

- de antwoordakte na comparitie van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak 06-932

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 september 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2007

- de akte na comparitie van de Ontvanger

- de antwoordakte na comparitie van [gedaagde].

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. Bij het scannen van het aangiftebiljet Inkomstenbelasting (IB) 2002 van mevrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is het op het aangiftebiljet gedeeltelijk doorgehaalde bedrag aan ingehouden loonheffing, dat ten gevolge van deze doorhaling twee komma’s bevatte en kennelijk € 4.704,02 moest luiden, gelezen als € 470.402,00. Vervolgens is ten gevolge van deze fout voor [betrokkene 1] een voorlopige teruggave IB 2002 van € 479.878,00 vastgesteld en is dit bedrag overgemaakt naar haar postbankrekening 7751331.

3.2. De op bedoelde fout gebaseerde voorlopige teruggave heeft geleid tot een aanslag IB 2002 van € 477.785,00.

3.3. De Belastingdienst is tot executiemaatregelen overgegaan. Op 22 juni 2004 heeft overleg met [betrokkene 1] plaatsgevonden. Zij heeft verklaard dat zij het ontvangen bedrag had overgeboekt naar een spaarrekening bij ABN AMRO Bank, maar dat een vriend van haar, [roepnaam] [betrokkene 2], haar aanraadde het geld in het buitenland te beleggen. Dat zou meer opbrengen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat [betrokkene 2], daartoe gemachtigd, het bedrag van haar ABN AMRO-rekening heeft opgenomen en het waarschijnlijk gestort heeft bij een haar onbekend filiaal van een buitenlandse bank. Zij zou geen contact meer met hem hebben gehad.

De Belastingdienst heeft haar in het gesprek aangegeven haar volledig verantwoordelijk te houden voor de terugbetaling van het bedrag.

3.4. Vervolgens heeft ABN AMRO Bank de Belastingdienst bericht dat [betrokkene 1] zelf op 6 februari 2004 een bedrag van € 475.000,00, dat op 2 februari 2004 van haar Postbankrekening op haar ABN AMRO-rekening was gestort, contant heeft opgenomen.

3.5. Daarop heeft de FIOD-ECD een onderzoek uitgevoerd. [betrokkene 1] heeft in dit onderzoek verklaard dat [betrokkene 2] een stroman was die zij kende via [gedaagde]. Het onder 3.4 bedoelde bedrag zou door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn opgenomen en aan [gedaagde] ter hand gesteld zijn, nadat [betrokkene 2] er een deel van zou hebben ontvangen.

[voornaam] [betrokkene 2] bevestigt deze verklaring voor zover hij verklaart dat hij met [betrokkene 1] naar de bank is geweest, het contante geld in ontvangst heeft genomen en in een tas heeft laten stoppen en als beloning voor zijn hulp € 4.000,00 heeft ontvangen.

3.6. [gedaagde] heeft verklaard dat hij met deze geschiedenis niets te maken heeft, dat hij bevriend is met [betrokkene 1] en dat hij [betrokkene 2] kent.

3.7. Op 20 september 2004 heeft de Ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd aan [betrokkene 1], inhoudend dat [betrokkene 1] op grond van een aanslag van 9 december 2003 inclusief kosten aan de Belastingdienst € 486.991,37 verschuldigd is.

3.8. De rechtbank te Amsterdam heeft op 1 juni 2005 op vordering van de Ontvanger bepaald dat het dwangbevel van 20 september 2004 ter zake van € 477.002,00 met de kosten van vervolging en invorderingsrente met lijfsdwang tegen [betrokkene 1] ten uitvoer gelegd kan worden. Daarbij is [betrokkene 1] veroordeeld om inlichtingen te verstrekken over het verdwenen bedrag van € 479.878,00.

3.9. Een hierop gevolgde gijzeling van [betrokkene 1], die begon op 7 juli 2005, is op bevel van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2006 opgeheven. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat niet uitgesloten kan worden dat niet [betrokkene 1], maar [gedaagde] over het verdwenen bedrag beschikte.

3.10. Op 20 januari 2006 heeft de Ontvanger derdenbeslag ten laste van [betrokkene 1] onder [gedaagde] gelegd tot verhaal van hetgeen de Ontvanger uit hoofde van het dwangbevel van 20 september 2004 van [betrokkene 1] te vorderen heeft. Gesommeerd tot het afleggen van een verklaring over het derdenbeslag heeft [gedaagde] op 12 maart 2006 via zijn advocaat verklaard dat er geen rechtsverhouding bestaat en/of heeft bestaan tussen hem en [betrokkene 1] op basis waarvan hij haar geld verschuldigd is.

4. De vorderingen in de zaak met rolnummer 06-650

4.1. De Ontvanger baseert zich op de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door wetende dat [betrokkene 1] ten onrechte een groot geldbedrag van de Belastingdienst had ontvangen, een plan te bedenken en uit te voeren om dit bedrag aan het verhaal van de Ontvanger te onttrekken, zodat door zijn toedoen de Ontvanger, nu [betrokkene 1] geen verhaal biedt, de aanslag IB 2002 niet meer van haar kan invorderen. Hij vordert primair

- voor recht te verklaren dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens de Ontvanger wegens onverhaalbaarheid van het tegen [betrokkene 1] uitgevaardigde dwangbevel van 20 september 2004 terzake van het bedrag aan door [betrokkene 1] teveel terugontvangen IB 2002,

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de Ontvanger van € 477.002,00, zijnde de hoogte van de aan [betrokkene 1] opgelegde aanslag IB 2002, vermeerderd met de kosten van vervolging ad € 9.989,37 en met de invorderingsrente vanaf 10 februari 2004, althans vanaf de dag der dagvaarding,

- veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de beslagen en het proces.

5. De vorderingen in de zaak met rolnummer 06-932

5.1. De Ontvanger baseert zich op de stelling dat [gedaagde]s onder 3.10 bedoelde verklaring onjuist is. Hij vordert primair [gedaagde] te veroordelen

- tot het verbeteren van zijn verklaring van 12 maart 2006 in dier voege dat hij verklaart dat hij ten tijde van de beslaglegging € 475.000,00 aan [betrokkene 1] verschuldigd was en tot betaling en afgifte aan de Ontvanger van dit bedrag, althans van het bedrag dat volgens de vaststelling door de rechtbank aan de Ontvanger toekomt, met rente,

en subsidiair, als [gedaagde] weigert een verklaring te doen of verstek laat gaan, hem te veroordelen

- om aan de Ontvanger € 486,991,37 te betalen, zijnde de hoogte van de belastingschuld waarvoor beslag is gelegd, te vermeerderen met de invorderingsrente vanaf 10 februari 2004, de vervaldatum van de aanslag waarvoor beslag is gelegd.

Daarbij vordert de Ontvanger veroordeling in de kosten van het beslag en het proces.

6. Het verweer in beide zaken

6.1. In beide zaken voert [gedaagde] gemotiveerd verweer. Samengevat komt dit erop neer dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onjuist zijn en dat een verband dat de Ontvanger legt tussen [gedaagde]s uitgavenpatroon en het bedrag waar het in deze procedure over gaat, niet bestaat. Hij heeft aanzienlijke inkomsten uit softdrugshandel.

7. De beoordeling in de zaken 06-650 en 06-932

7.1. Bij akte na comparitie stelt de Ontvanger dat in de strafzaken tegen [gedaagde] en [betrokkene 1] inmiddels vonnissen zijn gewezen. Deze zouden bij de akte overgelegd zijn, maar de rechtbank heeft de strafvonnissen niet bij de stukken aangetroffen. De Ontvanger zal dus in de gelegenheid worden gesteld alsnog de beide vonnissen over te leggen.

7.2. De vonnissen zijn nog niet in kracht van gewijsde gegaan omdat zowel door [gedaagde] als door [betrokkene 1] hoger beroep is ingesteld. Zij hebben dus niet de bewijskracht die in art. 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) bedoeld is, maar vrije bewijskracht. De Ontvanger wenst thans voort te procederen.

7.3. [gedaagde] stelt dat, gelet op het feit dat het hoger beroep in zijn strafzaak nog moet dienen, in dit stadium van hem niet kan worden gevergd inhoudelijk in te gaan op het strafvonnis waarvan geappelleerd is. Hij geeft de rechtbank in overweging de zaak op de parkeerrol te plaatsen en nadat in de strafzaak onherroepelijk is beslist, opnieuw een comparitie van partijen te gelasten.

7.4. De rechtbank is, mede gelet op haar taak te waken tegen onredelijke vertraging van het proces (art. 20 Rv.), van oordeel dat thans in beginsel doorgeprocedeerd moet worden. Dit zou anders kunnen zijn als beide partijen de afloop van de strafzaak tegen [gedaagde] – en eventueel ook de strafzaak tegen [betrokkene 1] – wilden afwachten, maar dat is niet zo. De Ontvanger, die als eiser een evident belang bij voortprocederen heeft, wil dat thans doen. Daarbij neemt de Ontvanger desbewust het risico van een mogelijk minder gunstige bewijspositie, namelijk de positie die de vrije bewijskracht van het strafdossier zoals dat er nu ligt, meebrengt. Dit alles weegt naar het oordeel van de rechtbank op tegen de moeilijkheden die het zijn van partij in een civiel geding en in een strafproces over dezelfde materie voor [gedaagde] meebrengt. Hierbij geldt immers dat beide procedures zich volgens eigen regels afspelen en dat de enige dwingende bewijsbepaling in dit verband art. 161 Rv. is; een pendant daarvan kent het strafprocesrecht niet.

7.5. De slotsom is dat de rechtbank de Ontvanger thans in de gelegenheid zal stellen in beide gevoegde zaken de strafvonnissen over te leggen. Desgewenst kan [gedaagde] daarop inhoudelijk bij akte reageren.

8. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 06-650

8.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 augustus 2008 voor het nemen van een akte door Ontvanger over hetgeen is vermeld onder 7.5,

8.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak 06-932

8.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 augustus 2008 voor het nemen van een akte door Ontvanger over hetgeen is vermeld onder 7.5,

8.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2008.