Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD6020

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
168267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Enstige geluidsoverlast laminaatvloer; onrechtmatige hinder.

Een belangenafweging brengt mee dat verwijdering van de laminaatvloer terstond te ver gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 168267 / KG ZA 08-214

Vonnis in kort geding van 29 mei 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te Arnhem,

2. [eiser sub 2],

wonende te Arnhem,

eisers,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. E.D. Omvlee te Amersfoort,

tegen

[gedaagde],

wonende te Arnhem,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de door partijen ter zitting gemaakte procedure-afspraken

- de aanhouding van de zaak ten behoeve van overleg tussen partijen

- de fax van de advocaat van [eisers] d.d. 13 mei 2008, onder meer inhoudende een

vermindering van eis

- de fax van mr. R.A.M. Verkoijen, Stichting Achmea Rechtsbijstand, namens [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] is eigenaar van het appartement gelegen aan de [adres].

2.2. [gedaagde] is eigenaar van het appartement gelegen aan de [adres].

2.3. [eisers] bewoont het appartement dat is gelegen op de benedenverdieping. [gedaagde] bewoont het appartement op de bovenverdieping (hierna te noemen: de bovenwoning).

2.4. Bij akte van splitsing in appartementsrechten d.d. 1 november 1994 zijn het Algemeen Reglement, vastgesteld door de Koninklijke Notariële Broederschap bij akte van 2 januari 1992 (het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten; verder: het Modelreglement) en het Bijzonder Reglement, opgenomen in de splitsingsakte, van toepassing verklaard.

2.5. In het Modelreglement is onder meer bepaald:

“Artikel 17

De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt op zodanige wijze dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers. (…)

Artikel 20

Het voorkomen van geluidshinder kan nader worden geregeld bij huishoudelijk reglement.”

2.6. Een huishoudelijk reglement is niet opgesteld.

2.7. [gedaagde] heeft in haar appartement een laminaatvloer aangebracht.

2.8. [gedaagde] is voornemens haar appartement te verkopen. In de verkoopbrochure heeft zij als antwoord op de vraag of er verder nog informatie bekend is die voor de koper van belang kan zijn, vermeld: “Ja, de laminaatvloer zorgt niet voor optimale geluidsisolatie”.

2.9. Op 9 mei 2008 is door Lengkeek, Laarman & Hosson een expertiserapport uitgebracht betreffende geluidsoverlast. Bij het rapport is een notitie van moBius consult gevoegd. MoBius consult heeft in opdracht van Lengkeek Laarman & Hosson lucht- en contactgeluidsisolatiemetingen uitgevoerd.

2.10. In de notitie van moBius consult staat onder meer vermeld:

“Conclusie en aanbevelingen

Op basis van de meetresultaten en inspectie ter plaatse wordt het volgende geconcludeerd:

?Uit de metingen blijkt dat de woningscheidende houten vloerconstructie (basisconstructie) niet voldoet aan de gestelde eis (…) voor contactgeluidsisolatie na de woningsplitsing. (…)

? Uit de metingen blijkt dat de woningscheidende houten vloerconstructie inclusief afwerking met ondervloer en laminaat niet voldoet aan de stelling in het appartementreglement dat “onredelijke hinder” wordt voorkomen. De contactgeluidsisolatie is op bepaalde punten zelfs minder dan de basisconstructie. Door contactbruggen tussen laminaat en opgaande wanddelen functioneert de ondervloer niet naar behoren.

?Uit de metingen blijkt dat niet wordt voldaan aan de gestelde eis voor luchtgeluidsisolatie. De gemeten waarde is 8 dB lager dan de gestelde eis. Tijdens de metingen zijn geen opvallende geluidslekken geconstateerd. Ook was er geen opvallende flankerende geluidsoverdracht aanwezig. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de basis vloerconstructie onvoldoende geluidsisolerende kwaliteit bezit. (…)

2.11. In het rapport van Lengkeek Laarman & Hosson staat onder meer vermeld:

“Om een zo duidelijk mogelijk beeld te geven van de omstandigheden, die leiden tot de geluidsproblematiek, is vastgesteld dat de vloerconstructie in belangrijke mate maatgevend is voor de waargenomen hinder. De vloer, die oorspronkelijk een scheiding vormde tussen ruimtes behorend tot een woning, fungeert nu als scheiding tussen twee verschillende woningen. Kennelijk is bij de scheiding geen aandacht besteed aan noodzakelijke verbeteringen, de vloer voldoet geheel niet aan de gestelde eisen. Ook de geluidsisolatie tussen de beide woningen is ver beneden het vereiste minimum.(…)

Zoals reeds vermeld en uitvoerig beschreven in de notitie van Mobius Consult, voldoet de basis van de woningscheidende vloer niet aan de minimaal gestelde normen. De metingen geven aan dat de aanwezigheid van de laminaatvloer nauwelijks verandering heeft gebracht in de bestaande waarde. In beginsel dient de scheidende constructie alsnog in een zodanige uitvoering te worden gebracht, dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen.(…)

Ter volledigheid merken wij nog op dat in de huidige situatie de hinder van contactgeluid sterk kan worden teruggebracht door het aanpassen van de laminaatvloer. Zorgvuldig moet de vloer vrij worden gemaakt van alle randaansluitingen en aan te bevelen is een verende strook tussen laminaat en muren aan te brengen.”

3. Het geschil

3.1. Na vermindering van eis vordert [eisers] samengevat - [gedaagde], op straffe van een dwangsom, te veroordelen de onrechtmatige geluidshinder vanuit de bovenwoning te staken en gestaakt te houden en binnen één maand na betekening van dit vonnis, althans uiterlijk vóór de voorgenomen eigendomsoverdracht van haar appartement, de harde vloerbedekking te verwijderen en/of een zodanig geluidsisolerende vloerbedekking aan te brengen dat daarmee wordt voldaan aan de desbetreffende artikel van het huishoudelijk reglement, de splitsingsakte en het modelreglement.

3.2. [eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de door [gedaagde] op een onvoldoende geïsoleerde ondervloer aangebrachte laminaatvloer voor ernstige geluidsoverlast zorgt. Hij ondervindt daardoor onrechtmatige hinder en zijn woongenot wordt op ontoelaatbare wijze verstoord. De geluidsoverlast bestaat volgens [eisers] uit hinderlijke contactgeluiden vanuit de bovenwoning, zoals onder meer het lopen op de vloer en/of de trap, vallende voorwerpen, het geluid van de schuifdeur en het stofzuigen. Voorts heeft [gedaagde] volgens [eisers] door het aanbrengen van de laminaatvloer gehandeld in strijd met artikel 17 van het Modelreglement.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij betwist het spoedeisend belang bij de vordering van [eisers], stellende dat de laminaatvloer in haar woning er als sinds 2002 ligt en [eisers] er pas na zes jaar, in het zicht van de verkoop van haar appartement, een probleem van maakt. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het onredelijk is om op dit moment, nu haar appartement te koop staat, de vloer te verwijderen. Zij zal dan kosten moeten maken om andere vloerbedekking aan te brengen, die door de koper wellicht weer zal worden verwijderd. In reactie op het expertiserapport d.d. 9 mei jl. stelt [gedaagde] dat zij bereid is de daarin aanbevolen voorziening te treffen, in die zin dat de vloer vrij van de muren zal worden gemaakt en er een verende strook tussen laminaat en muur wordt aangebracht. [gedaagde] is van mening dat daarmee het probleem van de geluidsoverlast is opgelost.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit in voldoende mate voort uit de stellingen en standpunten van [eisers].

4.2. Voor toewijsbaarheid van de vordering moet in voldoende mate aannemelijk zijn geworden dat er sprake is van onaanvaardbare, aan [gedaagde] toe te rekenen overlast en dat de door [eisers] gestelde hinder, gelet op de aard, de ernst en de duur onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 jo 6:162 BW. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het navolgende.

4.3. Uit het overgelegde expertiserapport d.d. 9 mei 2008 en de daarbij gevoegde notitie van moBius consult, volgt dat sprake is van onredelijke hinder van contactgeluid, enerzijds veroorzaakt door de woningscheidende houten vloerconstructie die niet voldoet aan de gestelde eisen voor contactgeluidsisolatie en anderzijds door de aanwezigheid van de laminaatvloer. Uit metingen blijkt dat van geluidsoverlast sprake is zowel op de kale planken vloer als op de laminaatvloer. Volgens het rapport wordt de geluidsoverlast verergert door de wijze waarop de laminaatvloer is aangebracht.

4.4. Of de scheidende vloerconstructie in een zodanige uitvoering gebracht dient te worden, dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor contactgeluidisolatie maakt geen deel uit van het geschil tussen partijen en gaat het kader van dit kort geding te buiten. De vraag die thans voor ligt is of [gedaagde] de aanwezige laminaatvloer dient te verwijderen. Uitgangspunt daarbij is artikel 17 van het Modelreglement, waarin wordt bepaald: “De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt op zodanige wijze dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars of gebruikers.” Aangenomen moet worden dat een laminaatvloer, gelet op de strekking van het artikel, overeenkomt met een parketvloer. Uit de rapporten van moBius en van Lengkeek c.s. volgt genoegzaam dat de laminaatvloer door [gedaagde] niet op zodanige wijze is aangebracht dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan.

De strekking van artikel 17 is dat de vloerbedekking van zodanige samenstelling is dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan. Vast staat dat de laminaatvloer niet aan deze eis voldoet. Ten eerste omdat de scheidingsvloer zelf niet aan de eisen voldoet en uit de metingen volgt dat de daarmee samenhangende gehorigheid door de laminaatvloer in het geheel niet verminderd wordt zodat aangenomen moet worden dat laminaat als vloerbedekking in strijd is met artikel 17 van het Modelreglement zolang geen voorzieningen aan de scheidingsvloer zijn getroffen. Ten tweede volgt uit de genoemde rapporten dat de laminaatvloer zodanig is aangebracht tegen de opgaande wanden dat de geluidsoverlast zelfs nog toeneemt. Gelet op de rapporten is voorshands voldoende aannemelijk dat de laminaatvloer bij deze stand van zaken zodanig onredelijke voortdurende geluidshinder veroorzaakt dat, mede in aanmerking genomen artikel 17 van het Modelreglement, sprake is van onrechtmatige hinder. Daarom zal [gedaagde] worden bevolen voorlopig een voorziening te treffen, conform de aanbeveling in voornoemd rapport waarbij de vloer vrij van de muren zal worden gemaakt en een verende strook tussen laminaat en muur zal worden aangebracht, en op termijn de laminaatvloer te verwijderen.

De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat met verwijdering dan niet kan worden volstaan omdat wonen op de kale planken zonder vloerbedekking in dezelfde mate onredelijke hinder en strijd met artikel 17 van het Modelreglement oplevert. Er zal dan een vloerbedekking van een andere samenstelling moeten komen die de hinder die deels inherent is aan de scheidingsvloer, zoveel mogelijk vermindert.

4.5. Een belangenafweging brengt mee dat verwijdering van de laminaatvloer terstond te ver gaat. Immers, tegenover het belang van [eisers] bij ongestoord woongenot, staat het belang van [gedaagde] bij het aanwezig zijn van vloerbedekking ten tijde van bezichtiging en verkoop van haar appartement. Voorts heeft [gedaagde] er redelijk belang bij om, in het zicht van de verkoop van haar appartement het laminaat niet te vervangen door andere vloerbedekking die de koper wellicht niet wenst zodat zij dan voor niets extra kosten maakt. Het belang van [eisers] bij een onverwijlde verwijdering van de vloer en het aanbrengen van andere vloerbedekking dient daarvoor gedurende enige tijd te wijken, in aanmerking genomen dat de situatie al geruime tijd bestaat en hij eerder dan nu in het zicht van verkoop en verhuizing geen actie heeft ondernomen. Het belang van [eisers] brengt wel met zich dat hij de verkoop en levering van het appartement niet onbeperkt hoeft af te wachten. Daarom zal de uiterlijke termijn waarop de vloer verwijderd dient te zijn worden bepaald op zes maanden. Aanleiding bestaat de gevorderde dwangsommen te matigen en het totaal ervan te maximeren.

4.6. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 89,61

- vast recht 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.159,61

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt [gedaagde] binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis de laminaatvloer conform de aanbevelingen in het rapport van Lengkeek, Laarman & Hosson d.d. 9 mei 2008 vrij te (doen) maken van de muren en een verende strook tussen laminaat en muur aan te brengen,

5.2. beveelt [gedaagde] voorts de laminaatvloer in haar appartement uiterlijk zes maanden na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, met dien verstande dat, indien de eigendomsoverdracht van het appartement op enig eerder moment plaatsvindt, [gedaagde] de vloer uiterlijk vóór de overdracht dient te verwijderen,

5.3. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan [eisers] een dwangsom verbeurt van EUR 250,-, tot een maximum van

EUR 30.000,-,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op EUR 1.159,61,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 29 mei 2008.