Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD5819

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
05/516413-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolging van Somalische asielzoeker die met vervalst paspoort Nederland binnenkomt wordt gezien als een ontoelaatbare doorkruising van de bescherming die art 31 Vlluchtelingenverdrag beoogt te bieden. OM daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

POLITIERECHTER

Parketnummer : 05/516413-07

Datum zitting : 09 juni 2008

Datum uitspraak : 23 juni 2008

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Somalia),

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw: mr. K.J. Verrips, advocaat te Wageningen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 08 augustus 2007 te Arnhem in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal Deens paspoort, nummer 111763142, ten name van [betrokkene 1], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden

dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat één hoek van de kaft van het paspoort niet egaal rondliep en/of de Machine Readable Zone niet voldeed aan de eisen die hieraan zijn gesteld en/of het document qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met een origineel door de autoriteiten van Denemarken afgegeven document van dit model;

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 9 juni 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. K.J. Verrips, advocaat te Wageningen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden geheel voorwaardelijk.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in verband met de vervolgingsuitsluitingsgrond die is vervat in artikel 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag. Deze bepaling behelst een verbod voor de lidstaten om strafsancties op te leggen op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf aan vluchtelingen in de zin van dat verdrag, wanneer die vluchtelingen rechtstreeks komen van een grondgebied waar hun leven of vrijheid werd bedreigd, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden.

Voorop gesteld moet worden dat in deze strafprocedure niet kan worden bepaald of verdachte kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling; zulks is ter beoordeling van de staatssecretaris van justitie onder controle van de vreemdelingenrechter. Verdachtes aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is vooralsnog afgewezen omdat verdachte kennelijk in Griekenland voor het eerst Europees grondgebied heeft betreden zodat Griekenland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van verdachtes asielaanvraag (artikel 30, lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000). Daartegen is beroep ingesteld bij de vreemdelingenrechter. Bij uitspraak van 3 juni 2008 heeft de Voorzieningenrechter bepaald dat verdachte het land niet mag worden uitgezet in afwachting van de beslissing op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag, omdat er, kort gezegd, aanwijzingen zijn dat Griekenland zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en de relevante Europeesrechtelijke regelingen niet behoorlijk nakomt.

Artikel 31 Vluchtelingenverdrag staat in de weg aan een strafvervolging ter zake van onrechtmatig verblijf of onrechtmatige binnenkomst van verdragsvluchtelingen in Nederland. De vraag ligt voor of deze bepaling zich ook verzet tegen vervolging ter zake van het thans tenlastegelegde delict, kort gezegd, het voorhanden hebben van een vervalst paspoort, zoals de raadsvrouw heeft verdedigd en het openbaar ministerie heeft bestreden. In eerdere rechtspraak is geoordeeld dat zulks niet het geval is: deze bepaling zou niet zien op de situatie waarbij de vluchteling in het bezit is van een vervalst paspoort (HR 2 juni 1987, NJ 1988, 181 (impliciet); Hof 's-Hertogenbosch 23 januari 2007, LJN AZ7334; Hof Amsterdam 4 juni 2003, LJN AM0509. Anders: Politierechter Haarlem 5 oktober 2006, LJN AZ2924).

De politierechter sluit zich echter niet bij deze rechtspraak aan, en wel om volgende redenen.

Verdachte is afkomstig uit (Zuid-)Somalië. Van algemene bekendheid is dat Somalië een onveilig land is zonder effectief centraal gezag. Niet voor niets geldt dat vluchtelingen uit - delen van - Somalië als categoriaal beschermingswaardig worden aangemerkt, zo volgt uit de Vreemdelingencirculaire. Teneinde het vluchten uit een land als Somalië naar veilige landen daadwerkelijk mogelijk te maken, is het gebruik maken van vervalste reisdocumenten haast onontkoombaar omdat er alsdan noodzakelijkerwijs ettelijke landsgrenzen moeten worden gepasseerd. Zelfs in de Vreemdelingencirculaire wordt opgemerkt dat een vreemdeling, om aan een objectieve vluchtsituatie te ontkomen, zich mag bedienen van vervalste of verkeerde bescheiden, mits hij dit onmiddellijk aangeeft bij de bevoegde (in casu: Nederlandse) autoriteiten. Uit het proces-verbaal van de Marechaussee en de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte, toen hij werd geconfronteerd met het vermoeden dat hij gebruik maakte van een vervalst paspoort, dat onmiddellijk heeft toegegeven. Ook heeft hij meteen medewerking verleend aan het vaststellen van zijn identiteit. Of gezegd kan worden dat verdachte "rechtstreeks" afkomstig is uit Somalië in de zin van artikel 31 Vluchtelingenverdrag, kan in deze strafprocedure niet worden beoordeeld. De politierechter zal deze vraag in het midden laten en ten voordele van verdachte er vanuit gaan dat de aanvraag hierop niet zal afstuiten.

Daarbij komt dat in artikel 4.2 van de Vreemdelingencirculaire is bepaald dat door Somalische autoriteiten uitgegeven reisdocumenten door Nederland niet worden erkend, omdat er geen algemeen erkend centraal gezag bestaat in Somalië. Dat betekent dat asielzoekers uit Somalië, die zich genoopt zien hun land te ontvluchten vanwege de onveilige situatie aldaar, in feite niet anders kunnen dan gebruik maken van vervalste reisdocumenten.

Het gebruik van het vervalste paspoort in de onderhavige zaak ligt daarmee direct in het verlengde van hetgeen het Vluchtelingenverdrag beoogt te bewerkstelligen, namelijk het mogelijk maken van een vlucht uit een land waar leven of veiligheid worden bedreigd.

Daaruit volgt dat er voor de toepassing van artikel 31 Vluchtelingenverdrag geen wezenlijk verschil is tussen een strafvervolging ter zake van het onrechtmatig binnenkomen of verblijven in Nederland enerzijds en het gebruik maken van een vervalst paspoort anderzijds.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in het huidige vreemdelingenrecht een strafrechtelijke veroordeling van een asielzoeker ernstige, nadelige consequenties kan hebben voor de behandeling van een - mogelijkerwijs voor het overige - gegrond asielverzoek. Blijkens onderdeel C1/5.13.2 van de Vreemdelingencirculaire is bij de beslissing omtrent de verlening van een verblijfsvergunning asiel het beleid, zoals omschreven in onderdeel B1/2.2.4, van overeenkomstige toepassing, voor zover dit geen strijd oplevert met verdragsverplichtingen. Ingevolge onderdeel B1/2.2.4.1 wordt de aanvraag afgewezen indien de vreemdeling ter zake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, of sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete.

Dat betekent dat een strafvervolging ter zake van het voorhanden hebben van een vervalst paspoort waarvoor in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet ongebruikelijk is, een ontoelaatbare doorkruising oplevert van een effectieve werking en bescherming van het Vluchtelingenverdrag.

Om bovenstaande redenen moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in haar strafvervolging ter zake van artikel 231 Wetboek van Strafrecht.

De overige verweren behoeven geen bespreking.

8. De beslissing

De politierechter, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2008.