Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD6177

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
07/3007
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

RZB. Waarde woonark met ligplaats. Kans op droogvallen door ondiepte is waardedrukkend. Dreigende sloop schuur op de kant ook.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/1088 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/3007

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 16 juni 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser zijn voor het jaar 2005 wegens het genot krachtens eigendom en wegens het gebruik van een woonark met de naam “[A]”, gelegen in openbaar water plaatselijk bekend als [a straat 1] te [Z] (hierna: de woonark), op één beschikking verenigde aanslagen in de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten opgelegd, berekend naar een waarde in het economische verkeer van € 227.000 op waardepeildatum 1 januari 2003.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2006 de waarde gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is eiser in beroep gekomen. De rechtbank heeft op 31 oktober 2006 het beroep van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 juni 2007 de waarde verminderd tot een bedrag van € 214.500.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 juli 2007, ontvangen bij de rechtbank op 19 juli 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2008 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is eigenaar en gebruiker van de woonark. De woonark, bouwjaar 1959, is van staal en is dubbellaags. De onderste laag is 14,5 meter lang en 4 meter breed. De bovenste laag is 15 meter lang en 5 meter breed.

3. Geschil

In geschil is de waarde van de woonark op de waardepeildatum.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de vastgestelde waarde tot een bedrag van € 170.000.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

De vaststelling van de waarde in het economische verkeer van een woonark met een vaste ligplaats dient overeenkomstig artikel 221 Gemeentewet in verbinding met artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken te worden bepaald op de waarde die aan de roerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die roerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de roerende zaak zou zijn betaald.

De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woonark toegekende waarde rust op verweerder.

Verweerder heeft, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank op 31 oktober 2006, op 7 juni 2007 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is de waarde van de woonark verminderd tot een bedrag van € 214.500. Verweerder heeft aangegeven dat er een nieuwe taxatiemethodiek is gehanteerd om de waarde van de ligplaats te bepalen. Deze methode houdt in dat de waarde wordt vastgesteld door aan de lengte van de ligplaats een waarde te koppelen, eventueel vermeerderd met een waarde voor het mogelijke gebruik van grond op de kade, eventueel verminderd door factoren die de ligplaats negatief beïnvloeden. Op basis van de nieuwe waarderingsmethode heeft verweerder aan de ligplaats een waarde toegekend van € 114.750. Aan de beschikbare grondoppervlakte aan de kade is een waarde toegekend van € 23.025, zodat in totaal een waarde van € 137.775 is toegekend aan de ligplaats. De woonark is, blijkens bijlage I bij het verweerschrift, gewaardeerd op € 77.000.

Waardering ligplaats

Eiser stelt dat verweerder bij de waardepaling ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van de ligplaats. Volgens hem is onvoldoende rekening gehouden met de ondiepte van de ligplaats, waardoor er in zijn situatie een verhoogde kans bestaat op droogval van de woonark. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn ligplaats als gevolg van slibafzetting ondieper is dan het gedeelte waar de vergelijkingsobjecten zijn gelegen. Voorts heeft eiser ter zitting aangevoerd dat de gemeente in 2005 voornemens was om de op de kade gelegen schuur te slopen. Nadat eiser hiertegen een rechtszaak had aangespannen, heeft de gemeente pas in 2007 besloten dat de schuur mag blijven staan. Naar de mening van eiser heeft verweerder bij de waardebepaling van de ligplaats naar waardepeildatum 1 januari 2005 ten onrechte de voorgenomen sloop van de schuur genegeerd.

In het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2000, nr. 33.540 (BNB 2000/381) is beslist dat de prijs die een gegadigde bij (de in het waardebegrip van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ veronderstelde) verkoop zal willen betalen, in de regel mede wordt bepaald door de plaats en de omgeving van het woonschip en de verwachtingen die deze gegadigde heeft omtrent de mogelijkheid dat het schip op die plaats zal kunnen blijven liggen.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat een ondiepe ligplaats en de kans op droogval van een woonark een negatieve invloed heeft op de ligplaatswaarde. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er in de situatie van eiser geen aanleiding is om een correctiefactor toe te passen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de nabij gelegen boten niet met dezelfde problematiek van een ondiepe ligplaats te maken hebben. De rechtbank volgt deze stelling niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, met inachtneming van hetgeen hij op zitting heeft verklaard, voldoende aannemelijk gemaakt dat nabij gelegen woonboten niet of in mindere mate te maken hebben met een verhoogde kans op droogval. Dit betekent dat bij de waardering van de ligplaats rekening dient te worden gehouden met de hinder die eiser ondervindt als gevolg van de ondiepe ligplaats. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de voorgenomen sloop van de schuur op de kade per waardepeildatum 1 januari 2005. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de waarde van de ligplaats te verminderen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door hem bepleite waarde van de ligplaats niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft op zitting het standpunt ingenomen dat aan de ligplaats een waarde van circa € 120.000 dient te worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter te weinig aangevoerd om deze waarde aannemelijk te maken.

Nu partijen de waarde van de ligplaats beiden niet aannemelijk hebben gemaakt, zal de rechtbank de waarde op de peildatum in goede justitie vaststellen op € 123.000.

Waardering woonark

Verweerder heeft, blijkens bijlage I bij het verweerschrift, een waarde van € 77.000 toegekend aan de woonark. Eiser stelt dat verweerder hierbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de onderhoudstoestand van de stalen bak. Volgens hem heeft de taxateur een vermindering van € 10.000 toegepast wegens achterstalling onderhoud aan de opbouw. Hij bestrijdt dat deze vermindering ook ziet op achterstallig onderhoud van de bak.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woonark € 77.000 bedraagt. Uit het taxatierapport van [B], opgemaakt op 7 juli 2006, volgt een waarde van € 67.000. Verweerder heeft op geen enkele wijze een verklaring gegeven voor het waardeverschil van € 10.000. De rechtbank zal derhalve de waarde volgen zoals deze is bepaald door de taxateur. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze waarde te verminderen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is van onvoldoende gewicht om aan de juistheid van de getaxeerde waarde te twijfelen.

Gelet op het vorenoverwogene vermindert de rechtbank de vastgestelde waarde van de woonark tot een bedrag van € 190.000. Het beroep van eiser is derhalve gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiser heeft een bedrag van € 135 geclaimd aan verletkosten. Verweerder wordt, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, veroordeeld tot vergoeding van de verletkosten tot een bedrag van € 90.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 190.000 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 90 en wijst de gemeente Arnhem aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de gemeente Arnhem het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.