Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD4641

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
AWB 06/3637
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De raad voor rechtsbijstand heeft een klacht tegen [advocaat] gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige gegrondverklaring van de klacht niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De gegrondverklaring brengt immers geen wijziging in de rechtspositie van eiser. De gegrondverklaring legt hem geen rechtens bindende verplichting op en onthoudt hem evenmin enig recht. Bovendien kan eiser – indien de gegrondverklaring van de klacht op enig moment daadwerkelijk wordt gevolgd door een besluit tot al dan niet tijdelijke uitsluiting van verdere verlening van rechtsbijstand – gebruik maken van de tegen een dergelijk besluit openstaande rechtsbescherming, nu een dergelijk besluit wel op rechtsgevolg is gericht. In het kader van die procedure kunnen de thans aan de orde zijnde rechtsvragen in volle omvang aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 06/3637

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[advocaat], eiser,

wonende te [plaats],

kantoorhoudende te [plaats],

tegen

de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem, verweerder .

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 juni 2006.

2. Procesverloop

Op 22 september 2004 heeft mr. I.M. van Kuilenburg namens [klager] (hierna: klager) een klacht ingediend tegen eiser.

Bij brief van 5 januari 2005 heeft verweerder deze klacht gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Naar dit stuk en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 februari 2008. Eiser is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.E. van Schooten.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) is de raad voor Rechtsbijstand (hierna: de raad) belast met de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het ressort en met het toezicht op de uitvoering daarvan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel heeft de raad voorts tot taak de controle op werkzaamheden van rechtsbijstandverleners, voor zover deze niet elders in deze wet aan anderen is opgedragen.

Ingevolge artikel 14 van de Wrb worden alle in het ressort kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, door de raad ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wrb kunnen de door de raad te stellen voorwaarden betrekking hebben op:

a. het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks zal worden toegevoegd;

b. de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden;

c. de organisatie van het kantoor waar de advocaat werkzaam is;

d. de verslaglegging door de advocaat omtrent de door hem verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wrb, wordt de inschrijving door de raad doorgehaald bij verlies van de hoedanigheid van advocaat. Op grond van het tweede lid van dat artikel, voorzover hier van belang, kan de raad de inschrijving voorts doorhalen

a. indien de advocaat niet voldaan heeft dan wel niet langer voldoet aan de voor de inschrijving gestelde voorwaarden;

b. indien naar zijn oordeel genoegzaam is gebleken dat de rechtsbijstandverlening door de advocaat niet voldoet aan redelijkerwijs te stellen eisen van doelmatigheid of zorgvuldigheid.

De rechtbank gaat ervan uit dat de in dit geding aan de orde zijnde Inschrijvingsvoorwaarden 2005 (mede) zijn gestoeld op de artikelen 7, 14, 15 en 17 van de Wrb.

Ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Inschrijvingsvoorwaarden 2005 kan de raad – ambtshalve of naar aanleiding van een schriftelijke klacht – een toegelaten advocaat een waarschuwing geven of al dan niet tijdelijk van de verdere verlening van rechtsbijstand op het terrein van het asiel- en vluchtelingenrecht uitsluiten, indien uit concrete feiten of omstandigheden is gebleken van enig handelen of nalaten in strijd met een zorgvuldige en doelmatige asiel- en vluchtenlingerechtsbijstandsverlening.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit – waartegen op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van die wet beroep kan worden ingesteld of een bezwaarschrift kan worden ingediend – verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de onderhavige gegrondverklaring van de klacht niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De gegrondverklaring brengt immers geen wijziging in de rechtspositie van eiser. De gegrondverklaring legt hem geen rechtens bindende verplichting op en onthoudt hem evenmin enig recht. Bovendien kan eiser – indien de gegrondverklaring van de klacht op enig moment daadwerkelijk wordt gevolgd door een besluit tot al dan niet tijdelijke uitsluiting van verdere verlening van rechtsbijstand – gebruik maken van de tegen een dergelijk besluit openstaande rechtsbescherming, nu een dergelijk besluit wel op rechtsgevolg is gericht. In het kader van die procedure kunnen de thans aan de orde zijnde rechtsvragen in volle omvang aan de orde komen. De rechtbank baseert haar oordeel mede op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2006 (AB 2006/122) en van 21 maart 2007 (AB 2007/223).

Nu de gegrondverklaring van de klacht in de brief van 5 januari 2005 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, stond hiertegen geen bezwaar open in de zin van de Awb en had verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu er rechtens geen andere mogelijkheid is dan het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb

De rechtbank wel acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor de indiening van het (aanvullend) beroepschrift bij wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322 en wijst de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

bepaalt dat de Raad voor Rechtbijstand te Arnhem het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 141 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.M. Neefe, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 12 juni 2008