Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD4927

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/1619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk heeft een algemeen beleid geformuleerd om de overlast van hondenpoep voor de burgers van de gemeente te verminderen. Op grond van artikel 2.4.18 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), zijn er concrete gebieden aangewezen waar honden mogen worden uitgelaten. Het aanwijzen van deze concrete gebieden is een besluit van algemene strekking. Tegen een dergelijk besluit staat bezwaar en beroep open. Bij dit besluit heeft het college van B&W een ruimtelijke beoordelingsmarge; de rechter dient terughoudend te toetsen. Dit wil zeggen dat hij beoordeelt of de door het college gekozen oplossing redelijk is. Belangrijk hierbij is dat de belangen van betrokkenen goed tegen elkaar zijn afgewogen.

Blijkens informatie van de website van het RIVM, die verzoeker heeft aangehaald, is niet aannemelijk geworden dat de hondenuitlaatroute nabij de woning van verzoeker een zo groot risico vormt voor de volksgezondheid in het algemeen en voor verzoeker in het bijzonder, dat er advies dient te worden gevraagd aan de gemeentelijke gezondheidsdienst op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV). Er kan niet worden gezegd dat er niet is voldaan aan de eis van een zorgvuldige bevoegdheidsuitoefening.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 08/1885 (hoofdzaak) en AWB 08/1619 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 7 mei 2008 in het geding tussen

[X], verzoeker,

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, het college.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van het college van 20 maart 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college invulling gegeven aan artikel 2.4.18, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Nijkerk 2003 (APV), door hondenuitlaatbeleid vast te stellen voor de gemeente Nijkerk.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit heeft het college van B&W van de gemeente Nijkerk (verder: het college) het daartegen gemaakte bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [X] bij brief van 14 april 2008, ingekomen 16 april 2008, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 27 maart 2008, ingekomen 28 maart 2008, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 6 mei 2008. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen. Het college heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door J. Heiner, R. Jongeneel en W.D. Timmer, allen werkzaam bij de gemeente Nijkerk.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ten aanzien van de hoofdzaak

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de voorzieningenrechter het volgende ontleend.

Hondenpoep is één van de grootste irritaties van de bevolking van de gemeente Nijkerk. Het college heeft met deze gedachte een algemeen beleid geformuleerd om de overlast voor de burgers te verminderen. Dit beleid is neergelegd in de Nota hondenbeleid Nijkerk, van januari 2006.

Het beleid komt er -kort samengevat- op neer dat het college, met toepassing van artikel 2.4.18, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening (APV) heeft besloten verschillende concentratiegebieden aan te wijzen waar honden mogen worden uitgelaten.

Deze concentratiegebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën. De eerste categorie betreft hondenuitlaatroutes. Hier dienen honden aangelijnd te blijven en deze routes worden één maal per 14 dagen gereinigd. De tweede categorie betreft hondenuitlaatlocaties. Dit zijn plaatsen waar de hondenbezitter even snel naar toe kan gaan en waar de honden aangelijnd moeten blijven. Ook hier wordt één maal in de 14 dagen gereinigd. De laatste categorie betreft de hondenlosloopgebieden. Deze gebieden dienen niet om de hond de behoefte te laten doen. Deze plaatsen worden dan ook niet gereinigd.

Op 24 januari 2007 is er een inspraakavond voor de bewoners gehouden. Hierop zijn reacties binnengekomen en aan de hand van deze reacties en onderzoek van de gemeente Nijkerk is een ontwerpbesluit vastgesteld op 24 april 2007. Tegen dit ontwerpbesluit is door verzoeker een zienswijze ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen hebben er aanpassingen van het ontwerpbesluit plaatsgevonden, onder meer ten aanzien van de route voor de woning van verzoeker. Deze route is gehalveerd en is daardoor niet meer direct voor de woning van verzoeker gesitueerd.

Door hondenuitlaatbeleid vast te stellen is het college van mening dat de overlast en de mogelijke gezondheidsrisico’s worden beperkt. Zonder deze regulerende maatregelen zou de overlast vele malen groter zijn. Het vastgestelde hondenuitlaatbeleid is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.

Verzoeker kan zich niet verenigen met het vastgestelde hondenuitlaatbeleid en heeft zich gemotiveerd hiertegen verzet. Hij stelt dat het een taak van het college is om bij te dragen aan een gezonde leefomgeving voor alle inwoners. Het toewijzen van buitenproportionele uitlaatstroken is strijdig met die zorgplicht en onnodig.

Verzoeker heeft een gezin bestaande uit vijf personen waarvan enkele met astma te kampen hebben. Hij stelt dat de in de onmiddellijke omgeving van zijn woning gesitueerde uitlaatroute voor zijn gezin een vergroot risico meebrengt op ziektes. Verzoeker beroept zich hierbij op informatie van onder meer het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit 2006, getiteld: “ziek door dier”. Gelet hierop stelt verzoeker zich op het standpunt dat verweerder, alvorens het bestreden besluit te nemen, ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid, advies had moeten vragen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst .

De voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats voor de vraag geplaatst of verzoeker als belanghebbende ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt bij het in het kader van het hondenuitlaatbeleid genomen besluit dat voorziet in aanwijzing van een hondenuitlaatroute bij zijn woning.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker belanghebbende is bij het eerder genoemde aanwijzingsbesluit. Doorslaggevend hiervoor is de geringe afstand van zijn woning tot de hondenuitlaatroute.

Met betrekking tot de beoordeling van het beroep wordt voorts overwogen dat voorop moet worden gesteld, dat het college bij het nemen van een besluit als het onderhavige een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan het bestuursorgaan om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

De voorzieningenrechter zal zich bij de beoordeling van zo’n besluit terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt dat het beleid van verweerder, dat is vastgesteld na inspraak door de inwoners van de gemeente, erop is gericht de overlast door hondenpoep zo veel mogelijk te beperken. Teneinde dit verwezenlijken heeft verweerder, onder meer nabij de woning van verzoeker, locaties aangewezen waar men honden mag uitlaten. Daarbij zal er zorg voor worden gedragen dat deze locaties periodiek worden gereinigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat hiermee niet is voldaan aan de eis van een zorgvuldige bevoegdheidsuitoefening. Dit geldt te meer nu de uitlaatroute bij de woning van verzoeker, in omvang is gehalveerd nadat verzoeker zijn zienswijze tegen het ontwerpbesluit kenbaar had gemaakt.

Ten aanzien van het beroep omtrent de WCPV, wordt overwogen, dat blijkens de memorie van toelichting deze specifieke wet in het leven is geroepen, omdat het wenselijk werd gevonden regels te stellen betreffende (onder andere) de bemoeienis van gemeentebesturen met collectieve preventie op het gebied van de volksgezondheid. Daaronder moet onder andere worden verstaan, bewaking en bevordering van de volksgezondheid voor zover deze samenhangt met risico’s met een collectief karakter. Kenmerkend is volgens de memorie van toelichting de gerichtheid op collectief geldende vraagstukken, waarbij determinanten van gezondheid (gelegen in de mens en zijn omgeving, in sociaal zowel als fysiek opzicht) uitgangspunten zijn. Als één van de taken van het gemeentebestuur in het kader van deze wet wordt genoemd het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen met gevolgen voor het leefmilieu.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de WCPV vraagt het college , alvorens besluiten te nemen die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de collectieve preventie advies aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.

De voorzieningenrechter kan verzoeker hierin niet volgen. Uit de door verzoeker in geding gebrachte informatie van het RIVM wordt slechts een overzicht gegeven van alle bekende zoönosen (ziektes van dieren die besmettelijk zijn voor de mens). Blijkens de toelichting bij de hier bedoelde documenten is geen enkele rangschikking gegeven aan het veel of weinig voorkomen van de ziekte, noch in welk werelddeel de ziekte gevonden wordt. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende aannemelijk geworden dat de hondenuitlaatroute nabij de woning van verzoeker, een zo groot risico voor de volksgezondheid in het algemeen en voor verzoeker in het bijzonder oplevert, dat verweerder op grond van artikel 5, tweede lid, van de WCPV advies aan de gemeentelijke gezondheidsdienst had moeten vragen. Ook de overige door verweerder in het geding gebracht informatie leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij komt het standpunt van verweerder dat juist door het aanwijzen van specifieke uitlaatroutes die bovendien periodiek worden schoongemaakt, het risico voor de volksgezondheid wordt verkleind, de voorzieningenrechter geenszins onredelijk of onjuist voor.

Het bovenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen zonder advies te vragen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.

Dit beleid dat het college bij het aanwijzen van hondenuitlaatplekken hanteert is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het algemeen niet onredelijk of anderszins rechtens onaanvaardbaar te achten.

Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel, dat de stellingen van verzoeker tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

Gegeven de hiervoor weergegeven beslissing in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek zal dus worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter

Ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van K.E. Peer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2008.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Hoger beroep staat niet open voor zover is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening.

Verzonden op: