Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BE0005

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
171662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nu Heineken op grond van het vorenstaande niet hoefde aan te tonen dat er in het pand in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet is gehandeld, is hier niet van belang of inmiddels ook de toenmalige bedrijfsleider van Café Andalusia niet meer wordt vervolgd door justitie. Daarin kan derhalve geen nieuw feit besloten liggen als bedoeld in het hiervoor weergegeven toetsingskader onder rov. 4.2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171662 / KG ZA 08-397

Vonnis in kort geding van 25 juli 2008

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

ANDALUSIA C.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J. van Delft,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. Ch.Y.M. Moons te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Andalusia en Heineken genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Andalusia heeft krachtens akte van indeplaatsstelling van 28 maart 2003 per 1 april 2003 het horecapand met bovenwoning aan de [adres] te [woonplaats] gehuurd van Heineken. Andalusia heeft in dat pand de horecagelegenheid ‘Café Andalusia’ uitgebaat. Beherend vennoot van Andalusia is de heer [betrokkene].

2.2. De burgemeester van [woonplaats] heeft bij besluit van 29 oktober 2007 op grond van artikel 13b Opiumwet voor de duur van zes maanden de sluiting gelast van Café Andalusia. In dat besluit staat dat geconstateerd is dat in Café Andalusia is strijd met artikel 3 Opiumwet drugs zijn verkocht en/of afgeleverd. Andalusia heeft binnen de daarvoor gestelde termijn geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van [woonplaats].

2.3. Heineken heeft bij brief van 26 november 2007 onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 BW de huurovereenkomst met Andalusia ontbonden en daarbij Andalusia en [betrokkene] gesommeerd het pand te ontruimen. Andalusia en [betrokkene] hebben aan die sommatie niet voldaan.

2.4. Bij brief van 6 december 2007 van het arrondissementspakket Arnhem aan

[betrokkene] heeft de officier van justitie [betrokkene] bericht dat de strafzaak tegen hem over de handel in drugs in Café Andalusia is geseponeerd omdat de feitelijk leidinggevende van Café Andalusia vervolgd dient te worden.

2.5. Heineken heeft Andalusia en [betrokkene] gedagvaard in een kort geding voor de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie [woonplaats] (zaakgegevens: 541982 VV EXPL 08-10046) tot (onder meer) de ontruiming van Café Andalusia. In die procedure heeft de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 28 mei 2008 Andalusia en [betrokkene] onder andere veroordeeld tot ontruiming van het pand.

De kantonrechter heeft daartoe in het vonnis overwogen dat het besluit van 29 oktober 2007 van de burgemeester van [woonplaats] formele rechtskracht heeft gekregen omdat Andalusia tegen dat besluit geen bezwaar heeft gemaakt en dat Heineken op grond daarvan mocht overgaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.

2.6. Andalusia en [betrokkene] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 mei 2008.

3. Het geschil

3.1. Andalusia vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 mei 2008. Zij voert daarvoor aan dat het vonnis een kennelijke juridische misslag bevat. Andalusia stelt daartoe dat de kantonrechter heeft miskend dat Heineken niet slechts op grond van het besluit van 29 oktober 2007 van de burgemeester van [woonplaats] de huurovereenkomst met een beroep op art. 7:231 lid 2 BW heeft mogen ontbinden.

Volgens Andalusia vloeit uit artikel 7:231 lid 2 BW voort dat voor de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door Heineken aan twee vereisten voldaan had moeten zijn. Het pand moet op last van de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet zijn gesloten én er moet zijn gehandeld in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet. Volgens Andalusia had Heineken in de kort gedingprocedure voor de kantonrechter dan ook apart van de sluiting van het pand op grond van het besluit van 29 oktober 2007, aannemelijk moeten maken dat er in het pand in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet is gehandeld. Voorts stelt Andalusia dat er sprake is van een nieuw feit. Volgens haar is inmiddels ook de strafzaak tegen de toenmalige bedrijfsleider van Café Andalusia geseponeerd. Als spoedeisend belang bij de schorsing van het vonnis van 28 mei 2008 stelt Andalusia dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst in hoger beroep afwacht. Andalusia voert daarvoor aan dat zij de schade als gevolg van de omzetderving wil beperken.

3.2. Heineken voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang van Andalusia bij de vorderingen blijkt voldoende uit haar stellingen.

4.2. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3. Gelet op het vorenstaande toetsingscriterium dient de vraag beantwoord te worden of het vonnis van 28 mei 2008 een kennelijke juridische misslag bevat, nu daarin is geoordeeld dat Heineken de huurovereenkomst met Andalusia op grond van het (formele rechtskracht bezittende) besluit van 29 oktober 2007 van de burgemeester van [woonplaats] buitengerechtelijk mocht ontbinden. Op zichzelf is juist dat de tekst van artikel 7:231 lid 2 BW naast elkaar lijkt te stellen dat sprake moet zijn van gedragingen in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet en het gebouw deswege is gesloten. De vraag is of daarmee bedoeld is, zoals Andalusia stelt, dat de verhuurder die wil ontbinden, naast de bevolen sluiting moet aantonen dat gedragingen in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet hebben plaatsgevonden. Maatgevend voor de beantwoording van die vraag is het doel en de strekking van artikel 7:231 lid 2 BW.

4.4. Artikel 7:231 lid 2 BW bouwt voort op artikel 7A:1597 BW zoals dat ging luiden als gevolg van de zogenoemde Wet Victor (Stb. 2002, 248). Blijkens de wetsgeschiedenis ervan wordt de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst als een aanvullend instrument gezien bij de sluiting van overlast gevende panden en bij drugsbestrijding, omdat een buitengerechtelijke huurontbinding veel sneller gaat dan de ontbinding in een gerechtelijke procedure. Een besluit van de burgemeester tot sluiting van een verhuurd pand zal immers de verdere naleving van de huurovereenkomst onmogelijk maken. Dat zal betekenen dat de huurder geen huur meer verschuldigd is. Voortzetting van de huurovereenkomst heeft dan weinig zin en zal voor de verhuurder zeer nadelig uitpakken, welke nadelige situatie gedurende een gerechtelijke procedure tot ontbinding van de huur zal voortduren. Dat is onwenselijk geacht, ook omdat het beter is dat de verhuurder meewerkt aan drugsbestrijding, hetgeen de verhuurder kan doen door de bestaande huurovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen. In dat verband is blijkens de wetsgeschiedenis juist geacht dat de ontbinding enkel is gegrond op een gemeentelijk besluit tot sluiting van het verhuurde pand als bedoeld in artikel 7:231 lid 2 BW. (Vgl. Kamerstukken 1996-1997, 24699, nr. 13, blz. 22, 1998-1999, 24549, nr. 11 en 1999-2000, 26089, nr 6, pag. 37).

4.5. Uit het doel en de strekking van artikel 7:231 lid 2 BW volgt derhalve dat artikel 7:231 lid 2 BW geen zelfstandige voorwaarde voor de verhuurder bevat om aan te tonen dat er in het verhuurde pand in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet is gehandeld. Daarmee is kennelijk slechts bedoeld dat het om een sluiting moet gaan die gegrond is op gedragingen in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet. Als de huurder van mening is dat dergelijke gedragingen niet hebben plaatsgevonden en de sluiting dus niet terecht is, zal hij dat in een bestuursrechtelijke procedure tegen het bevel tot sluiting moeten aanvoeren. Dat heeft Andalusia niet gedaan. Heineken mocht de huurovereenkomst met Andalusia dan ook buitengerechtelijk ontbinden enkel op grond van het besluit van 29 oktober 2007 van de burgemeester van [woonplaats]. Van de beweerdelijke kennelijke juridische misslag is daarom geen sprake.

4.6. Nu Heineken op grond van het vorenstaande niet hoefde aan te tonen dat er in het pand in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet is gehandeld, is hier niet van belang of inmiddels ook de toenmalige bedrijfsleider van Café Andalusia niet meer wordt vervolgd door justitie. Daarin kan derhalve geen nieuw feit besloten liggen als bedoeld in het hiervoor weergegeven toetsingskader onder rov. 4.2.

4.7. De conclusie uit het vorenstaande is dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

4.8. Andalusia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Heineken worden begroot op:

- vast recht € 254,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.070,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Andalusia in de proceskosten, aan de zijde van Heineken tot op heden begroot op € 1.070,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 25 juli 2008.