Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD9224

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
04-08-2008
Zaaknummer
158020 / HA ZA 07-1134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping. Termijn van art. 383 Rv.

Op grond van artikel 383 Rv kan binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden, welke termijn niet eerder aanvangt dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, het rechtsmiddel van herroeping worden ingesteld. Heeft de man tijdig de herroeping gevorderd?

In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat de man, door de betekening van het vonnis van 2 augustus 2006 op 24 augustus 2006 bekend is geworden met de inhoud van het vonnis en de eventuele grond voor herroeping. Dit is slechts anders indien hij toentertijd aan een zo ernstige geestesstoornis leed dat hij niet in staat was inhoud, strekking en gevolgen van dit vonnis te begrijpen.

De man stelt dat hij door de echtscheidingsperikelen zodanig van slag is geraakt dat hij, in overspannen en depressieve toestand, elk stuk dat afkomstig was van de vrouw, haar raadsman, de deurwaarder en de rechtbank ongeopend heeft weggegooid. Pas toen de executie van de woning dreigde, kwam hij enigszins bij zijn positieven en heeft hij stukken van de procedure opgevraagd en die heeft hij ontvangen op 28 april 2007. Hij voert aan dat hij in feite pas op die dag bekend is geworden met de inhoud van het vonnis en het bestaan van de grond voor herroeping zodat op die dag de termijn van drie maanden voor het instellen van de vordering strekkende tot herroeping is gaan lopen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overgelegde stukken worden afgeleid dat de man was aangedaan door de echtscheiding. Hij heeft echter geen, althans onvoldoende, objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk overspannen en/of depressief was. Hij heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er sinds de echtscheiding of ten tijde van de betekening op 24 augustus 2006 van het vonnis van 2 augustus 2006 bij hem sprake was van een zo ernstige geestesstoornis, dat hij niet in staat was inhoud, strekking en gevolgen van voornoemd vonnis te begrijpen. Dit betekent dat de man op 24 augustus 2006 bekend is geworden met de inhoud van het vonnis en de eventuele grond voor herroeping.

De termijn van artikel 383 Rv is gaan lopen op het moment dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (dat is op 2 november 2006). De termijn verstreek op 2 februari 2007. Nu de dagvaarding dateert van 5 juli 2007, heeft de man niet tijdig de herroeping gevorderd. De vordering is niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158020 / HA ZA 07-1134

Vonnis van 7 mei 2008

in de zaak van

[de man],

wonende te Nederhemert, gemeente Zaltbommel,

eiser,

procureur mr. A.L. van Korlaar van Blijenburgh,

tegen

[de vrouw],

wonende te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 januari 2008 en

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2008.

1.2 Ter comparitie is bepaald dat heden vonnis zal worden gewezen.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn op 29 mei 1986 gehuwd op huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 12 augustus 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is op 12 april 2005 ontbonden door de inschrijving van voornoemde beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 De vrouw heeft op 29 augustus 2005 conservatoir beslag laten leggen op de woning van de man, gelegen aan de [adres].

2.3. De man is bij - verstek gewezen - vonnis van 16 november 2005 (131444 / HA ZA 05-1693) onder meer veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot verrekening en afwikkeling van het in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden neergelegde periodiek verrekenbeding.

2.4. De vrouw heeft de man nadien opnieuw gedagvaard. De man is bij - verstek gewezen - vonnis van 2 augustus 2006 (143089 / HA ZA 06-1256) veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 294.894,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Dit vonnis is op 24 augustus 2006 aan hem in persoon betekend.

2.5. Op 7 september 2006 heeft de vrouw het conservatoir beslag op de woning laten omzetten in executoriaal beslag. Het proces-verbaal daarvan is op 7 september 2006 in persoon aan de man betekend.

2.6 Ter afwending van de executie van de woning heeft de man omstreeks januari 2007 een bedrag van € 337.813,13 betaald. Op 21 februari 2007 is een akte gepasseerd waarbij de notaris een afrekening heeft gemaakt van hetgeen de man aan de vrouw diende te betalen uit hoofde van het vonnis van 2 augustus 2006.

3. Het geschil

3.1. De man vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 2 augustus 2006 wordt herroepen, waarmee het geding tussen partijen wordt heropend, en dat de rechtbank vervolgens de vrouw alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vrouw haar vordering zal ontzeggen als zijnde onjuist en ongemotiveerd, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

De man is van mening dat hij tijdig de herroeping van het vonnis vordert. Hij stelt daartoe dat hij door de echtscheidingsperikelen zodanig van slag is geraakt dat hij, in overspannen en depressieve toestand, al hetgeen van de vrouw, haar raadsman, de deurwaarder en de rechtbank werd ontvangen van aanvang van de echtscheiding ongeopend heeft weggegooid. Het was zo voor hem niet mogelijk om kennis te nemen van de lopende procedures en vonnissen. Dit was de vrouw ook bekend. Pas toen de executie van de woning op het nippertje werd voorkomen, kwam de man enigszins bij zijn positieven en heeft hij stukken opgevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft hij een afschrift van het vonnis van 2 augustus 2006 ontvangen op 28 april 2007. Op die dag is de termijn van drie maanden voor het aanwenden van de actie van herroeping gaan lopen (en dus niet op 24 augustus 2006) zodat de dagvaarding tijdig is uitgebracht en zijn vordering ontvankelijk is.

Aan de vordering voor herroeping legt de man ten grondslag dat de vrouw bedrog heeft gepleegd in het geding, stukken van beslissende aard heeft achtergehouden en incomplete stukken aan de rechtbank heeft overgelegd, op basis waarvan het vonnis van 2 augustus 2006 is gewezen.

3.2 De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het vorderen van de herroeping van een vonnis. Omdat de man zijn stelling niet heeft onderbouwd, betwist zij dat er bij hem sprake was van een overspannen gemoedstoestand en depressiviteit. Indien hij al op enig moment in een dergelijke toestand verkeerde, dan geeft hij zelf aan dat hij die toestand eind 2006 gedeeltelijk te boven was. Hij heeft toen met hulp van familie de executie van de woning afgewend. Vanaf dat moment was hij naar eigen inzicht in staat om samen met zijn familie zijn belangen adequaat te behartigen. De man is zelfstandig ondernemer en het is niet bekend dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten neerleggen vanwege zijn gemoedstoestand. Het kan niet zo zijn dat de man zijn zakelijke activiteiten onverminderd voortzet en privé niet in staat zou zijn geweest een enveloppe te openen.

Subsidiair, indien de vordering ontvankelijk is, stelt zij dat de vordering afgewezen moet worden wegens het ontbreken van een grond voor herroeping. De vrouw heeft in de dagvaarding van 28 juni 2006, die heeft geleid tot het vonnis van 2 augustus 2006, de noodzakelijke informatie verschaft. Voor zover er al gegevens ontbreken, dan zijn dat gegevens waarvan zij niet op de hoogte was of die zij niet in haar bezit had en daarom niet kon overleggen. De grond dat de man na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de vrouw zijn achtergehouden, gaat niet op omdat de man zich baseert op stukken die hij zelf vóór het vonnis van 2 augustus 2006 in zijn bezit heeft gehad of had behoren te hebben.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Op grond van artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij worden herroepen, onder meer indien het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd. Artikel 383 Rv bepaalt dat het rechtsmiddel van herroeping kan worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden, welke termijn niet eerder aanvangt dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

4.2. Uit het standpunt van de man volgt dat hij bekend is geworden met het bestaan van een eventuele grond voor herroeping toen hij (daadwerkelijk) kennis nam van het vonnis van 2 augustus 2006. Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tijdig is ingesteld, dient dan ook beoordeeld te worden wanneer de man van het vonnis kennis heeft genomen. Over dit punt verschillen partijen van mening.

4.3. De Hoge Raad heeft in het arrest van 18 november 1994 (NJ 1995, 237) geoordeeld dat het belang dat derden hebben bij de rechtszekerheid in het rechtsverkeer wettigt dat aan een meerderjarige die aan een geestesstoornis lijdt, maar niet onder curatele is gesteld, exploiten rechtsgeldig kunnen worden uitgebracht. Een geestesstoornis kan wel van invloed zijn op het rechtsgevolg dat de wet verbindt aan de betekening van een verstekvonnis aan de veroordeelde, namelijk de aanvang van de termijn waarbinnen verzet kan worden ingesteld. "Deze bepaling berust immers op de grondgedachte dat door de betekening aan de veroordeelde in persoon deze geacht moet worden bekend te zijn met het verstekvonnis, althans voldoende in de gelegenheid is gesteld van het bestaan en de inhoud van het vonnis kennis te nemen. Voor toepassing van deze bepaling is daarom geen plaats indien de betekening in persoon geschiedt aan een veroordeelde die aan een zo ernstige geestesstoornis lijdt, dat hij niet in staat is inhoud, strekking en gevolgen van de hem betekende stukken te begrijpen".

Dit arrest kan naar het oordeel van de rechtbank naar analogie worden toegepast op de termijn van artikel 383 Rv. Dit betekent dat in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de man, door de betekening van het vonnis, op 24 augustus 2006 bekend is geworden met de inhoud van het vonnis en de eventuele grond voor herroeping. Dit is slechts anders indien hij toentertijd aan een zo ernstige geestesstoornis leed dat hij niet in staat was inhoud, strekking en gevolgen van dit vonnis te begrijpen. De man stelt impliciet dat laatstgenoemde situatie zich voordeed. De stelplicht en, in geval van gemotiveerde betwisting eventueel de bewijslast ter zake rusten op hem.

4.4. De man stelt dat hij door de echtscheidingsperikelen zodanig van slag is geraakt dat hij, in overspannen en depressieve toestand, elk stuk dat afkomstig was van de vrouw, haar raadsman, de deurwaarder en de rechtbank ongeopend heeft weggegooid. Het was zo voor hem niet mogelijk om kennis te nemen van de lopende procedures en vonnissen. Pas toen de executie van de woning dreigde, kwam hij enigszins bij zijn positieven en heeft hij stukken opgevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft hij een afschrift van het vonnis van 2 augustus 2006 ontvangen op 28 april 2007. Hij voert aan dat hij in feite pas op die dag bekend is geworden met de inhoud van het vonnis en het bestaan van de grond voor herroeping zodat op die dag de termijn van drie maanden voor het instellen van de vordering strekkende tot herroeping is gaan lopen.

Ter onderbouwing van zijn stelling, dat hij lijdt c.q. leed aan overspannenheid en/of depressiviteit, heeft de man een aantal stukken in het geding gebracht. Hij heeft een brief van de huisarts overgelegd d.d. 14 september 2007 waarin staat vermeld dat hij in maart 2005 en op 6 september 2007 op consult is geweest vanwege spannings- en depressieve klachten. Verder heeft hij in het geding gebracht een e-mailbericht van 7 december 2007 van deurwaarder Van der Sande te Drunen. In dit bericht geeft de deurwaarder aan dat de man op 19 september 2006 aan hem heeft aangegeven dat hij zich met de hele situatie geen raad wist en dat de man op hem een "aangeslagen indruk maakte". Ook heeft de man overgelegd een brief van zijn zuster, [zuster] d.d. 28 december 2007. In haar brief schrijft zij dat haar broer, sinds zijn vrouw de woning verliet, "niet meer goed de gevolgen van zijn handelen kan overzien. Het hele gebeuren heeft hem i.o. dermate innerlijk verscheurd en verward, dat hij in ieder geval minder adequaat reageert op bijzondere omstandigheden. Mede om die reden heeft zijn huisarts hem ook kalmerende middelen gegeven". Ter comparitie is hierover nog verklaard dat de overspannenheid en depressiviteit van de man blijkt uit het feit dat hij gejaagd en zenuwachtig is (volgens de heer [broer]), hij zijn aandacht en verstand niet meer bij het werk heeft (volgens de heer [X]) en uit het feit dat hij, toen hij in het voorjaar van 2007 bij zijn advocaat was, niet eens meer wist bij welke notaris hij was geweest voor het passeren van de akte van 21 februari 2006.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overgelegde stukken - waaronder de brief van de huisarts en de deurwaarder - en de verklaringen van de zwager, broer en advocaat van de man worden afgeleid dat de man was aangedaan door de echtscheiding. De man heeft echter geen, althans onvoldoende, objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk overspannen en/of depressief was. Uit de brief van de huisarts kan alleen worden afgeleid dat de man in tweeënhalf jaar twee keer met klachten van dien aard op consult is geweest. Van een diagnose is niet gebleken en evenmin dat de man zich voor zijn klachten onder behandeling heeft laten stellen. Voor de verklaring van zijn zus, dat hij kalmerende middelen gebruikt, kan geen steun worden gevonden in de brief van de huisarts, noch in enig ander stuk. Aan de verklaringen van de zwager, broer, zus en advocaat van de man kan in dit verband slechts een zeer beperkte waarde worden gehecht nu zij niet deskundig zijn op het gebied van de psychologie en psychiatrie. Aan verklaringen van de familieleden van de man kan bovendien slechts een beperkte waarde worden gehecht omdat zij, vanwege hun familierelatie en de verbondenheid met de man, hem graag zullen willen steunen. De rechtbank hecht ook waarde aan het feit dat gesteld noch gebleken is dat de man, die zelfstandig ondernemer is en een autobedrijf runt, op zakelijk gebied problemen heeft ondervonden van de door hem gestelde gemoedstoestand dan wel psychische gezondheid. Het ligt niet voor de hand dat de man in het geheel niet in staat was tot een adequate behartiging van zijn privé-belangen maar dat deze situatie zich niet voordeed op zakelijk gebied. Dat de man slechts een klein bedrijf zou hebben is in deze niet relevant gelet op de verantwoordelijkheden die hoe dan ook gepaard gaan met het hebben van een eigen onderneming. De vrouw heeft terecht opgemerkt dat het niet zo kan zijn dat de man privé niet maar zakelijk wel adequaat in staat was goede beslissingen te nemen.

De man had de mogelijkheid om ter comparitie, in persoon, een nadere toelichting kunnen geven op de manier waarop hij was aangedaan door de echtscheiding en de gevolgen daarvan. Hij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, hetgeen voor zijn eigen rekening en risico komt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sinds de echtscheiding of ten tijde van de betekening van het vonnis van 2 augustus 2006 bij hem sprake was van een zo ernstige geestesstoornis, dat hij niet in staat was inhoud, strekking en gevolgen van voornoemd vonnis te begrijpen. Dit betekent dat de man op 24 augustus 2006 bekend is geworden met de inhoud van het vonnis en de eventuele grond voor herroeping.

4.6. Op grond van het bepaalde in artikel 383 Rv is de termijn van drie maanden voor het aanwenden van het rechtsmiddel herroeping in dit geval niet gaan lopen op 24 augustus 2006 maar pas op het moment dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Het vonnis van 2 augustus 2006 is op 2 november 2006 in kracht van gewijsde gegaan zodat de drie maandentermijn van artikel 383 Rv verstreek op 2 februari 2007. Nu de onderhavige dagvaarding dateert van 5 juli 2007, heeft de man niet tijdig de herroeping gevorderd.

De vordering zal op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.7. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn vordering,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S.W. Kroon en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2008.

SK/JL