Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD4204

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
05/523601-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte (A) is veroordeeld tot een geldboete van 4000 euro, waarvan 2000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens overtredingen van de Wet milieubeheer. Zie ook LJNummers BD4207 (verdachte B), BD4222 (bedrijf verdachte A) en BD4215 (Bedrijf verdachten A en B).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

zittinghoudende te Zutphen

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 05/523601-07

Uitspraak d.d.: 9 juni 2008

Tegenspraak / oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats, 1976],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 26 mei 2008.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

Ter terechtzitting heeft de rechtbank het door de raadsman van verdachte gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

de rechtspersoon [bedrijf verdachte A en B] B.V. in of omstreeks de periode van 01 september 2005 tot en met 22 januari 2007 te Maasdriel en/of Velddriel, tezamen en in vereniging met een ander, terwijl aan voornoemde rechtspersoon door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland bij besluit van 7 maart 2000 een vergunning, nummer [nummer] krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor een transportbedrijf, aannemingsbedrijf voor grond weg en waterbouw, grond, zand en grindhandel, op en overslag van bouw- en sloopafval, puinbreken en een gemeentelijkemilieustraat, zijnde in

elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van Inrichtingen en vergunningenbesluit Milieubeheer, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning en/of de daarbij behorende veranderingsvergunning, beschikking dd 24 november 2005, immers

- heeft de rechtspersoon meermalen containers op de openbare weg gehad, en daarmee de openbare weg niet zo veel mogelijk tijden het bevoorraden van de inrichting en/of de aanvoer en/of afvoer van afval vrijgehouden (voorwaarde 1.12 vergunning)

- heeft de rechtspersoon de maximaal vergunde hoeveelheid te verwerken puingranolaat in het jaar 2005 en het jaar 2006 overschreden (voorwaarde 8.1 vergunning)

- heeft de rechtspersoon meermalen de afvalstof asfalt ingenomen (voorwaarde 6.2 vergunning)

- heeft de rechtspersoon meermalen asbest op het terrein gehad dat niet stofdicht was aangeleverd en/of verpakt (voorwaarde 6.2 vergunning);

- heeft de rechtspersoon meermalen asbest geaccepteerd van anderen dan particulieren en/of buiten de openingstijden van de milieustraat om (voorwaarde 6.2 vergunning)

- heeft de rechtspersooneen of meer volle/gevulde containers opgeslagen gehad op het 'buiten-opslagterrein aan [adres]';(voorschrift veranderingsvergunning 1.1)

zulks terwijl verdachte in voornoemde periode op voornoemde plaatsen tot de verboden gedragingen, al dan niet in vereniging met een ander, opdracht heeft gegeven dan wel aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

(zd 3.1)

art 18.18 Wet milieubeheer

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2005 tot en met 22 januari 2007 te Maasdriel en/of Velddriel, tezamen en in vereniging met een ander, terwijl aan voornoemde rechtspersoon door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland bij besluit van 7 maart 2000 een vergunning, nummer [nummer] krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor een transportbedrijf, aannemingsbedrijf voor grond weg en waterbouw, grond, zand en grindhandel, op en overslag van bouw- en sloopafval, puinbreken en een gemeentelijkemilieustraat, zijnde in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van Inrichtingen en vergunningenbesluit Milieubeheer, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning en/of de daarbij behorende veranderingsvergunning beschikking dd 24 november 2005, immers

- heeft hij bij/in het bedrijf [bedrijf verdachten A en B] meermalen containers op de openbare weg gehad, en daarmee de openbare weg niet zo veel mogelijk tijden het bevoorraden van de inrichting en/of de aanvoer en/ of afvoer van afval vrijgehouden (voorwaarde 1.12 vergunning)

- heeft hij bij/in het bedrijf [bedrijf verdachten A en B] de maximaal vergunde hoeveelheid te verwerken puingranolaat in het jaar 2005 en 2006 overschreden (voorwaarde 8.1 vergunning)

- heeft hij middels het bedrijf [bedrijf verdachten A en B] meermalen de afvalstof asfalt ingenomen (voorwaarde 6.2 vergunning)

- heeft hij middels het bedrijf [bedrijf verdachten A en B] meermalen asbest op het terrein gehad dat niet stofdicht was aangeleverd en/of verpakt (voorwaarde 6.2 vergunning);

- heeft hij middels het bedrijf [bedrijf verdachten A en B] meermalen asbest geaccepteerd van anderen dan particulieren en/of buiten de openingstijden van de milieustraat om (voorwaarde 6.2 vergunning)

- heeft hij op het buiten-opslagterrein van het bedrijf [bedrijf verdachten A en B] een of meer gevulde/volle containers opgeslagen; (voorschrift 1.1 van de veranderingsvergunning)

art 18.18 Wet milieubeheer

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2005 tot en met 20 januari 2006 te Velddriel, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel kadastraal bekend gemeente Maasdriel, perceel sectie [nummer] en [nummer] gelegen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwprodukten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage , heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door aldaar afvalstoffen en/of grond op of in de bodem te brengen;

art 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

V.O.F. [bedrijf verdachte A] in of omstreeks de periode van 29 juni 2005 tot en met

20 januari 2006 te Velddriel, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel kadastraal bekend gemeente Maasdriel, perceel sectie [nummer] en [nummer] gelegen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwprodukten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage , heeft veranderd of de

werking daarvan heeft veranderd door aldaar afvalstoffen en/of grond op of in de bodem te brengen,

zulks terwijl verdachte in voornoemde periode op voornoemde plaatsen tot de verboden gedragingen, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, opdrachte heeft gegeven dan wel aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

art 8.1 lid 1 ahf/ond a Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond c Wet milieubeheer

3.

hij in of omstreeks de periode 29 juni 2005 tot en met 23 januari 2006 te Velddriel bedrijfsmatig, of op een wijze als deze bedrijfsmatig was handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijze had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu onstaan of kunnen onstaan, immers heeft hij meermalen partijen grond vervoerd en/of bewerkt en/of in ontvangst genomen en of vermengd met andere grond terwijl eerst- of laatsgenoemde grond vervuild was, althans daarin zich een concentratie PAK bevond die als 'verontreinigd' kan worden aangemerkt

art 10.1 lid 3 Wet milieubeheer

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

V.O.F. [bedrijf verdachte A] in of omstreeks de periode 29 juni 2005 tot en met 23 januari 2006 te Velddriel bedrijfsmatig, of op een wijze als deze bedrijfsmatig was handelingen met betrekking tot afvalstoffen te heeft verricht, terwijl daardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijze had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu onstaan of kunnen onstaan, immers heeft de VOF meermalen partijen grond vervoerd en/of bewerkt en/of in

ontvangst genomen en of vermengd met andere grond terwijl eerst- of laatsgenoemde grond vervuild was, althans daarin zich een concentratie PAK bevond die als 'verontreinigd' kan worden aangemerkt,

zulks terwijl verdachte in voornoemde periode op voornoemde plaatsen tot de verboden gedragingen, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, opdrachte heeft gegeven dan wel aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

art 10.1 lid 2 Wet milieubeheer

4.

hij op of omstreeks 23 en 24 januari 2006 te Zaltbommel en/of Velddriel, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten een hoeveelheid van 2100 m3 grond waarin een zodanige concentratie PAK zat dat deze grond als 'verontreinigd' kan worden aangemerkt heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te

verbranden;

(zd 3.4)

art 10.2 lid 1 Wet milieubeheer

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde dat uit het procesdossier blijkt dat niet verdachte, maar de rechtspersoon V.O.F. [bedrijf verdachte A] deze feiten heeft begaan, terwijl verdachte aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte dient derhalve van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Verdachte dient tevens te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde, nu uit het dossier enige betrokkenheid van verdachte bij dit feit niet kan worden vastgesteld.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. (primair)

de rechtspersoon [bedrijf verdachte A en B] B.V. omstreeks de periode van 1 september 2005 tot en met 22 januari 2007 te Maasdriel en/of Velddriel, terwijl aan voornoemde rechtspersoon door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland bij besluit van 7 maart 2000 een vergunning, nummer [nummer] krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor een transportbedrijf, aannemingsbedrijf voor grond weg en waterbouw, grond, zand en grindhandel, op en overslag van bouw- en sloopafval, puinbreken en een gemeentelijke milieustraat, zich opzettelijk, heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning en/of de daarbij behorende veranderingsvergunning, beschikking d.d. 24 november 2005, immers

- heeft de rechtspersoon meermalen containers op de openbare weg gehad, en daarmee de openbare weg niet zo veel mogelijk tijdens het bevoorraden van de inrichting en/of de aanvoer en/of afvoer van afval vrijgehouden (voorwaarde 1.12 vergunning);

- heeft de rechtspersoon de maximaal vergunde hoeveelheid te verwerken puingranulaat in het jaar 2005 en het jaar 2006 overschreden (voorwaarde 8.1 vergunning);

- heeft de rechtspersoon meermalen de afvalstof asfalt ingenomen (voorwaarde 6.2 vergunning);

- heeft de rechtspersoon meermalen asbest geaccepteerd van anderen dan particulieren en/of buiten de openingstijden van de milieustraat om (voorwaarde 6.2 vergunning);

- heeft de rechtspersoon volle/gevulde containers opgeslagen gehad op het 'buiten-opslagterrein aan [adres]’ (voorschrift veranderingsvergunning 1.1),

zulks terwijl verdachte in voornoemde periode op voornoemde plaatsen, in vereniging met een ander, aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

2. (subsidiair)

V.O.F. [bedrijf verdachte A] omstreeks de periode van 29 juni 2005 tot en met 20 januari 2006 te Velddriel, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel kadastraal bekend gemeente Maasdriel, perceel sectie [nummer] en [nummer] gelegen inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwproducten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door aldaar afvalstoffen en/of grond op of in de bodem te brengen,

zulks terwijl verdachte in voornoemde periode op voornoemde plaatsen aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven;

3. (subsidiair)

V.O.F. [bedrijf verdachte A] omstreeks de periode 29 juni 2005 tot en met 23 januari 2006 te Velddriel bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar verdachte wist, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, immers heeft de VOF meermalen partijen grond in ontvangst genomen en vermengd met andere grond terwijl eerst- of laatstgenoemde grond vervuild was,

zulks terwijl verdachte in voornoemde periode op voornoemde plaatsen aan de verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1 (primair) : Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet

milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2 (subsidiair): Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van

de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd, opzettelijk begaan door

een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven

aan de verboden gedraging.

Feit 3 (subsidiair): Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, tweede lid,

van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,

terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden

gedraging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van de feiten 1 tot en

met 3 te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

2. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving. Het is van belang dat op een juiste manier met afvalstoffen wordt omgegaan om eventuele schade aan het milieu te voorkomen. Daarnaast is met de aan de rechtspersoon opgelegde vergunningsvoorwaarden tevens beoogd dat andere verkeersdeelnemers zo min mogelijk hinder ondervinden van werkzaamheden van het bedrijf.

3. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten.

4. De rechtbank houdt bij het opleggen van na te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de veroordeling van de meervoudige kamer te Arnhem, zittinghoudende te Zutphen, op 22 november 2007 (parketnummer: 05/900300-05).

5. Al het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een geldboete van na te melden hoogte passend. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op:

- de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- de artikelen 8.1, 10.1 en 18.18 van de Wet milieubeheer.

Beslissing

De meervoudige economische strafkamer van deze rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het 1 primair, 2 subsidiair en

3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 4.000,-- (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 2.000,-- (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. Prisse, voorzitter, mrs. Van de Wetering en Morsink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2008.