Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD5894

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/5575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buiten behandelingstelling aanvraag kinderopvangtoeslag. Artikel 4:5 van de Awb biedt geen grondslag hiervoor. Evenmin is er een andere wettelijke bepaling die hiervoor een grondslag biedt. De aanvraag had op grond van artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) moeten worden afgewezen. Buitenwettelijk beleid baadt eiser evenmin. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/5575

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 november 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2007 heeft verweerder een aanvraag van eiser om een kinderopvangtoeslag buiten behandeling gesteld.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 mei 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Vlijm.

3. Overwegingen

Eiser heeft op 13 augustus 2007 bij verweerder een aanvraag om kinderopvangtoeslag voor het jaar 2006 ingediend.

Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat deze te laat is ingediend. Dit besluit is in het bestreden besluit gehandhaafd.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Hij heeft zich met name op het standpunt gesteld dat hij onvoldoende door verweerder over de fatale termijn van 1 april is geïnformeerd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) kan een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar tot 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Belastingdienst/ Toeslagen. Indien de belanghebbende is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt deze termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn.

Vast staat dat de aanvraag van eiser niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, nu de inspecteur eiser geen nadere termijn heeft gesteld zodat de aanvraag voor 1 april 2007 had moeten worden ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat, hetgeen door de gemachtigde van verweerder ter zitting is bevestigd, de Awir noch enige andere specifiek wettelijke bepaling regels ter zake kent. In zoverre is op de afdoening van de aanvraag van eiser de Awb van toepassing en ligt aan de buiten behandeling stelling artikel 4:5, eerste lid, van de Awb ten grondslag.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet het wettelijk stelsel van de Awb zich ertegen dat een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld in andere gevallen als in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, bedoeld. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld een uitspraak van 28 mei 2003, LJN AF9240.

Vast staat dat van een omstandigheid als vermeld in artikel 4:5 van de Awb geen sprake is zodat deze bepaling verweerder geen grond biedt voor het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiser. Omdat verder vast staat dat een andere wettelijke bepaling een dergelijke grond evenmin biedt, heeft verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. Nu de buiten behandeling stelling bij het bestreden besluit is gehandhaafd, dient dit besluit reeds daarom te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, waartoe als volgt wordt overwogen.

Vastgesteld is dat de wettelijke aanvraagtermijn is overschreden. Reeds daarom had verweerder op de voet van artikel 15, eerste lid, van de Awir de aanvraag moeten afwijzen.

Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat de Staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van Kamervragen zich destijds uit overwegingen van coulance bereid heeft verklaard om eenmalig aanvragen voor een zorg-, huur-, of kinderopvangtoeslag over 2006 die na 1 april, maar vóór 1 juni 2007 zijn ingediend, in behandeling te nemen, alsof zij tijdig waren ingediend (Handelingen van de Tweede Kamer, 2006-2007, Aanhangsel, no. 1801).

Aan dit buitenwettelijk beleid ligt ten grondslag de erkenning door de Staatssecretaris dat de uitvoering van de toeslagen tot dan toe niet vlekkeloos was verlopen. Daarom kon de Staatssecretaris zich voorstellen dat een nieuw stelsel met nieuwe rechten en plichten en een nieuwe uitvoeringsorganisatie ertoe heeft kunnen leiden dat sommige mensen te laat beseften dat zij recht hadden op een toeslag, waarbij is aangetekend dat de huur- en zorgtoeslag voor het eerst in 2006 zijn toegekend.

Aan dit buitenwettelijk beleid, waar ampel ruchtbaarheid aan is gegeven, kan eiser evenwel evenmin aanspraken ontlenen, nu zijn aanvraag eerst op 13 augustus 2007 is ingediend.

Kortom, gelet op het voorgaande is verweerder gehouden de aanvraag van eiser af te wijzen. De wet maakt een andere beslissing niet mogelijk zodat de stelling van eiser dat hij onvoldoende door verweerder over de fatale termijn is geïnformeerd, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel leidt.

De rechtbank verklaart derhalve, zelf in de zaak voorziende, het bezwaar van eiser gegrond, herroept de buiten behandeling stelling van 29 september 2007 en wijst de aanvraag van eiser van 13 augustus 2007 voor een kinderopvangtoeslag alsnog af.

Er is niet gebleken van door eiser in bezwaar of beroep gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit;

III. verklaart het bezwaar van eiser gegrond, herroept het besluit van 29 september 2007 en wijst de aanvraag van eiser van 13 augustus 2007 voor een kinderopvangtoeslag alsnog af;

IV. bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 25 juni 2008