Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD8685

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
165853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165853 / HA ZA 08-157

Vonnis van 16 juli 2008

in de zaak van

[eiser q.q.]

in hoedanigheid van curator van [betrokkene],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. G.A. Schoonderbeek te Amersfoort,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur en advocaat mr. M.F.G. Mulders.

Partijen zullen hierna als volgt genoemd worden: [curator] q.q., Holding, [gedaagde sub 2], en Holding en [gedaagde sub 2] gezamenlijk ook wel [gedaagde sub 2] c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 april 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van Holding. Holding is enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap BeCres B.V. (‘BeCres’).

2.2. De heer [betrokkene] (‘[betrokkene]) is op grond van titel 16 van Boek 1 BW onder curatele gesteld. [curator] q.q. is benoemd tot zijn curator.

2.3. Tussen [betrokkene] en BeCres is een procedure aanhangig geweest bij de rechtbank Arnhem, sector kanton, waarin [betrokkene] vorderde dat BeCres tot betaling van achterstallig loon veroordeeld zou worden.

2.4. Voorts is tussen Holding en [betrokkene] in 2007 een procedure bij de rechtbank Utrecht aanhangig geweest, waarin Holding veroordeling van [betrokkene] tot betaling van

EUR 5.569,36 vorderde.

2.5. Op 5 juli 2007 is tijdens een comparitie in de kantonprocedure een vaststellings-overeenkomst gesloten in verband met beide voornoemde procedures, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting. Op grond van deze vaststellingsovereenkomst verplichte BeCres zich om binnen 14 dagen na 5 juli 2007 EUR 10.000,- over te maken ten behoeve van [betrokkene]. Tevens werden ingevolge van de schikking de beide voornoemde procedures doorgehaald met compensatie van kosten. Namens BeCres en haar bestuurder Holding heeft [gedaagde sub 2] het proces-verbaal getekend. BeCres heeft niet betaald.

2.6. Op 8 augustus 2007 is het proces-verbaal van de schikking aan BeCres betekend en is bevel tot betaling gedaan, zonder dat BeCres hieraan gevolg heeft gegeven.

3. Het geschil

3.1. [curator] q.q. vordert – samengevat – de hoofdelijk veroordeling van [gedaagde sub 2] en Holding tot betaling van EUR 10.000,00, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

3.2. [curator] q.q. legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 2] c.s. bij de schikkingsonderhandelingen, welke hebben geleid tot de schikking zoals onder 2.5 beschreven, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt bij [betrokkene] dat de getroffen schikking zou worden nagekomen door BeCres. Nu door BeCres niet is betaald, is dat vertrouwen beschaamd en hebben zowel [gedaagde sub 2] als Holding onrechtmatig jegens [betrokkene] gehandeld, waarbij [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Holding wordt aangesproken. [curator] q.q. heeft zijn vordering geïllustreerd door te verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 9 mei 2007 (NJ 2007, 583). Voorts heeft [curator] q.q. ter comparitie erop te gewezen dat [gedaagde sub 2] c.s. al op de hoogte moet zijn geweest van een grote vordering van de crediteuren van BeCres, Dela, op het moment dat de schikking werd getroffen met [betrokkene]. Deze crediteur heeft kort na de totstandkoing van de vaststellingsovereenkomst beslag gelegd ten laste van BeCres.

3.3. [gedaagde sub 2] c.s. voert verweer met de strekking dat hij het op 26 juli 2007 door genoemde crediteur gelegde beslag op de bankrekeningen van BeCres, waarin de oorzaak van het niet nakomen van de vaststellingsovereenkomst ligt, niet heeft zien aankomen, noch heeft behoeven te zien aankomen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank begint met het de bespreking van het ter comparitie betrokken standpunt van [curator] q.q. dat de rechtbank aldus begrijpt, dat [gedaagde sub 2] c.s. bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst op 5 juli 2007 moet hebben geweten dat BeCres niet in staat zou zijn om de overeenkomst na te komen en door desalniettemin de overeenkomst te sluiten onrechtmatig handelde jegens [betrokkene].

4.2. Een bestuurder van een rechtspersoon kan onder omstandigheden persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt van het niet nakomen van de rechtspersoon indien, in het licht van de omstandigheden van het geval, de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst door de rechtspersoon wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet in staat zou zijn die overeenkomst na te komen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade (Hoge Raad 6 oktober 1989, NJ 1990, 286).

4.3. Zelfs al zou [gedaagde sub 2] c.s. op 5 juli 2007 van de vordering van Dela en de omvang van die vordering op de hoogte zijn geweest, hetgeen door [gedaagde sub 2] c.s. gemotiveerd is betwist en waarvan [curator] q.q. geen bewijs heeft aangeboden, dan is daarmee niet gegeven dat [gedaagde sub 2] c.s. wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat BeCres de op haar rustende verplichting jegens [betrokkene] niet zou kunnen voldoen. [gedaagde sub 2] c.s. heeft juist gesteld dat BeCres per saldo zelf een vordering op Dela had en dat de grootste schuldeisers van BeCres instemden met de schikking met [betrokkene]. [curator] q.q. heeft dit niet gemotiveerd betwist. In die omstandigheden heeft [curator] q.q. zijn stelling dat voor [gedaagde sub 2] c.s. het door Dela gelegde beslag of het daarmee samenhangende liquiditeitsprobleem op 5 juli 2007 waren te voorzien onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank kent in dit verband bovendien betekenis toe aan het feit dat de vaststellings-overeenkomst die partijen op 5 juli 2007 sloten naar haar aard een voortbouwende overeenkomst is. De onderliggende rechtsverhouding, uit hoofde waarvan BeCres een schuld aan [betrokkene] had, bestond dus reeds vóór 5 juli 2007. Het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door BeCres was in dit verband dan ook louter een erkenning van een bestaande schuld, alsmede de vaststelling van de hoogte van die schuld na de facto verrekening met vorderingen van de Holding op [betrokkene]. Dit maakt dat het aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met het aangaan van een overeenkomst waaruit nieuwe financiële verplichtingen op de rechtpersoon komen te rusten. Gelet op het voorgaande kan dan ook niet worden gezegd dat [betrokkene] in een minder gunstige positie kwam te verkeren door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Integendeel, door de vaststellingsovereenkomst werd juist bespoedigd dat [betrokkene] zijn aanspraken uit de onderliggende rechtsverhoudingen te gelde kon maken en werden hem bovendien de mogelijke kosten van beide procedures bespaard.

4.4. Voor een ernstig verwijt aan de een bestuurder persoonlijk kan voorts plaats zijn indien de bestuurder bewerkstelligt of toelaat dat de rechtspersoon een eerder aangegane overeenkomst niet nakomt, waardoor aan haar wederpartij schade wordt berokkend. Echter, niet voldoende ernstig is het verwijt aan de bestuurder dat hij er niet op toeziet dat de rechtspersoon tijdig haar financiële verplichtingen tegenover deze schuldeiser nakomt (Hoge Raad 13 juni 1986, NJ 1986, 825), betalingsonwil kan daarentegen wél een voldoende ernstig verwijt zijn (Hoge Raad 3 april 1992, NJ 1992, 411).

4.5. Voor zover [curator] q.q. heeft willen betogen dat [gedaagde sub 2] c.s. onrechtmatig jegens [betrokkene] heeft gehandeld reeds door niet conform de termijn in de vaststellingsovereenkomst vóór 19 juli 2007 aan [betrokkene] betaald te hebben, verwerpt de rechtbank dit betoog. Uit het enkele niet tijdig betalen volgt niet zonder meer dat er sprake was van betalingsonwil zijdens [gedaagde sub 2] c.s. Nu [curator] q.q. geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waarom deze wanprestatie van BeCres een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] c.s. zou opleveren, verwerpt de rechtbank dat standpunt.

4.6. Met betrekking tot de verwijzing door [curator] q.q. naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 9 mei 2007 overweegt de rechtbank dat het beroep op de in die uitspraak toegepaste maatstaf reeds faalt omdat door [curator] q.q. niet is gesteld dat [gedaagde sub 2] c.s. toezeggingen hebben gedaan om met hun eigen vermogen in te staan voor de voldoening van de schuld van BeCres, in die zin dat [betrokkene] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Holding of [gedaagde sub 2] persoonlijk de schuld van BeCres aan [betrokkene] zou voldoen. Daarmee wijkt de onderhavige zaak op essentiële punten af van de casus waarop de aangehaalde uitspraak ziet.

4.7. Nu geen van de aangedragen grondslagen de vordering van [curator] q.q. kunnen dragen, zal de rechtbank de vorderingen afwijzen.

4.8. [curator] q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] c.s. worden begroot op:

- vast recht 303,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.071,00

4.9. De rechter ten overstaan van wie de comparitie heeft plaats gevonden heeft om organisatorische redenen dit vonnis niet kunnen wijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [curator] q.q. in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.071,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2008.

Coll: BDJ