Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD9697

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
05/900126-08 en 06/800966-06 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn twee mededaders geprobeerd aangever af te persen waarbij van die aangever bovendien al geld is afgenomen. Daarbij heeft verdachte samen met zijn twee mededaders aangever in een hotelkamer gelokt, hem daar opgewacht en geweld op aangever toegepast en hem bedreigd met geweld. Twee dagen later is aangever door mededader nog gebeld om te vragen waar het overige geld bleef. Dit alles is voor aangever zeer beangstigend geweest, alsook voor zijn gezin. De politie heeft hen geadviseerd tijdelijk een ander onderkomen te zoeken.

De rechtbank acht dit een ernstig feit, mede gelet op de omstandigheid dat aangever en zijn gezin na het gebeuren nog twee dagen in angst hebben gezeten en dat dit ook de bedoeling van verdachte en zijn mededaders was. De rechtbank oordeel dat zij alledrie verantwoordelijk zijn voor het delict en ook alledrie op hun manier hun steen hebben bijgedragen.

Daarnaast heeft verdachte iemand op straat met fors geweld mishandeld.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogens- en geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 20 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De rechtbank acht het van belang dat verdachte een Cova( vaardigheids) training volgt en een behandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/900126-08 en 06/800966-06 (tul)

Data zitting : 21 mei 2008 en 23 juli 2008

Datum uitspraak : 6 augustus 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 februari 2008 in de gemeente Arnhem, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2200 euro, althans een (grote)

hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan A. [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- die [slachtoffer1] naar/in een hotelkamer heeft gelokt/laten lokken

en/of

- die [slachtoffer1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een of

(meer)ma(a)l(en) op een bed heeft gegooid/geduwd en/of

- boven op die [slachtoffer1] is gaan zitten en/of

- een arm van die [slachtoffer1] op diens rug heeft gedraaid en/of

- die [slachtoffer1] (vervolgens) op een stoel heeft gezet en/of

- een hard voorwerp tegen diens hoofd heeft geduwd en/of geduwd heeft gehouden

en/of

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd dat 'ze'

alles wisten van hem (te weten -onder andere- de school van zijn dochter)

en/of

- tegen die [slachtoffer1] zei dat ze geld wilden hebben en/of

- tegen die [slachtoffer1] zei dat hij zijn zakken leeg moest maken

en/of

- (vervolgens) voornoemd geldbedrag heeft gepakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 feburari 2008 tot en met 3 februari 2008

in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld A. [slachtoffer1] te dwingen tot de afgifte van

76.000 euro, in elk geval van een (grote) hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan voornoemde [slachtoffer1], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met voormeld oogmerk,

(nadat kort daarvoor die [slachtoffer1] al gewelddadig van 2200 euro

was beroofd)

- aan die [slachtoffer1] een filmpje heeft getoond waarop (naar alle

waarschijnlijkheid) te zien was dat die [slachtoffer1] sex had met een prostituee,

en/of

- tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd dat, indien hij het bandje

wilde hebben, hij 76.000 euro diende te betalen en/of

- dat die [slachtoffer1] het geld voor 4 februari 2008 geregeld moest

hebben en/of

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer1] zei "geen geintjes he,

niet naar de politie gaan", althans woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 31 januari 2008 in de gemeente Deventer,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk S. [slachtoffer2] van

het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer2] met een (aluminium)

honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal

(met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of het hoofd van die [slachtoffer2]

naar beneden heeft getrokken en/of die [slachtoffer2] (met kracht) een zogenaamd

'knietje' op/tegen het hoofd heeft gegeven en/of die [slachtoffer2] (met kracht) met

gebalde vuist in het gezicht heeft gestompt (terwijl hij, verdachte,

daarbij/daarna zei/riep "je gaat dood, je gaat dood"),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 31 januari 2008 in de gemeente Deventer aan een persoon

genaamd S. [slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstig

schedel-hersen-letsel met spraakstoornissen tot gevolg), heeft toegebracht,

door deze opzettelijk met een (aluminium) honkbalknuppel, althans een hard

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd te

slaan en/of door het hoofd van die [slachtoffer2] naar beneden te trekken en/of die

[slachtoffer2] (met kracht) een zogenaamd 'knietje' op/tegen het hoofd te geven en/of

door die [slachtoffer2] (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht te stompen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 31 januari 2008 in de gemeente Deventer,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan S. [slachtoffer2] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer2] met een

(aluminium) honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, meerdere malen, althans

eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of het hoofd van die

[slachtoffer2] naar beneden heeft getrokken en/of die [slachtoffer2] (met kracht) een

zogenaamd 'knietje' op/tegen het hoofd heeft gegeven en/of die [slachtoffer2] (met

kracht) met gebalde vuist in het gezicht heeft gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 06/800966-06).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 21 mei 2008 en 23 juli 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feiten 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging van 1 maand gevangenisstraf die door de politierechter te Zutphen op 10 oktober 2006 voorwaardelijk is opgelegd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en hetgeen naar voren komt in het dossier is niet gebleken dat verdachte de intentie had om het slachtoffer opzettelijk dusdanig letsel toe te brengen dat er sprake zou zijn van een poging om het slachtoffer S. [slachtoffer2] van het leven te beroven. Hierbij acht de rechtbank niet bewezen dat er zou zijn geslagen met een honkbalknuppel dan wel met een stok nu de verklaringen van betrokkenen hieromtrent tegenstrijdig zijn. Dat het letsel dat is toegebracht aan het slachtoffer enkel kan zijn veroorzaakt door te slaan met een stok dan wel een honkbalknuppel acht de rechtbank niet bewezen nu dit niet blijkt uit de medische verklaring in het dossier. Aan de verklaringen van [getuige1] en [getuige2] hecht de rechtbank niet die waarde die de officier van justitie er aan hecht nu dit verklaringen betreffen van horen zeggen en de verklaring van [getuige2] bovendien voor tweeërlei uitleg vatbaar is.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 1 februari 2008 in de gemeente Arnhem, tezamen en in

vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2200 euro, toebehorende aan A. [slachtoffer1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen,

- die [slachtoffer1] naar/in een hotelkamer heeft gelokt en

- die [slachtoffer1] heeft vastgepakt en (vervolgens) op een bed heeft gegooid/geduwd en

- boven op die [slachtoffer1] is gaan zitten en

- een arm van die [slachtoffer1] op diens rug heeft gedraaid en

- die [slachtoffer1] (vervolgens) op een stoel heeft gezet en

- een hard voorwerp tegen diens hoofd heeft geduwd en

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd dat 'ze'

alles wisten van hem (te weten -onder andere- de school van zijn dochter) en

- tegen die [slachtoffer1] zei dat ze geld wilden hebben en

- tegen die [slachtoffer1] zei dat hij zijn zakken leeg moest maken en

- (vervolgens) voornoemd geldbedrag heeft gepakt;

2.

hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 3 februari 2008

in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld A. [slachtoffer1] te dwingen tot de afgifte van 76.000 euro, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer1], met voormeld oogmerk, (nadat kort daarvoor die [slachtoffer1] al gewelddadig van 2200 euro

was beroofd)

- aan die [slachtoffer1] een filmpje heeft getoond waarop (naar alle

waarschijnlijkheid) te zien was dat die [slachtoffer1] sex had met een prostituee,

en/of

- tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd dat, indien hij het bandje

wilde hebben, hij 76.000 euro diende te betalen en

- dat die [slachtoffer1] het geld voor 4 februari 2008 geregeld moest

hebben en

- opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer1] zei "geen geintjes he,

niet naar de politie gaan", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 31 januari 2008 in de gemeente Deventer aan een persoon

genaamd S. [slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstig

schedel-hersen-letsel met spraakstoornissen tot gevolg), heeft toegebracht,

door het hoofd van die [slachtoffer2] naar beneden te trekken en die

[slachtoffer2] (met kracht) een zogenaamd 'knietje' tegen het hoofd te geven en

door die [slachtoffer2] (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht te stompen;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

De rechtbank is van oordeel dat er bij het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde sprake is van een voortgezette handeling van de feiten. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat het plan was aangever de film te laten zien waarop hij seks had met verdachte en zo ongeveer € 76.000, in ieder geval een fors geldbedrag van hem te krijgen. Omdat aangever in de hotelkamer slechts ongeveer € 2.200,- aan contant geld bij zich had, is dat alvast van hem afgenomen en is hem gezegd dat hij de rest van het geld drie dagen later geregeld moest hebben. Om de eis tot betaling van meer geld kracht bij te zetten is op aangever geweld toegepast en is hij bedreigd met geweld.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

Voortgezette handeling van diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen en medeplegen van poging tot afpersing

Ten aanzien van feit 3:

Zware mishandeling

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 3 juli 2008; en

• een adviesrapport alsmede een aanvullend adviesrapport van P.I.M. Wassenberg, Stichting Reclassering Nederland, gedateerd 13 mei 2008 respectievelijk 20 mei 2008, betreffende verdachte; en

• een pro justitia rapport van drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut, gedateerd 1 juli 2008, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft samen met zijn twee mededaders geprobeerd aangever af te persen waarbij van die aangever bovendien al geld is afgenomen. Daarbij heeft verdachte samen met zijn twee mededaders aangever in een hotelkamer gelokt, hem daar opgewacht en geweld op aangever toegepast en hem bedreigd met geweld. Mededader [mededader1] heeft een seksueel contact tussen haar en aangever heimelijk opgenomen met een camera en aangever werd door verdachte met de opgenomen film geconfronteerd en gechanteerd. Daarbij werd door verdachte en zijn mededader [mededader2] onder meer de naam van zijn vrouw genoemd en werd te kennen gegeven dat ze wisten waar zijn dochter op school zat. Mededader [mededader2] heeft zijn imponerende voorkomen benadrukt en misbruikt om de indruk te wekken dat hij een maffiabaas was en zo aangever extra bang te maken. Verdachte heeft vervolgens de portemonnee van het slachtoffer bekeken en het geldbedrag gepakt. Twee dagen later is aangever door mededader [mededader2] nog gebeld om te vragen waar het overige geld bleef.

Dit alles is voor aangever zeer beangstigend geweest, alsook voor zijn gezin. De politie heeft hen geadviseerd tijdelijk een ander onderkomen te zoeken.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van overvallen nog lange tijd psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarnaast worden door feiten als de onderhavige gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot.

De rechtbank acht dit derhalve een ernstig feit, mede gelet op de omstandigheid dat aangever en zijn gezin na het gebeuren nog twee dagen in angst hebben gezeten en dat dit ook de bedoeling van verdachte en zijn mededaders was.

In tegenstelling tot de officier van justitie kent de rechtbank aan verdachte niet een leidende rol in het geheel toe. Uit het onderzoek ter terechtzitting, het dossier en de verklaringen van verdachte en zijn twee mededaders blijkt dat zij alledrie verantwoordelijk zijn voor het delict en ook alledrie op hun manier hun steen hebben bijgedragen. Uit de drie verklaringen valt niet op te maken wie een leidende rol in het geheel heeft gehad.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat bij het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde geen fors geweld is toegepast.

Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat verdachte op straat het slachtoffer met zijn rechtervuist op zijn gezicht heeft geslagen en een knietje heeft gegeven tegen zijn hoofd terwijl hij hem aan zijn hoofd naar beneden had getrokken. Verdachte heeft gebruik van fors geweld niet geschuwd. Het slachtoffer heeft daardoor ernstig letsel opgelopen waaronder een botbreuk van de schedel met daaronder een grote bloeding en spraakstoornissen. De rechtbank is van oordeel dat hij een zeer grove inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld draagt naar het oordeel van de rechtbank in hoge mate bij tot gevoelens van onrust en onveiligheid op straat.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogens- en geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door psycholoog Van der Leeuw in zijn rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogen. Er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van een beneden gemiddelde intelligentie. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was bovenbeschreven gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes, c.q. gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde (zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden?) Ja. De antisociale persoonlijkheidsstructuur en de zeer geringe gewetensontwikkeling predisponeren betrokkene tot het begaan van delictgedrag waarbij de feiten onder de punten 1 en 2 werden gefaciliteerd door het feit dat de vriendin van betrokken zich prostitueerde. Het feit onder punt 3 is eveneens te begrijpen als manifestatie van de antisociale structuur van betrokkene waarin er weinig remming is om geweld toe te passen. Betrokkene is zowel t.a.v. feit 1 als feit 2 als feit3, licht verminderd toerekeningsvatbaar te houden. Betrokkene loochent elke vorm van zijn problematiek bij zichzelf en zal om die reden geen intrinsieke behoefte voelen om zijn gedrag te veranderen. Dit betekent dat de kans groot is dat betrokkene zijn huidig gedrag voortzet en dat om die reden het recidiverisico groot is. Betrokkene wijst elke vorm van hulp af. Het recidiverisico is groot. De onderzoeker adviseert derhalve aan de rechtbank, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard, om tot een strafrechtelijke afdoening te komen. De onderzoeker heeft verplichte hulp binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel overwogen waarbij gedacht is aan een poliklinisch forensisch psychiatrische hulp gericht op delictscenario en delictketenbewerking plus een verplicht reclasseringscontact. Omdat het in de praktijk niet uitvoerbaar wordt geacht wordt gezien de geringe begeleidbaarheid van betrokkene (op dit moment) hier van af gezien.

De rechtbank verenigt zich met het voorgaande advies met uitzondering van de laatste overweging ten aanzien van verplichte hulp binnen het kader van een bijzondere voorwaarde.

De rechtbank houdt voorts rekening met hetgeen door rapporteur Wassenberg in zijn rapport van 13 mei 2008 naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

Betrokkene bekent het hem ten laste gelegde. Hij werkt mee aan het onderhavige rapport en staat open voor begeleiding. Het valt op dat betrokkene zelf niet weet hoe hij recidive kan tegengaan. Hij heeft nooit om hulp gevraagd. -+ Betrokkene heeft spijt en toont zijn medeleven met het slachtoffer. Hij geeft aan zelf verantwoordelijk te zijn voor zijn (delict) gedrag. De gezinssituatie waaruit betrokkene komt, kenmerkt zich door een zekere verwaarlozing van hem. Werk en financiën zijn voor hem geen probleem. Hij heeft concrete plannen voor de toekomst wat betreft leren en werken. Hij is een harde werker en, maar zijn menig, technisch aangelegd. De heer [verdachte] ziet zijn kansen op de arbeidsmarkt dan ook als positief. Om recidive te verminderen, is het belangrijk dat betrokkene inzicht krijgt in zijn denkpatronen en gevolgen hiervan. Om deze reden is een verplicht reclasseringscontact (VRC) gewenst. Het verdient aanbeveling betrokkene een zogenaamde Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVA) aan te bieden in het kader van dit reclasseringstoezicht. Wij stellen voor, indien het ten laste gelegde bewezen wordt, betrokkene een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: Een verplicht reclasseringscontact, voor zover en zolang dat nodig wordt geacht en het volgen van een CoVa-training. Na het volgen van deze training zal het toezicht vooral bestaan uit controle op het doen en laten van cliënt, aangevuld met eventuele aandachtspunten welke voorkomen vanuit voornoemde training.

Gezien de houding van verdachte ter terechtzitting volgt de rechtbank deze conclusie van de heer Wassenberg. Verdachte is gemotiveerd en toont een algemene bereidheid om mee te werken aan een bijzondere voorwaarde. De rechtbank acht het van belang dat verdachte voornoemde vaardigheidstraining volgt. Voorts blijkt uit het rapport van Wassenberg van 20 mei 2008 dat een behandeling voor zijn agressieproblematiek geïndiceerd is voor verdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan de onderhavige, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist gelet op hetgeen hiervoor ten voordele van verdachte is overwogen, met name gezien het feit dat hem geen leidende rol wordt toebedeeld bij de afpersing. De rechtbank houdt gezien de aan de mededaders opgelegde straffen tevens rekening met de sinds 1 juli 2008 in werking getreden Wet voorwaardelijke invrijheidstelling (Wet VI). Gezien het bewezenverklaarde onder feit 3 subsidiair valt de straf hoger uit dan de straf van zijn mededaders.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden en gelet op genoemde reclasseringsrapporten, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, waar onder het volgen van een CoVa-training en een behandeling voor zijn agressieproblematiek.

6a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist.

Zij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen d.d. 10 oktober 2006.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 47, 56, 302, 310, 312, 317, van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, (waar onder het volgen van een CoVa-training en een behandeling voor zijn agressieproblematiek) voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen, d.d. 10 oktober 2006, onder parketnummer 06/800966-06.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, vicepresident als voorzitter,

mr. W. Bruins, rechter,

mr. J.A.P. Bakker, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Zeeman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 augustus 2008.