Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD4222

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
05/511718-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt het bedrijf van verdachte A (zie LJNummer BD4204) tot een geldboete van 2.500 euro wegens het overtreden van de Wet milieubeheer. Zie ook LJNummers BD4207 (verdachte B) en BD4215 (bedrijf verdachten A en B).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

zittinghoudende te Zutphen

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 05/511718-07

Uitspraak d.d.: 9 juni 2008

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

VOF [bedrijf verdachte A],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 26 mei 2008.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2005 tot en met 20 januari 2006 te Velddriel, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel kadastraal bekend gemeente Maasdriel, perceel sectie [nummer] en [nummer] gelegen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwprodukten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage , heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door aldaar afvalstoffen en/of grond op of in de bodem te brengen;

art 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer

2.

hij in of omstreeks de periode 29 juni 2005 tot en met 23 januari 2006 te Velddriel bedrijfsmatig, of op een wijze als deze bedrijfsmatig was handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijze had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu onstaan of kunnen onstaan, immers heeft hij meermalen partijen grond vervoerd en/of bewerkt en/of in ontvangst genomen en of vermengd met andere grond terwijl eerst- of laatsgenoemde grond vervuild was, althans daarin zich een concentratie PAK bevond die als 'verontreinigd' kan worden aangemerkt

art 10.1 lid 3 Wet milieubeheer

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij omstreeks de periode van 29 juni 2005 tot en met 20 januari 2006 te Velddriel, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel kadastraal bekend gemeente Maasdriel, perceel sectie [nummer] en [nummer] gelegen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwproducten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door aldaar afvalstoffen en/of grond op of in de bodem te brengen;

2.

hij omstreeks de periode 29 juni 2005 tot en met 23 januari 2006 te Velddriel bedrijfsmatig, handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar hij wist, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft hij meermalen partijen grond in ontvangst genomen en of vermengd met andere grond terwijl eerst- of laatstgenoemde grond vervuild was.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van

de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet

milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete

van € 5.000,-.

2. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, waarbij zij in het bijzonder rekening heeft gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

3. De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor een milieudelict.

4. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een geldboete van na te melden hoogte passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op:

- de artikelen 23, 24, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- de artikelen 8.1, eerste lid, en 10.1 van de Wet milieubeheer;

- artikel 2.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Beslissing

De meervoudige economische strafkamer in deze rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 1 en 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.500,-- (tweeduizendvijfhonderd euro).

Aldus gewezen door mr. Prisse, voorzitter, mrs. Van de Wetering en Morsink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2008.