Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD5847

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
392907 CV Expl. 05-2842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7:658BW. Beroepsziekte. OPS. Benoeming deskundige na bewijslevering. Taak deskundige.

Vervolg op LJN AY3818.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 392907 \ CV EXPL 05-2842 \ 199 jt

uitspraak van 20 juni 2008

Vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te Nijmegen

eisende partij

gemachtigde mr. L.E.M. Charlier

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde partij ]

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij

gemachtigde mr. K.J. van den Herik

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 30 juni 2006

- akte houdende uitlating getuigenbewijs van [eisende partij] met een productie

- akte na tussenvonnis van [gedaagde partij]

- proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 november 2006, 12 februari 2007 en 14 mei

- 2007

- conclusie na enquête, tevens houdende uitlating deskundigenbericht, tevens akte van depot

ter griffie van [eisende partij] met producties

- akte van depot van [eisende partij]

- conclusie van antwoord na enquête van [gedaagde partij] met producties.

De verdere beoordeling

1. De kantonrechter volhardt in het tussenvonnis.

2. In dat tussenvonnis is [eisende partij] toegelaten te bewijzen:

a.) welke werkzaamheden hij voor [gedaagde partij] heeft verricht in de periode dat hij voor haar werkzaam was,

b.) welke producten hij heeft gebruikt tijdens zijn werkzaamheden voor [gedaagde partij],

c.) in welke mate en onder welke omstandigheden hij de onder b.) bedoelde producten heeft gebruikt.

[gedaagde partij] is toegelaten te bewijzen:

d.) welke beschermingsmiddelen zij wanneer aan [eisende partij] beschikbaar heeft gesteld,

e.) dat er voldoende ventilatie was dan wel voldoende beschermingsmiddelen voorhanden

waren voor en werden gebruikt door [eisende partij] indien sprake was van blootstelling aan oplosmiddelen tijdens de werkzaamheden van [eisende partij] voor [gedaagde partij], althans [eisende partij] door [gedaagde partij] voldoende erop is gewezen de ter beschikking gestelde middelen daadwerkelijk te gebruiken en door haar terzake voldoende toezicht is uitgeoefend.

[eisende partij] heeft zichzelf, [naam getuige 1] en [naam getuige 2] ter zake van beide bewijsopdrachten als getuigen doen horen.

[gedaagde partij] heeft [naam getuige 3], [naam getuige 4], [naam getuige 5], [naam getuige 6] en [naam getuige 7] ter zake van beide bewijsopdrachten als getuigen doen horen.

De processen-verbaal van de getuigenverklaringen zijn aan dit vonnis gehecht en worden geacht hiervan deel uit te maken. Op grond van deze verklaringen en overige bewijsmiddelen in het dossier, oordeelt de kantonrechter als volgt.

3. Vooropgesteld wordt dat de verklaring van [eisende partij] als partijgetuige ter zake van de bewijsopdrachten onder a, b en c geen bewijs in zijn voordeel oplevert, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij zijn getuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592).

Hetzelfde geldt voor de verklaring van [naam getuige 3] als partijgetuige ter zake van de bewijsopdrachten onder d en e .

Bewijsopdracht aan [eisende partij] onder a, b en c

4. Het volgende wordt als bewezen en dus in rechte vaststaand aangenomen.

- [eisende partij] werkte in de zomermaanden hoofdzakelijk buiten. In de overige wintermaanden werkte hij binnen.

- [eisende partij] verrichte werkzaamheden bij particulieren en bedrijven, in het bijzonder de bedrijven van [namen bedrijven]

- [gedaagde partij] heeft vanaf circa 1992 de gebruikte synthetische verven vervangen door watergedragen verven.

- [eisende partij] besteedde een deel van zijn werktijd binnen aan het schilderen van deuren bij bedrijven en particulieren gedurende zijn volledige dienstverband. Hij werd ook wel de “deurenspecialist” genoemd. Hij besteedde aan dit werk ongeveer twee maanden per jaar. Hij gebruikte ammoniak om de deuren te reinigen, polyester om de deuren te plamuren, primer van het merk Rappit om de geplamuurde plekken te bestrijken en vervolgens twee keer de deuren schilderen met matte lak (veelal “STU” of “S2U”) of hoogglans van verschillende leveranciers.

- Gedurende zijn dienstverband heeft [eisende partij] eenmaal gedurende langere tijd met anderen gewerkt aan de grote productiehal, ook wel lashal genoemd, van [naam bedrijf ]. Deze hal is toen geheel opgeknapt. Het betrof het schoonmaken en schilderen van de wanden, plafonds, stalen constructies en het houtwerk. Dit werk is gedaan in de periodes 22 november tot en met 24 december 1993 en 10 januari tot en met 18 maart 1994. Daarbij is gebruik gemaakt van Sigma coatings (“Sigmarenomat” voor steenachtige ondergrond en “Amarol Triol” voor staalwerkconstructie).

- Ook heeft [eisende partij] meegewerkt aan een eenmalige klus bestaande uit het coaten van vloeroppervlakten van in totaal circa 1.150 m2 in de wikkelerij van [naam bedrijf ]. Hierbij is gebruik gemaakt van Sikkens Wapex 660 EWA (een waterverdunbare 2-componenten coating op basis van epoxyhars). Circa 550 m2 is tweemaal hiermee behandeld. Dit werk is verricht eind 1992 of in de loop van 1993.

- Voorts heeft [eisende partij] eind 1994 meegewerkt aan het schilderen van het plafond, de wanden, het staalwerk en de houten onderdelen van de snijloods van [naam bedrijf ]. Ook dit is een eenmalige klus geweest. Hierbij is gebruikt gemaakt van Sigma coatings (“Sigma synthetische muurverf” voor het plafond en de wanden, “Sigma Amarol Triol” voor het staalwerk en “Sigma S2U primer” en “Sigma S2U satin” voor de houten onderdelen, waarbij met kit houtverbindingen en glaskanten zijn afgekit). Dit werk is door drie schilders, waaronder [eisende partij], gedaan in circa twee weken.

- Het schoonmaken van het in de drie voorgaande punten genoemde constructiewerk is gedaan met water en ammoniak, terwijl voor vette delen een doek met chloreteen werd gebruikt.

- Niet is vast komen te staan dat [eisende partij] zich heeft beziggehouden met het schoonmaken en/of schilderen van machines bij de [naam bedrijf]. Alleen uit de getuigenverklaringen van [eisende partij] en [naam getuige 6] zou kunnen worden afgeleid dat [eisende partij] dat werk heeft verricht. Gelet op de andere getuigenverklaringen en de overige bewijsmiddelen betreffende het werk bij de [naam bedrijf] wordt aangenomen dat deze getuigen, in ieder geval de getuige [naam getuige 6], met hun verklaringen op dit punt doelen op het onderhoud van het constructiewerk, zoals in de vier voorgaande punten genoemd.

- In de periode 1977-1980 heeft [eisende partij] eenmaal een grote vloeistofketel van binnen bewerkt bij een van de [naam bedrijf]. Hij heeft dat samen met een collega gedaan. Hij had een gelaatsmasker met luchtleiding. De binnenzijde is schoongemaakt met tinner en daarna gecoat met een synthetisch tweecomponenten product. [eisende partij] bleef 15 tot 30 minuten in de ketel, waarna hij werd afgewisseld. Hij is samen met zijn collega circa drie dagen gedurende circa vijf uur met de ketel beziggeweest.

- Vloeren van fabrieken - niet alleen van de [naam bedrijf] - schoonmaken en coaten werd door [gedaagde partij] incidenteel gedaan, gemiddeld eenmaal per jaar. De vloeren werden schoongemaakt met water en zeep, waarbij olie- en vetvlekken met thinner werden weggewerkt. [eisende partij] heeft dit werk vanaf 1994 gedaan. Hij droeg dan handschoenen, laarzen en zijn “gewone” schilderspak. Op de vloeren smeerde [eisende partij] onder andere “Coateriet” of “Colteriet”. Bij [naam bedrijf] werd een grijze alkydverf op de vloer gedaan.

- [eisende partij] heeft gedurende zijn dienstverband wanden van de [naam bedrijf] schoongemaakt en gesaust. Het schoonmaken gebeurde met ammoniak. Op de wanden werd synthetische verf gezet en vanaf ongeveer 1992 latex.

- [eisende partij] heeft gedurende zijn hele loopbaan bij [gedaagde partij] alkydverven gebruikt. Hij gebruikte deze verven onder andere voor het verven van deuren en kozijnen. Alkydverven moeten worden verdund met terpentine.

- [eisende partij] heeft trappen bij fabrieken en particulieren geschilderd. Hij beitste de trappen af met een kwast met afbeitsmiddel en zette er vervolgens de schuurmachine op. Daarna schilderde hij de trappen. Daarbij heeft hij sporadisch Glitsa gebruikt.

- Het werk van [gedaagde partij] bij [naam bedrijf] bestond uit onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen en machines. [gedaagde partij] deed het binnen- en buitenwerk. Het onderhoudswerk aan machines bestond uit het schoonmaken, schuren en bijtippen van slechte plekken op kappen om machines. Dit gebeurde incidenteel, dat wil zeggen één keer per twee of drie jaar. Het schoonmaken van een kap aan de buitenzijde gebeurde met een hogedrukspuit met water en stoom. Sporadisch werd een oplosmiddel (ammoniak, tinner of chloreteen) gebruikt om te ontvetten. Het is ook voorgekomen dat [gedaagde partij] een hele nieuwe ketel, die helemaal is voorbehandeld, aan de buitenzijde heeft gecoat. Het onderhoudswerk van kantoren betreft het sauzen en schilderen van wanden, deuren en radiatoren. [gedaagde partij] deed ook kleinschalig onderhoud aan vloeren. Zij maakte de vloer schoon, schuurde de vloer met een schrobmachine met Scotch Bright schuurpatten en coatte de vloer. Dit vergde ongeveer één dag. [eisende partij] heeft van 1976 tot aan 1979 bij [naam bedrijf] gewerkt. Daarna viel hij af en toe in bij [naam bedrijf]. Hij heeft bij [naam bedrijf] alle voorkomende werkzaamheden gedaan.

- [eisende partij] gebruikte aanvankelijk alkydverven voor het gewone schilderwerk bij [naam bedrijf]. Later gebruikte hij dispersieverven. [eisende partij] gebruikte Autoflex van Sikkens voor de kappen om de ketels. De ketels waaraan [eisende partij] werkte waren dan niet in gebruik en dus niet warm. De andere ketels bleven wel in productie, waardoor de omgevingstemperatuur van deze ketels boven de 30 graden Celsius was.

- [eisende partij] maakte tot 1991 zijn handen schoon met terpetine. Daarna gebruikte hij een soort zeep hiervoor.

Bewijsopdrachten aan [gedaagde partij] onder D en E

5. Het volgende wordt als bewezen en dus in rechte vaststaand aangenomen.

- Rond 1991 zijn aan [eisende partij] handschoenen van katoen met aan de binnenzijde bolletjes van rubber en stofmaskers ter beschikking gesteld. Bij het doen van een vloer was vanaf 1993 een masker van 3M, dat is een masker met een schroefdopje maar geen koolstofmasker, beschikbaar.

- Tijdens het werk bij particulieren en in kantoorruimtes werden ramen opengezet, tenzij het koud was. In dat geval werd tijdens de lunchpauze een raam opengezet.

- In 1996 heeft [eisende partij] een eigen koffer met beschermingsmiddelen gekregen. Deze koffer bevatte een spuitmasker, een veiligheidsbril en enkele reserveonderdelen. (Deze koffer is ter griffie gedeponeerd, kantonrechter)

- [naam gedaagde partij] sr., die tot 1993 de leiding van [gedaagde partij] had, hield geen toezicht op het gebruik van beschermingsmiddelen.

- [naam getuige 3], die de leiding in 1993 overnam, hield toezicht op het gebruik van beschermingsmiddelen. Als hij op het werk kwam en zag dat een schilder werkzaam was met vluchtige stoffen zonder kapje, dan wees hij op het gebruik van het kapje.

- Bij [naam bedrijf] werd door een medewerker van [naam bedrijf] toezicht gehouden op de veiligheid. Hij attendeerde erop dat bij het werken aan de vloeren goede schoenen en handschoenen moesten worden aangedaan. [naam bedrijf] stelde ook gehoorbescherming, een stofkap en een bril ter beschikking.

6. Thans wordt toegekomen aan benoeming van deskundigen. De door beide partijen voorgedragen (blootstellings)deskundige ir. J. Marquart (TNO Kwaliteit van Leven) heeft zijn benoeming als deskundige niet aangenomen, nu zijn werkgever van mening is dat een dergelijke benoeming niet past in de bedrijfsvoering. De kantonrechter heeft daarna de deskundige dr. ir. M.E.G.L. Lumens (Universiteit van Utrecht, Institute for Risk Assessment Sciences) benaderd, die de benoeming heeft aanvaard. De kantonrechter vertrouwt partijen akkoord met deze benoeming, tenzij (een van) partijen op de rol van 11 juli 2008 bij akte (haar) hun bezwaren tegen de benoeming van deze deskundige kenbaar maakt. Indien dit zich voordoet, dan zal, nadat de wederpartij in de gelegenheid is gesteld een antwoordakte te nemen, bij volgend tussenvonnis op deze bezwaren worden beslist.

Aan de deskundige worden de in het dictum opgesomde vragen gesteld. Hierbij is uitgangspunt de vragen waaromtrent tussen partijen overeenstemming is bereikt. Overigens zijn sommige van deze vragen anders geformuleerd of weggelaten op grond van de volgende reden, mede in aanmerking genomen het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2008, RvdW 2008, 256. De taak van de deskundige bestaat hierin dat hij op het terrein dat wordt ontsloten door de hem door de rechter gestelde vragen, een onderzoek verricht en op basis daarvan een oordeel geeft. De deskundige doet een en ander ingevolge art. 198 lid 1 Rv naar beste weten, hetgeen betekent dat hij op grond van zijn bijzondere kennis van en ervaring met het betrokken onderzoeksgebied bij uitstek gekwalificeerd is voor het verrichten van dat onderzoek en het geven van dat oordeel. De rechter is dan ook bevoegd een of meer vragen aan de deskundige niet toe te laten of anders te formuleren, indien deze ertoe zouden leiden dat de deskundige onderzoek zou dienen te verrichten en een oordeel zou moeten geven waartoe hij niet bij uitstek gekwalificeerd is in voornoemde zin.

Het voorgaande brengt tevens met zich dat het de deskundige niet vrijstaat, anders dan [gedaagde partij] in haar conclusie van antwoord na enquête stelt, “om beide partijen, alsmede de getuigen te horen omtrent de relevante feiten en omstandigheden, indien de afgelegde getuigenverklaringen naar uw deskundig oordeel niet volledig zijn en/of geen goed beeld geven voor de beantwoording van de vragen.” De feitengaring op grond van de stellingen van partijen is, gelet op de artt. 24, 149 en 150 Rv, een rechterlijke taak, waarbij de rechter onder meer er voor zorgt dat beide partijen en hun raadslieden aan de getuigen vragen kunnen stellen.

Verder worden aan deze deskundige alleen vragen gesteld betreffende de eventuele overschrijding van de MAC (Maximaal Aanvaardbare Concentratie)-waarden en niet ook, zoals [eisende partij] wenst, de gezondheidskundige norm. De reden hiervan is dat de registratierichtlijn OPS uitgaat van de MAC-waarden. Deze richtlijn is opgesteld door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (hierna: NCvB). [eisende partij] heeft onbestreden gesteld dat het NCvB een onderdeel is van het Coronel-instituut, dat een afdeling is van het AMC en onderzoek uitvoert en onderwijs geeft op het gebied van Arbeid en gezondheid, alsmede dat bij het NCvB de landelijke registratie plaatsvindt van beroepsziekten en de kennis over beroepsziekten, waaronder OPS, voor Nederland wordt “georganiseerd”.

7. [eisende partij] zal het hierna bepaalde voorschot dienen te voldoen.

8. Uit (proces-)economische overwegingen zal eerst de uitslag van dit deskundigenonderzoek worden afgewacht alvorens (een) andere deskundige(n) te benoemen. Nadat dit deskundigenbericht is uitgebracht, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld, indien gewenst, een conclusie na deskundigenbericht te nemen.

9. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter

bepaalt dat (een van) partijen op de rol van 11 juli 2008 bij akte bezwaar (kan) kunnen maken tegen de benoeming van na te noemen deskundige;

Indien deze akte niet wordt genomen:

benoemt tot deskundige:

dr. ir. M.E.G.L. Lumens (Universiteit van Utrecht, IRAS)

Jenalaan 18D

3584 CK Utrecht

legt de deskundige de volgende vragen voor:

1.) Wat was de feitelijke arbeidsbelasting in de zin van blootstelling aan toxische stoffen van [eisende partij] in de periode dat hij bij [gedaagde partij] werkzaam was? Wilt u deze specificeren met aandacht voor de soorten stoffen waaraan [eisende partij] werd blootgesteld, de wijzen waarop [eisende partij] hieraan werd blootgesteld, en de intensiteit van de blootstelling bij de verschillende wijzen van blootstelling?

2.) Wat zijn de geldende MAC-waarden?

3.) Wilt u de blootstellingsgegevens bezien in relatie tot de geldende MAC-waarden en aangegeven of en zo ja, waar deze normen overschreden werden?

4.) welke andere feiten en omstandigheden die bij het onderzoek zijn gebleken, zijn

verder van belang voor een goed begrip van de zaak?;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis en het procesdossier aan de deskundige toezendt;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op € 4.100,- en bepaalt dat [eisende partij] dit bedrag uiterlijk op 21 juli 2008 moet betalen door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752 tnv MvJ Arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;

bepaalt dat de griffier op de rolzitting van 25 juli 2008 controleert of het voorschot is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige pas moet beginnen met het onderzoek nadat de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald;

verzoekt de deskundige daarna zo spoedig mogelijk het onderzoek te verrichten en om uiterlijk op 31 oktober 2008 een gemotiveerd en ondertekend schriftelijk rapport in te dienen bij de rechtbank Arnhem, sector kanton locatie Nijmegen met daarbij een gespecificeerde rekening;

wijst de deskundige erop dat beide partijen bij het onderzoek in de gelegenheid moeten worden gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het rapport, waarin de inhoud van die opmerkingen en verzoeken moet worden vermeld, moet blijken dat en hoe dat is gebeurd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2008.

.