Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD8543

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
24-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Burgemeester en wethouders hebben toestemming geweigerd voor het plaatsen van een steiger in een gemeentelijke haven. In dit geval is geen sprake van een voor bezwaar vatbaar besluit, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/404

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 15 juli 2008

inzake

[naam], eiser,

wonende te [plaats], vertegenwoordigd door mr. J.C.M. Bonnier,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 december 2007.

2. Procesverloop

Bij brief van 26 juni 2007 heeft verweerder een aanvraag van eiser voor het plaatsen van een aanlegsteiger geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Naar dit en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 18 juni 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen bijgestaan door mr. Bonnier. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.G.Blasweiler.

3. Overwegingen

Bij brief van 28 augustus 2006 heeft eiser aan verweerder toestemming gevraagd voor het plaatsen van een steiger met zogenoemde spudpalen in de Lindenberghaven te Nijmegen (hierna: de haven) ten behoeve van zijn schip “[naam schip]”.

Op 26 juni 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, welke afwijzing hij in het thans bestreden besluit heeft gehandhaafd. Aan laatstgenoemd besluit heeft verweerder samengevat ten grondslag gelegd dat de aanvraag van eiser is getoetst aan de Haven- en Kadeverordening 1994 (hierna: de verordening). De aanvraag is op grond van de verordening afgewezen.

Bij brief van 12 juni 2008 heeft verweerder de rechtbank desgevraagd te kennen gegeven dat hij niet bevoegd is om vergunning te verlenen voor het plaatsen van een steiger in de haven.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de verordening verweerder geen bevoegdheid geeft om toestemming te verlenen voor het plaatsen van een aanmeervoorziening, en dat ook anderszins niet van enige bevoegdheid van verweerder in dit verband is gebleken. Verder stelt de rechtbank vast dat het verzoek van eiser kan niet worden beschouwd als een verzoek om bouwvergunning.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder wel degelijk bevoegd is om in deze te beslissen. Hiertoe heeft eiser ter zitting betoogd dat verweerder aan een derde ten behoeve van het schip, genaamd “[naam schip]” wel toestemming of vergunning voor het plaatsen van een aanmeervoorziening in de haven heeft verleend.

Dit betoog mist evenwel feitelijke grondslag. Ter zitting is gebleken dat de gemeente Nijmegen ten behoeve van dat schip aan de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) heeft gevraagd voor het aanleggen van een aanmeervoorziening. Nadat de staatssecretaris bij besluit van 15 augustus 2006 de gevraagde vergunning op grond van de Wbr heeft verleend, heeft verweerder aan de desbetreffende derde vergunning verleend op grond van de verordening voor het innemen van een ligplaats in de haven. Van het geven van publiekrechtelijke toestemming door verweerder voor het plaatsen van de aanmeervoorziening is in die situatie geen sprake geweest.

Verder heeft eiser betoogd dat verweerder op grond van een vergunning, die op grond van de Rivierenwet die bij besluit van 23 september 1999 aan de gemeente is verleend voor de aanleg van de haven met bijkomende werken, bevoegd is om te besluiten over de aanleg van aanmeervoorzieningen in die haven. Ook dit betoog is tevergeefs. Zomin als verweerder aan de hiervoor genoemde vergunning van 15 augustus 2006 een publiekrechtelijke bevoegdheid kan ontlenen om toestemming aan een derde te verlenen voor het plaatsen van een aanmeersteiger, kan verweerder aan de vergunning van 23 september 1999 een dergelijke bevoegdheid ontlenen. De rechtbank laat daarbij in het midden of verweerder op grond van laatstgenoemde vergunning een aanmeervoorziening mag realiseren zoals door eiser wordt gewenst.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder geen publiekrechtelijke bevoegdheid bezit om toestemming te verlenen voor het plaatsen van de door eiser gevraagde steiger. De brief van eiser van 28 augustus 2006 kan dan ook niet worden aangemerkt als een aanvraag, evenmin als de brief van verweerder van 26 juni 2007 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder had het bezwaar van eiser derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Het beroep zal om die reden gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien omdat slechts één beslissing mogelijk is, luidende dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien van herroeping van een primair besluit als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb hier geen sprake is.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 26 juni 2007 niet ontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 644 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Nijmegen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, mrs. J.J. Penning en J.H.A. van der Grinten als rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 15 juli 2008