Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD7650

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
18-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/2195 en AWB 07/2197 en AWB 07/2459
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Niet gebleken dat is voldaan aan de algemene voorwaarde van de provinciale vrijstellingslijst, inhoudende dat in de ruimtelijke onderbouwing de economische uitvoerbaarheid aangetoond dient te worden. Vast staat dat verweerder alleen de kosten aan de zijde van de gemeente van belang heeft geacht bij de beoordeling of het project economisch uitvoerbaar is. Inzicht in de exploitatieopzet van vergunninghoudster is niet verstrekt. Aldus heeft verweerder een onjuist uitgangspunt gehanteerd.

Voorts is niet vast komen te staan dat er sprake is van stedelijk gebied, als bedoeld in categorie 1 van de vrijstellingslijst. Uit de Beleidskaart ruimtelijke structuur volgt onmiskenbaar dat toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO voor een project als het onderhavige uitsluitend mogelijk is als vast staat dat het betrokken perceel is gelegen binnen de door GS daarvoor (in abstracto) geschikt geachte gebieden, die op de Beleidskaart zijn aangewezen en begrensd. Het standpunt van verweerder dat de Beleidskaart slechts een indicatief karakter heeft, kan derhalve niet als juist worden aanvaard.

Toepassing artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De stukken met betrekking tot de planschaderisicoanalyse zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit, zodat deze niet ter inzage gelegd behoefden te worden. De stukken met betrekking tot het verkennend bodemonderzoek en het advies van het Waterschap zijn naar het oordeel van de rechtbank daarentegen wel aan te merken als stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit. Weergeven samenvatting van deze stukken in de ruimtelijke onderbouwing is onvoldoende. Ook het standpunt van verweerder dat het op de weg van de gemachtigde van eisers lag om bij de gemeente inzage te vragen van de ontbrekende onderliggende rapporten is onjuist.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 07/2195, 07/2197 en 07/2459

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

1. [eiser A] en [eiser B], eisers, wonende te [woonplaats] (07/2197);

2. [eiser C], eiser, wonende te [woonplaats] (07/2195),

allen vertegenwoordigd door mr. R.C.M. van Meer-Dijksman;

3. [eiser D] en [eiser E], eisers, wonende te [woonplaats] (07/2459)

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, verweerder,

alsmede

Moonen Projectontwikkeling B.V., partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te 's-Hertogenbosch (verder: vergunninghoudster).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 8 mei 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder aan vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 3 woningen op het perceel kadastraal bekend gemeente Rossum, sectie D, nummer 1418 (gedeeltelijk), gelegen aan de Groenestraat achter de nummers 22 tot en met 28 te Hurwenen, met gebruikmaking van de daartoe bij besluit van

19 december 2006 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de daartegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de met vrijstelling verleende bouwvergunning gehandhaafd.

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld. Voorts heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 26 juni 2007 heeft vergunninghoudster zich gesteld als partij in het geding.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 30 mei 2008. Namen eisers is verschenen mr. R.C.M. van Meer-Dijksman. Voorts waren in persoon aanwezig [eiser A] en [eiser D]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Oosterhof. Namens vergunninghoudster is verschenen [gemachtigde].

3. Overwegingen

Ingevolge het bestemmingsplan “Hurwenen; herziening 1982” (verder: het bestemmingsplan) heeft het betreffende perceel de bestemmingen “Openbaar groen of plantsoen”, “Woningen”en “Agrarische doeleinden”.

Het bouwplan is in strijd met deze bestemmingen. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO - voor zover hier van belang - kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen, mits het betrokken project, kort gezegd, is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Ingevolge artikel 19a, vierde lid, voor zover hier van belang, van de WRO is op de voorbereiding van het besluit omtrent vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb (de uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Eisers hebben betoogd dat verweerder, in strijd met artikel 3:11 van de Awb, heeft verzuimd de stukken met betrekking tot het verkennend bodemonderzoek, het advies van het Waterschap van 29 juni 2006 en de planschaderisicoanalyse met het ontwerpvrijstellingsbesluit ter inzage te leggen.

Dit betoog treft doel, behalve inzoverre het de stukken met betrekking tot de planschaderisicoanalyse betreft. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de stukken en de daarop ter zitting gegeven toelichting, staat vast - hetgeen ook niet wordt betwist - dat evenbedoelde stukken niet met het ontwerpbesluit ter inzage zijn gelegd.

De stukken met betrekking tot de planschaderisicoanalyse zijn, naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit, zodat deze niet ter inzage gelegd behoefden te worden. Allereerst zijn de betrokken stukken niet in de notitie “ruimtelijke onderbouwing Groenestraat te Hurwenen” van 6 oktober 2006 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) genoemd. Voorts zijn deze stukken, anders dan eisers hebben betoogd, voor de juiste beoordeling van de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan niet nodig, omdat daartoe immers met name de exploitatieopzet doorslaggevend is; de planschaderisicoanalyse maakt hiervan hoogstens deel uit.

De stukken met betrekking tot het verkennend bodemonderzoek en het advies van het Waterschap van 29 juni 2006 zijn, naar het oordeel van de rechtbank daarentegen wel aan te merken als stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit, reeds omdat in de ruimtelijke onderbouwing daarnaar wordt verwezen en deze kennelijk mede daarop is gebaseerd. Deze stukken zijn dan ook ten onrechte niet met het ontwerpvrijstellingsbesluit ter inzage gelegd.

Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat met de weergave van de conclusies van de betreffende stukken in de ruimtelijke onderbouwing is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, omdat belanghebbenden, naar het oordeel van de rechtbank, aldus niet in staat worden gesteld zich zelfstandig een oordeel te vormen over de informatie die in deze stukken is vervat; zij behoeven er juist immers niet op te vertrouwen dat de in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen resultaten en conclusies alle relevante informatie bevatten.

Ook het standpunt van verweerder dat het op de weg van de gemachtigde van eisers lag om bij de gemeente inzage te vragen van de ontbrekende onderliggende rapporten is onjuist.

De blijkbaar door verweerder voorgestane uitleg van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb zou er immers toe leiden dat de uit deze bepaling voortvloeiende verplichting wordt beperkt tot een passieve plicht tot openbaarmaking. Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 3:11 van de Awb te zien als een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan. Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) besluit, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen. Ook gelet op de bewoordingen van deze bepaling, die spreekt van het ter inzage leggen van de op het ontwerp betrekking hebbende stukken "met" het ontwerp van het besluit, dienen deze stukken tezamen met het ontwerp van de vrijstelling voor inzage beschikbaar te zijn en bij een verzoek om inzage van de op het ontwerp betrekking hebbende stukken ter hand te worden gesteld.

Uit het vorenstaande volgt dat het vrijstellingsbesluit is voorbereid in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat dit verzuim niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd, reeds omdat niet gebleken is dat eisers daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. Niet is gebleken dat eisers de betrokken stukken in de bezwaarfase alsnog ter inzage hebben gekregen.

De rechtbank ziet aanleiding om in te gaan op de beroepsgronden met betrekking tot de economische uitvoerbaarheid en de Beleidskaart ruimtelijke structuur in verband met de door

het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) bij besluit van 15 november 2005 vastgestelde “vrijstellingslijst ex artikel 19, lid 2, van de WRO” (hierna: vrijstellingslijst). Deze bevat de categorieën van gevallen waarin burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kunnen verlenen vastgesteld.

Ingevolge de “Algemene voorwaarden” van de vrijstellingslijst is vereist dat in de ruimtelijke onderbouwing de economische uitvoerbaarheid aangetoond dient te worden.

Ingevolge categorie 1 van de vrijstellingslijst kan vrijstelling worden verlenen voor (bouw)projecten voor woonfuncties in stedelijk gebied, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eisers dat verweerder verzuimd heeft de economische uitvoerbaarheid in de ruimtelijke onderbouwing aan te tonen, doel treft. Vast staat dat verweerder alleen de kosten aan de zijde van de gemeente van belang heeft geacht bij de beoordeling of het project economisch uitvoerbaar is. Inzicht in de exploitatieopzet van vergunninghoudster is niet verstrekt. Aldus heeft verweerder een onjuist uitgangspunt gehanteerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt ondeugdelijk is en de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb.

Ook het betoog van eisers dat het project niet is gelegen binnen het stedelijk gebied, als bedoeld in de vrijstellingslijst treft doel.

Ingevolge de bij de vrijstellingslijst behorende toelichting dient onder stedelijk gebied te worden verstaan het gebied dat op de “Beleidskaart ruimtelijke structuur”, behorende bij het streekplan 2005 (verder: de Beleidskaart), als bebouwd gebied is aangeduid. Dit zijn binnen het “Rode raamwerk” de donker gekleurde gebieden (bebouwing 2000) en binnen het “Multifunctioneel gebied” de grijs gekleurde gebieden (bebouwd gebied 2000). Daarnaast zijn alle gerealiseerde planmatige uitbreidingen aansluitend aan deze bebouwde gebieden, stedelijk gebied.

Vast staat dat het betrokken perceel is gelegen in het Multifunctioneel gebied. Niet echter is komen vast te staan dat het daarbinnen in de grijs gekleurde gebieden is gelegen. Met behulp van het beschikbare kaartmateriaal - onder andere de door eisers en verweerder ter zitting getoonde Beleidskaart - is niet vast te stellen of het betreffende project is gelegen binnen het grijs gekleurde gebied. Uit de Beleidskaart volgt evenwel onmiskenbaar dat toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO voor een project als het onderhavige uitsluitend mogelijk is als vast staat dat het betrokken perceel is gelegen binnen de door GS daarvoor (in abstracto) geschikt geachte gebieden, die op de Beleidskaart zijn aangewezen en begrensd. Het standpunt van verweerder dat de Beleidskaart slechts een indicatief karakter heeft, kan derhalve niet als juist worden aanvaard. Dat op de Beleidskaart - onder meer door de toegepaste schaal - niet altijd direct zichtbaar is wat binnen dit gebied valt en wat daarbuiten, doet daaraan niet af, doch dient ertoe te leiden dat verweerder zich in verbinding stelt met GS teneinde de vereiste duidelijkheid te verkrijgen.

Voor het oordeel dat niettemin sprake is van stedelijk gebied in de zin van de vrijstellingslijst op de grond dat het project is gelegen in een planmatige uitbreiding aansluitend aan de (grijs gekleurde) bebouwde gebieden, biedt hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, onvoldoende feitelijke aanknopingspunten.

Evenmin is relevant dat het project is gelegen binnen de zogenaamde rode contour van de StructuurVisiePlus van de gemeente Maasdriel, omdat niet vast staat dat die binnen het grijs gekleurde gebied van de Beleidskaart is gelegen.

Het vorenstaande betekent dat niet is komen vast te staan dat is voldaan aan de toepassingsvereisten van artikel 19, tweede lid, van de WRO. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten op dit punt eveneens in strijd zijn met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb.

De beroepen dienen gegrond te worden verklaard en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd. Voor een beoordeling van de overige beroepsgronden bestaat geen aanleiding. Verweerder dient opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient verweerder, indien hij desondanks medewerking wenst te verlenen aan de verwezenlijking van het bouwplan, te bezien of het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO de aangewezen weg is.

Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld in de kosten die eisers sub 1 en sub 2 (07/2195 en 07/2197) in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken; deze kosten zijn geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het bedrag van de kosten is op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, en met toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende Bijlage als volgt vastgesteld: indienen beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322, wegingsfactor 1. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Ten aanzien van eisers sub 3 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eisers sub 1 en 2 in verband met de behandeling van hun beroepen gezamenlijk opgekomen proceskosten tot een bedrag van

€ 644 en wijst de gemeente Maasdriel aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eisers sub 1 en 2, ieder voor de helft en onder vermelding van het zaaknummer, dient te betalen;

bepaalt dat de gemeente Maasdriel het door eisers sub 1, 2 en 3 betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 aan ieder van hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.G.A. Nijmeijer, voorzitter, mrs. S.W. van Osch en M. Groverman, rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2008

in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 17 juli 2008