Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD7639

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
18-07-2008
Zaaknummer
149154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen toerekenbare tekortkoming in de nakoming van verplichting tot bodemsanering, voortvloeiend uit koopovereenkomst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 82
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2008/7 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149154 / HA ZA 06-2194

Vonnis van 2 juli 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. W.H.B.M. Litjens,

advocaat mr. A.W. Braam te 's-Hertogenbosch,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur en advocaat mr. P.H.M. Essink.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 september 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2008

- de akte van [eiser]

- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tot 1991 dreven [gedaagde 1] en diens broer [naam ingenieur] – via de vennootschap onder firma “[naam vennootschap]” – op het perceel [adres], kadastraal bekend [kadastrale gegevens], (verder “het perceel” genoemd) een glas-in-loodbedrijf. De broers waren gezamenlijk eigenaar van het perceel.

2.2. In 1991 zijn de gebroeders [gedaagde 1] en [eiser] overeengekomen dat [eiser] de activiteiten van het glas-in-loodbedrijf zou overnemen en voortzetten. Bij voorlopige koopakte van 12 januari 1991 is daartoe vastgelegd dat [eiser] alle inventaris en gereedschappen, de voorraad en de goodwill van de gebroeders [gedaagde 1] overnam en dat hij de werkplaats op het perceel zou huren. Aan deze voorlopige koopakte is uitvoering gegeven.

2.3. [naam ingenieur] is op 15 oktober 1995 overleden. [gedaagde 2] was met hem in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Door het overlijden van [naam ingenieur] is [gedaagde 2] naast [gedaagde 1] mede-eigenaar van het perceel geworden.

2.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] enerzijds en [eiser] anderzijds hebben een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel, die is vastgelegd in een akte die op 2 oktober 2000 door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is ondertekend en op 31 juli 2000 door [eiser] (verder “de koopovereenkomst” genoemd). Overeengekomen werd dat [eiser] het perceel voor een koopprijs van NLG 200.000,00 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zou kopen. De levering van het perceel heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2000.

2.5. In artikel 4 lid 5 van de koopovereenkomst is – onder meer – opgenomen:

Koper is voornemens het registergoed (verder) te exploiteren als bedrijfsruimte voor diens glas-in-lood bedrijf.

In artikel 2 van de akte van levering van het perceel is – onder meer – het volgende opgenomen:

het verkochte, door koper te gebruiken als bedrijfsruimte voor diens glas in lood bedrijf

2.6. Artikel 10 van de koopovereenkomst – overgenomen in artikel 6 van de akte van levering van het perceel – luidt, voor zover hier van belang:

Bepalingen bodemverontreiniging.

Artikel 10.

1. Partijen zijn er mee bekend dat in de bodem van het perceel verontreiniging is aangetroffen. Kopieën van het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek [adres]’ d.d. februari 1996 (project P-210-395), en de nadien gevoerde correspondentie (brieven ENVIRO Plan d.d. 3 augustus 1999, d.d. ……) zijn partijen bekend, en worden als bijlage bij deze koopovereenkomst gevoegd.

2. ENVIRO Plan heeft partijen de navolgende opgave gedaan van de te verwachten kosten van sanering van de grond:

- nader onderzoek begeleiding sanering, melding, gemeente, rapportages f 17.440,-- excl BTW

- geschatte kosten afvoeren vervuilde grond 255 ton x f 100,-- per ton f 25.500,-- excl BTW

- geschatte kosten voor het afgraven van de grond f 5.000,-- excl. BTW

- nieuw aanbrengen van schone grond en egaliseren van deze grond p.m.

-------------

Totaal f 47.500,-- excl. BTW

3. Partijen hebben in gemeen overleg besloten de firma ENVIRO Plan danwel een door deze aan te wijzen derde opdracht te geven tot sanering van de vervuilde grond over te gaan.

4. De opdracht tot sanering zal door beide partijen gezamenlijk aan ENVIRO Plan worden verstrekt, en wel binnen één week na ondertekening van de transportakte en voldoening door koper van de koopsom. De opdracht zal worden verstrekt door een door beide partijen te versturen schriftelijk verzoek aan ENVIRO Plan om tot uitvoering van deze saneringswerkzaamheden over te gaan, een en ander conform de begroting die als bijlage bij de brief van 3 augustus 1999 van ENVIRO Plan is gevoegd.

5. Met betrekking tot de verdeling van de saneringskosten komen partijen overeen dat koper zal voldoen 10% van de totale saneringskosten (exclusief BTW), met een maximum van f. 6.000,-- exclusief BTW.

6. Na uitvoering en afronding van de overeengekomen saneringswerkzaamheden verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting en verklaren zij ter zake (eventuele nadere) bodemverontreiniging niets meer van elkander te vorderen te hebben. Eventueel nader uit te voeren saneringen zullen geheel voor rekening en risico van koper geschieden.

7. Afgezien van de in de rapportages van ENVIRO Plan genoemde perceelsdelen is het verkoper niet bekend dat er feiten zijn (…) waaruit blijkt dat het registergoed in zodanige mate is verontreinigd (…) dat het aannemelijk is dat deze verontreiniging ingevolge thans geldende milieuwetgeving en/of milieurechtspraak aanleiding zou geven tot sanering of tot het nemen van andere maatregelen.

2.7. In artikel 6 van de akte van levering van het perceel is – onder meer ook – opgenomen:

Partijen zijn overeengekomen dat in verband met de hierboven beschreven verdeling van de saneringskosten verkoper een bedrag van vijftigduizend gulden (f. 50.000,00) – afkomstig uit de opbrengst van onderhavige verkoop – bij notaris Mostart, voornoemd, in

depot zal laten.

Dit bedrag staat tot op heden bij de notaris in depot.

2.8. In het in de koopovereenkomst en de akte van levering van het perceel genoemde ‘Verkennend bodemonderzoek [adres]’ d.d. februari 1996 zijn – onder meer – de volgende passages opgenomen:

De aanleiding voor de uitvoering van een bodemonderzoek vormt de voorgenomen verkoop van het onroerend goed.

Het doel van het verkennend onderzoek is het wegnemen van onzekerheden in het regelen van aansprakelijkheid voor (toekomstige) kosten, verband houdende met eventueel aanwezige bodemverontreiniging (…)

Resumé laboratoriumonderzoek

Op basis van de resultaten van het aanvullend laboratoriumonderzoek kan worden geconstateerd dat de verontreiniging met zware metalen en PAK zich niet specifiek op één plaats van de onderzoekslocatie bevindt maar een min of meer diffuus karakter heeft. Op basis van de analyseresultaten van OM I kan worden vermoed dat de verontreiniging zich beperkt tot de geroerde bodemlaag. Er bestaat geen volledig inzicht in de ruimtelijke omvang, en dan met name de horizontale verspreiding van de verontreiniging; waarschijnlijk zal ook buiten de grenzen van de onderzoekslocatie verontreiniging kunnen worden aangetroffen.

De aanwezigheid van de verontreiniging met zware metalen en met name glas in lood in de bovengrond is te relateren aan de bedrijfsactiviteiten van het glas-in-loodbedrijf. (...)

2.9. Na de levering van het perceel hebben [eiser] en [gedaagde 1] enerzijds en [gedaagde 2] anderzijds gezamenlijk EnviroPlan opdracht gegeven om tot sanering van het perceel over te gaan. EnviroPlan heeft het voornemen tot sanering gemeld bij de Provincie Gelderland. In een brief van 28 maart 2001 aan EnviroPlan heeft de Provincie Gelderland als volgt gereageerd:

Het door u uitgevoerde onderzoek heeft volgens uw gegevens tot op heden slechts betrekking gehad op het perceel [adres]. Uit de kadastrale gegevens blijkt dat dit perceel in het verleden deel uitmaakte van een groter perceel. De huidige kadastrale percelen (…) [adres] (…) en (…) [adres] vormden in het verleden tezamen het kadastrale perceel [kadastrale gegevens], bekend als [adres]. De kadastrale splitsing is totstandgekomen in 1967.

Al voor het totstandkomen van de kadastrale splitsing werden op het perceel [adres] (de huidige percelen [nrs.]) activiteiten verricht in het kader van het glas-in-loodbedrijf van de firma [naam vennootschap] (…)

Gezien het feit dat de huidige kadastrale percelen [nrs.] vroeger één perceel vormden en op beide percelen dezelfde bedrijfsactiviteiten zijn verricht door hetzelfde bedrijf en dezelfde personen, gaan wij ervan uit dat op de betrokken percelen sprake is van één geval van mogelijk ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming voorzover het gaat om bodemverontreiniging die kan worden gerelateerd aan activiteiten in het kader van het glas-in-loodbedrijf. Dit betekent dat bij het uit te voeren nader bodemonderzoek het hele geval in beeld moet worden gebracht. Indien blijkt dat het geval perceelsgrensoverschrijdend is, zal gekeken moeten worden tot hoever de verontreiniging zich uitstrekt buiten de terreingrenzen (dit geldt eveneens voor andere omliggende percelen). Aangezien de firma [naam vennootschap] en de firma [naam vennootschap] aangemerkt kunnen worden als veroorzakers van de bodemverontreiniging zijn zij verantwoordelijk voor het hele geval van bodemverontreiniging en zullen zij dan wel de vennoten dit bodemonderzoek (in onderling overleg) dienen uit te voeren.

2.10. Er is meerdere malen contact geweest tussen ing. [naam ingenieur], Senior Adviseur Bodem bij EnviroPlan, (verder “[ingenieur]” genoemd) en de Provincie Gelderland om toestemming te krijgen voor deelsanering van uitsluitend het perceel, en niet ook de omringende percelen. In ieder geval tot aan de datum van de comparitie van partijen heeft de Provincie Gelderland deze toestemming niet gegeven.

2.11. Bij gelijkluidende brieven van 19 september 2005 heeft de raadsman van [eiser] zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] gesommeerd de verplichtingen uit de koopovereenkomst op de kortst mogelijke termijn na te komen. Hij heeft – onder meer – het volgende geschreven:

Cliënte deelde mee mede dat u tot op heden de verplichtingen uit de koopovereenkomst niet bent nagekomen. Van Enviro Plan vernam ik dat dit zou worden veroorzaakt door de weigering van de provincie om een deelsanering toe te staan.

2.12. Bij brief van 14 februari 2006 heeft de raadsman van [eiser] aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] geschreven:

In vervolg op mijn aangetekende brief van 19 september 2005 sommeer ik u nogmaals om uw verplichting uit de koopovereenkomst na te komen en mij thans binnen vier weken te bevestigen dat u op de kortst mogelijke termijn tot sanering zult overgaan.

2.13. Namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft [ingenieur] als volgt gereageerd op de hiervoor genoemde brief van 14 februari 2006:

Ik heb van betrokkenen opdracht gekregen om met provincie Gelderland in overleg te treden teneinde alsnog tot uitvoering van de sanering te komen. Gezien de complexiteit van de situatie kan ik op dit moment echter geen termijn aangeven waarbinnen dit tot concrete resultaten zal leiden. Ik verwacht u op een termijn van 6 weken nader te kunnen informeren.

2.14. In een brief van 30 mei 2006 heeft de Provincie Gelderland – onder meer – het volgende geschreven aan de raadsman van [eiser]:

Zoals u bekend is, hebben wij in ons besluit met nummer MW2003.53484 (verzonden 2 juni 2004) vastgesteld dat ter plaats van voornoemde locatie sprake is van een urgent geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (Wbb). Daarbij hebben wij verder bepaald dat de start van de sanering uiterlijk 1 januari 2006 moet starten. Tot op heden is dat niet gebeurd.

Per 1 januari 2006 (…) is verder de zogenaamde saneringsplicht voor eigenaren van bedrijfsterreinen in de Wbb opgenomen (…)

Deze saneringsplicht houdt in dat de eigenaar van een bedrijfsterrein waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan verplicht is de bodem te saneren indien in een beschikking als bedoeld in artikel 37 van de Wbb is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. Met de sanering moet worden begonnen uiterlijk voor het tijdstip dat is bepaald in de beschikking. Met de wijziging van de Wbb richt de plicht tot sanering van bedrijfsterreinen zich in eerste instantie op de eigenaar. Dat betekent dat de overheid zich als regel niet meer tot de veroorzaker zal richten wanneer er sprake is van een bedrijfsterrein. Uit kadastrale gegevens blijkt dat uw cliënt reeds enkele jaren eigenaar is van voornoemde locatie. (…) Gelet op het vorenstaande treden wij graag met u – althans met uw cliënt – in overleg over een aanpak van de bodemverontreiniging.

2.15. [eiser] heeft een zienswijze ingediend tegen de hem door de Provincie Gelderland opgelegde verplichting om over te gaan tot sanering van het perceel en de omliggende percelen. Hij heeft ook een subsidieaanvraag ingediend voor de sanering van het perceel en de omliggende percelen. Ten tijde van de comparitie van partijen was op beide niet beslist.

2.16. [eiser] heeft de bedrijfsactiviteiten van [naam vennootschap] op het perceel inmiddels gestaakt en ze verplaatst naar Nijmegen.

2.17. In een brief van 19 februari 2008 heeft de Provincie Gelderland – onder meer – het volgende aan [eiser] geschreven:

Op 27 september 2007 ontvingen wij (…) een aanvulling op de eerder ingediende zienswijze. Hierin is onder meer aangegeven dat u de bedrijfsactiviteiten van [naam vennootschap] op het perceel [adres] per 28 september 2007 staakt en gestaakt zult houden. (…) Nu er op het perceel [adres] in [plaats] geen bedrijfsactiviteiten meer uitgevoerd worden zoals bedoeld in artikel 55a van de Wet bodembescherming en u niet van plan bent om er in de toekomst bedrijfsactiviteiten te exploiteren, achten wij u niet langer verplicht om op grond van artikel 55b Wet bodembescherming de verontreiniging op de percelen [adres] en omgeving te saneren. Wij houden u wel verantwoordelijk voor het saneren van de verontreiniging op uw eigen perceel, [adres]. Omdat het spoedeisende karakter van de sanering veroorzaakt wordt door humane risico’s op het perceel [adres] en er op uw perceel [adres] geen verontreiniging aanwezig is waarvan de sanering spoedeisend is, kan de sanering op een natuurlijk moment worden uitgevoerd. (…) Indien u de verontreiniging op uw perceel wilt saneren dan dient u hiervoor een melding zoals bedoeld in artikel 28 Wet bodembescherming bij ons te doen of een melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen.

2.18. Tot op heden is niet begonnen met de sanering van het perceel.

3. Het geschil

3.1. Na zijn eis twee keer te hebben gewijzigd vordert [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover mogelijk:

1. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun saneringsverplichting voortvloeiende uit de koopovereenkomst, in het bijzonder door geen tijdige uitvoering te laten geven aan de met [eiser] gezamenlijk verstrekte opdracht aan de vennootschap onder firma EnviroPlan te Weurt tot sanering overeenkomstig de door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland gestelde en nog te stellen voorwaarden;

2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te bevelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis opdracht te verstrekken aan de vennootschap onder firma EnviroPlan te Weurt, tot een melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen tot sanering naar primair woondoeleinden en subsidiair bedrijfsdoeleinden en deze sanering zonder vertraging te laten uitvoeren zodra Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland haar goedkeuring aan de sanering heeft verleend, met inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving en aanwijzingen van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat gedaagden met deze verplichting in gebreke blijven, met een maximum van € 100.000,00;

3. de veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot voldoening aan [eiser] van de door hem geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4. de veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 5.060,58;

een en ander met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, en met de bepaling dat gedaagden elk hoofdelijk de verplichtingen voortvloeiende uit het vonnis dienen na te komen.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst voor zover deze zien op de sanering van het perceel (artikel 10 van de koopovereenkomst). De sanering van het perceel heeft tot op heden niet plaatsgevonden en dat is volgens [eiser] te wijten aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Volgens [eiser] dient sanering plaats te vinden voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – met uitzondering van het in de koopovereenkomst genoemde maximum bedrag van NLG 6.000,00 – en dient deze te geschieden tot aan waarden die het perceel geschikt maken voor woonbestemming.

3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Formeel maken zij bezwaar tegen de laatste wijziging van eis. Inhoudelijk betwisten zij dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Dat de sanering van het perceel niet heeft plaatsgevonden is niet aan hen te wijten, maar aan de houding van de Provincie Gelderland. In de koopovereenkomst is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vastgelegd voor welk bedrag zij dienen bij te dragen aan de sanering en dat bedrag staat in depot. Volgens hen dient er uitsluitend gesaneerd te worden tot aan waarden die het perceel geschikt maken voor een bedrijfsbestemming.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank gaat allereerst in op het bezwaar dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gemaakt tegen de (tweede) wijziging van eis van [eiser] bij akte na comparitie. De rechtbank stelt voorop dat een eiser in beginsel bevoegd is zijn eis bij akte ter rolle te wijzigen zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Dit is slechts anders als een wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat dit het geval is, omdat – naar de rechtbank begrijpt – het de tweede wijziging van eis is in een geschil dat zich al jaren voortsleept. Bovendien gaat [eiser] uit van een gewijzigd feitencomplex. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zouden hierdoor ernstig in hun verdediging zijn geschaad en de procedure zou ernstig worden vertraagd.

4.2. De rechtbank acht het bezwaar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ongegrond. Zij acht daartoe van belang dat het hoofdzakelijk gaat om een tekstuele aanpassing van de vordering. De aard en de strekking van de vordering blijven ongewijzigd, zij het dat – naar de rechtbank begrijpt – de vordering thans nog uitsluitend ziet op het perceel, en niet ook op de omringende percelen. In die zin gaat het dus om een vermindering van eis, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn daardoor niet hun verdediging geschaad. Dat het om een tweede wijziging van eis gaat levert niet zonder meer strijd met de eisen van een goede procesorde op. Gesteld noch gebleken is waarom dit thans wel het geval zou moeten zijn. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [eiser] zijn eiswijziging baseert op nieuwe feiten, in het bijzonder op de hiervoor onder de feiten geciteerde brief van de Provincie Gelderland van 19 februari 2008. Deze brief kan van belang zijn voor het geschil tussen partijen en [eiser] is niet eerder in de gelegenheid geweest de brief in het geding te brengen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarentegen hebben in hun antwoordakte wel de gelegenheid gehad om op de nieuwe feiten te reageren. Zij zijn dan ook niet geschaad in hun verdedigingsbelang. Van een ontoelaatbare vertraging van de procedure is ook geen sprake. De rechtbank zal in het navolgende dan ook uitgaan van de eis van [eiser] zoals deze luidt na de tweede wijziging.

4.3. De rechtbank komt dan toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen partijen. Partijen zijn het er over eens dat met het bepaalde in artikel 10 van de koopovereenkomst niet uitsluitend is beoogd te bepalen dat opdracht moest worden gegeven om tot sanering over te gaan – wat ook is gebeurd – maar ook dat daadwerkelijk tot sanering zou worden overgegaan. Dit volgt uit zowel de stellingen van beide partijen als de overgelegde correspondentie. Ook de rechtbank zal hier van uitgaan. Partijen verschillen echter van mening over de vraag aan wie het te wijten is dat tot op heden geen sanering plaats heeft gevonden. Ze verschillen ook van mening over de vraag tot welke waarden er gesaneerd moet worden, en over de vraag wie de kosten van de sanering moet dragen.

4.4. Volgens [eiser] is het aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te wijten dat sanering tot op heden niet heeft plaatsgevonden. Partijen zijn het er over eens dat De Provincie Gelderland het niet toegestaan heeft om uitsluitend het perceel te laten saneren en niet ook de omliggende percelen. Volgens [eiser] hadden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om die reden echter over moeten gaan tot het saneren van de gehele verontreiniging. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat die verplichting niet voortvloeit uit de koopovereenkomst. Volgens hen hebben beide partijen steeds geprobeerd om tot deelsanering te komen. Daartoe zijn er steeds, ook nog na aanvang van deze procedure, contacten met de Provincie Gelderland geweest. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verliepen de contacten met de Provincie via EnviroPlan. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden zowel zij als [eiser] daartoe contact met Enviroplan (wat overigens door [eiser] wordt betwist), en had [eiser] ook zelf contact met de Provincie in het kader van de door hem ingediende zienswijze en de aangevraagde subsidie.

4.5. De rechtbank is met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van oordeel dat uit de koopovereenkomst geen verplichting voortvloeit voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om over te gaan tot een totaalsanering van het perceel en de omliggende percelen. Ter comparitie hebben beide partijen verklaard dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet gesproken is over de omliggende percelen. Hoewel bekend was dat er wellicht ook sprake van verontreiniging in de omliggende percelen was, is alleen een regeling getroffen voor het perceel. In het midden kan worden gelaten of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wellicht op andere civielrechtelijke gronden aansprakelijk gehouden kunnen worden voor een eventuele verontreiniging van de omliggende percelen, nu [eiser] uitdrukkelijk slechts de koopovereenkomst aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.

4.6. Op basis van het hiervoor onder 4.4. overwogene stelt de rechtbank vast dat beide partijen, en dus ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2], na het sluiten van de koopovereenkomst bezig zijn geweest met uitvoering geven aan het in artikel 10 van de koopovereenkomst bepaalde. Door partijen is opdracht gegeven om tot sanering over te gaan. Nadat de Provincie een deelsanering niet had toegestaan, hebben beide partijen geprobeerd om daarvoor toch toestemming te krijgen (dan wel om een subsidie voor totaalsanering te krijgen). In artikel 10 van de koopovereenkomst is geen termijn opgenomen waarbinnen de sanering van het perceel aangevangen, laat staan voltooid, had moeten zijn. Gesteld noch gebleken is dat nadien een (fatale) termijn is bepaald en geschonden. De sommaties van [eiser] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 19 september 2005 en 14 februari 2006 zijn in ieder geval niet aan te merken als deugdelijke ingebrekestellingen op basis waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in verzuim hadden kunnen raken, alleen al niet omdat daarin geen redelijke, vastomlijnde termijn wordt genoemd. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zouden zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst is dan ook niet komen vast te staan. De vordering van [eiser] onder 1. ligt daarmee dan ook voor afwijzing gereed.

4.7. Het geschil tussen partijen is daarmee echter niet opgelost. Zoals hiervoor onder 4.3. al is overwogen, staat tussen partijen namelijk wel vast dat op grond van het bepaalde in artikel 10 van de koopovereenkomst sanering van het perceel plaats dient te vinden, terwijl ook vast staat dat dit tot op heden – bijna 8 jaar later – niet is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is niet tot sanering overgegaan omdat de Provincie Gelderland een deelsanering niet toestond. Inmiddels heeft de Provincie Gelderland in haar brief van 19 februari 2008 echter bepaald dat nu een deelsanering wel is toegestaan. Het lijkt er dan ook op dat nu daadwerkelijk tot sanering van het perceel kan worden overgegaan. Voor zover de rechtbank kan overzien zijn daartoe door partijen echter nog geen – nadere – stappen ondernomen.

4.8. In artikel 10 van de koopovereenkomst is bepaald dat de opdracht tot sanering door beide partijen gezamenlijk dient te worden verstrekt. De rechtbank leest het door [eiser] onder 2. gevorderde dan ook als een vordering om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te bevelen om mee te werken aan het gezamenlijk verstrekken van een opdracht aan EnviroPlan om daadwerkelijk over te gaan tot het (laten) uitvoeren van een sanering van het perceel, met inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving en aanwijzingen van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Deze vordering is, gelet op het voorgaande, in beginsel toewijsbaar.

4.9. Dit voorlopig oordeel is mede gebaseerd op recente feiten (het gewijzigde standpunt van de Provincie Gelderland) en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich in hun laatste akte niet uitgelaten over de vraag of zij bereid zijn om mee te werken aan het verstrekken van een gezamenlijke opdracht tot sanering van het perceel. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten, om te voorkomen dat thans een vonnis wordt gewezen dat wellicht voor hen als een verrassingsuitspraak geldt. [eiser] mag daarop bij antwoordakte reageren. De rechtbank geeft partijen in overweging om, ter beëindiging van hun geschil en deze procedure, alvast een gezamenlijke opdracht tot sanering van het perceel aan EnviroPlan of een vergelijkbaar bedrijf te verstrekken.

4.10. Van belang bij het laten uitvoeren van een sanering van het perceel zijn nog de hiervoor onder 4.3. genoemde vragen naar de omvang van de te verrichten sanering en de vraag naar de verdeling van de kosten daarvan. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

4.11. Met betrekking tot de omvang van de sanering stelt [eiser] zich op het standpunt dat het perceel gesaneerd dient te worden tot aan waarden die het geschikt maken voor een woonbestemming. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dient echter gesaneerd te worden tot aan waarden die het perceel geschikt maken voor een bedrijfsbestemming. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst was op het perceel een bedrijf gevestigd, namelijk het glas-in-loodbedrijf van eerst de gebroeders [gedaagde 1] en daarna [eiser]. Voor beide partijen was duidelijk dat het perceel als bedrijfsterrein werd verkocht door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gekocht door [eiser]. Dit blijkt ook uit het hiervoor onder de feiten geciteerde artikel 4 lid 5 van de koopovereenkomst en artikel 2 van de akte van levering. De regeling die partijen in artikel 10 van de koopovereenkomst hebben getroffen over de geconstateerde verontreiniging ziet dan ook uitsluitend op vervuiling van een bedrijfsterrein, en als zodanig dient de sanering plaats te vinden. Voor zover [eiser] een sanering tot schonere waarden wenst, dienen de meerkosten daarvan voor zijn rekening te komen. De vraag naar de huidige bestemming van het perceel – partijen verschillen hierover van mening – kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.

4.12. Met betrekking tot de kosten stelt [eiser] zich op het standpunt dat de kosten van de sanering voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen te komen, met uitzondering van zijn in de koopovereenkomst gemaximeerde bijdrage van NLG 6.000,00 (€ 2.722,68) excl. btw, omdat deze regeling in de koopovereenkomst is vastgelegd. Ter onderbouwing heeft [eiser] nog aangevoerd dat partijen hebben beoogd te regelen dat de vervuiler – het glas-in-loodbedrijf van de gebroeders [gedaagde 1] – de sanering zou betalen, en dat zijn bijdrage uitsluitend gold ter compensatie van een besparing die hij door de sanering had bij het aanleggen van een parkeerterrein. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich – naar de rechtbank begrijpt – op het standpunt dat zij uitsluitend het bij de notaris gedeponeerde bedrag aan de sanering bij hoeven te dragen, en dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als zij nu veel hogere kosten moeten voldoen. De rechtbank deelt het standpunt van [eiser] en kan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in hun – niet onderbouwde – verweer volgen. Ter comparitie hebben partijen aangegeven dat de kosten zoals opgenomen in de koopovereenkomst destijds als reëel werden beschouwd, en dat inmiddels de prijzen van saneren zijn gestegen. Dat deze hogere kosten nu voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen komen is alleen al niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat – ook al waren zij daartoe op grond van de koopovereenkomst niet verplicht – het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] steeds mogelijk is geweest om eerder over te gaan tot sanering van het perceel, al was dat dan binnen een totaalsanering van ook de omliggende percelen.

4.13. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 juli 2008 voor het nemen van een akte door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over wat is vermeld onder 4.9.,

5.2. bepaalt dat [eiser] bij antwoordakte (met een termijn van vier weken) op de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mag reageren,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Koning en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.