Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD3888

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
166228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; EEX-Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166228 / HA ZA 08-199

Vonnis in incident van 4 juni 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TECHNOCON HOLDING B.V.,

gevestigd te Tiel,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

NAVTRAK LIMITED,

gevestigd te Cheshire, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. A.T. Bolt,

advocaat mr. J.H. Stek en mr. J. Langer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Technocon en NavTrak genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1. Technocon vordert – samengevat – primair veroordeling van NavTrak tot betaling van EUR 1.311.825,00 en subsidiair tot betaling van EUR 173.500,00, althans tot betaling van het bedrag waarmee NavTrak ongerechtvaardigd is verrijkt. Daarnaast vordert Technocon betaling van proceskosten.

2.2. Ter onderbouwing van haar vorderingen voert Technocon het volgende aan.

In 2004 is Technocon met NavTrak een samenwerking aangegaan op het gebied van voertuigvolgsystemen voor, in het bijzonder, Bentley voertuigen. Sindsdien is Technocon in de Benelux zowel de exclusieve wederverkoper van de hardware van NavTrak voor de hierboven genoemde systemen als de exclusieve aanbieder van de daarbij behorende volgdiensten. In december 2005 hebben partijen hun afspraken vastgelegd in een overeenkomst getiteld ‘NavTrak Limited and Technocon International BV Services Agreement’ (hierna de ‘Services Agreement’).

In januari 2006 zijn partijen overeengekomen dat zij de met de voertuigvolgsystemen verbonden diensten in de toekomst gezamenlijk, op basis van joint venture, zouden gaan leveren in de Benelux, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Zwitserland. In 2006 en 2007 hebben partijen intensief samengewerkt vooruitlopend op de oprichting van de door hen beoogde gezamenlijke onderneming, aldus Technocon.

Op 27 maart 2007 is bekendgemaakt dat NavTrak zou worden verkocht aan Cobra Automotive Technologies SpA. Bij brief van 29 november 2007 heeft NavTrak de onderhandelingen met Technocon beëindigd.

2.3. Technocon stelt dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat een joint venture zou worden opgericht. Vooruitlopend daarop heeft Technocon aanzienlijke kosten gemaakt, waarvan zij in de hoofdzaak vergoeding vordert. Dat betreft de subsidiaire vordering (negatief contractsbelang). De primaire vordering van Technocon is opgebouwd uit schadevergoeding wegens gederfde winst en gemaakte kosten (positief contractsbelang).

3. Het geschil in het incident

3.1. Vóór alle weren in de hoofdzaak vordert NavTrak dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van Technocon kennis te nemen.

3.2. Het uitgangspunt van NavTrak, zoals door haar uiteengezet in de hoofdzaak, is dat niet Technocon maar Technocon International B.V. (hierna Technocon International) de contractpartij van NavTrak is. Op dit standpunt zal de rechtbank onder 4.3 en 4.4 ingaan.

3.3. NavTrak stelt dat – indien en voor zover wel sprake is van een rechtsbetrekking tussen NavTrak en Technocon – is overeengekomen dat de Engelse rechter bij uitsluiting bevoegd is. NavTrak verwijst ter onderbouwing naar artikel 17 van de Services Agreement dat luidt:

This agreement shall be governed by and construed in accordance with English law. Each

of the parties submits to the exclusive jurisdiction of the English courts.

3.4. NavTrak betoogt dat de door haar en Technocon International in januari 2006 overeengekomen aanvullende samenwerking ten aanzien van landen buiten de Benelux, hoewel niet vastgelegd in de Services Agreement, de facto voortvloeit uit die overeenkomst. Voorts verwijst NavTrak naar een andere overeenkomst, de ‘Securitas Alert Services Agreement’ (hierna de ‘SAS-Agreement’), bij welke overeenkomst naast NavTrak en Technocon International eveneens de Belgische vennootschap Securitas Alert Services N.V. partij is. Artikel 19.9 van die overeenkomst luidt, voor zover van belang:

(…) and the Parties each submits to the exclusive jurisdiction of The English Courts in

respect of any matter under or in connection with the Agreement of the Services.

3.5. Volgens NavTrak hebben de partijen bij deze overeenkomst bedoeld de hiervoor omschreven forumkeuzes van toepassing te laten zijn op al hun rechtsbetrekkingen.

3.6. Technocon betwist dit laatste gemotiveerd. Haar betoog komt er in hoofdlijnen op neer dat NavTrak op onaanvaardbare wijze de met Technocon gevoerde onderhandelingen heeft afgebroken. Dit handelen van NavTrak kwalificeert als een onrechtmatige daad, aldus Technocon, die aanvoert dat haar vorderingen niet zijn gebaseerd op – en evenmin verband houden met – de hiervoor genoemde twee overeenkomsten. Voorts is volgens Technocon de forumkeuze in de Services Agreement onvoldoende bepaald en de SAS-Agreement in het geheel niet van toepassing, zodat geen rechtsgeldige forumkeuze is overeengekomen.

4. De beoordeling in het incident

4.1. De rechtbank stelt voorop dat, nu NavTrak woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk, de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie, Publicatieblad nr. L 012 van 16 januari 2001 (hierna de ‘EEX-Verordening’).

4.2. Ter beantwoording ligt de vraag voor of partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen dat de Engelse rechter bij uitsluiting bevoegd is van het thans gerezen geschil kennis te nemen, zoals NavTrak stelt. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 23 van de EEX-Verordening.

4.3. Van belang is in de eerste plaats het navolgende. In de hoofdzaak heeft NavTrak het standpunt ingenomen dat niet Technocon maar Technocon International partij is bij de meergenoemde overeenkomsten en dat het eveneens Technocon International was die met NavTrak in onderhandeling was over eventuele uitbreiding van de samenwerking. Indien van de juistheid van dit standpunt van NavTrak wordt uitgegaan – de rechtbank constateert dat in de in het geding gebrachte overeenkomsten inderdaad Technocon International als contractpartij wordt genoemd – staat daarmee reeds vast dat de onder 3.2 en 3.3 aangehaalde forumkeuzebedingen niet zijn overeengekomen tussen NavTrak en Technocon.

4.4. De rechtbank ziet uit proceseconomische overwegingen aanleiding de vraag met welke vennootschap NavTrak heeft gecontracteerd – welke vraag in de hoofdzaak tevens moet worden beantwoord in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van Technocon – thans inhoudelijk onbesproken te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat zij hoe dan ook bevoegd is van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Indien ervan wordt uitgegaan dat Technocon geen contractpartij is, is reeds daarom geen sprake van een tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding. Indien het bestaan van een contractuele verhouding tussen partijen wel moet worden aangenomen heeft NavTrak naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van wilsovereenstemming tussen partijen over aanwijzing van de Engelse rechter als bevoegde instantie ter beslechting van het onderhavige geschil. Dit oordeel zal de rechtbank in de overwegingen 4.6 tot en met 4.12 onderbouwen.

4.5. In de beide situaties wordt het geschil niet beheerst door een forumkeuzebeding en zal dus moeten worden aangeknoopt bij de (algemene en bijzondere) regels voor bevoegdheid in de EEX-Verordening. Op basis van die regels zal de rechtbank in rechtsoverweging 4.13 tot en met 4.15 tot de beslissing komen dat zij bevoegd is van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen.

4.6. Indien en voor zover het bestaan van een contractuele verhouding tussen NavTrak en Technocon wordt verondersteld, geldt het navolgende. Het HvJEG heeft bepaald dat, waar artikel 23 EEX-Verordening (lid 1 sub a) als basis van een geldige forumkeuze een ‘overeenkomst’ tot aanwijzing van een bevoegd gerecht verlangt, de aangezochte rechter in de eerste plaats moet onderzoeken of de clausule die hem onbevoegd verklaart inderdaad het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt, waarbij de formele vereisten van artikel 23 EEX-Verordening ten doel hebben te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen inderdaad bestaat.

4.7. Er zal dus moeten worden onderzocht of in het onderhavige geval sprake is van wilsovereenstemming. Daarbij zij opgemerkt dat algemeen aanvaard is dat het vereiste van totstandkoming van wilsovereenstemming – waaronder begrepen de inhoud en uitleg van die overeenstemming – verordeningsautonoom moet worden begrepen en dus niet is onderworpen aan het nationale rechtstelsel dat krachtens het conflictenrecht van de aangezochte rechter van toepassing is. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt evenwel dat, waar de EEX-Verordening zich niet uitlaat over materiële vereisten, zekere ruimte wordt gelaten voor de toepassing van nationaal recht bij de beoordeling van de vraag of sprake is van wilsovereenstemming (HR 16 mei 2008, C06/332 HR).

4.8. NavTrak stelt dat sprake is van wilsovereenstemming, waar de forumkeuzes zoals gemaakt in de Services Agreement en de SAS-Agreement zich volgens haar uitstrekken tot alle rechtsbetrekkingen tussen haar en Techncon International en daarmee ook tot het onderhavige geschil.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de twee forumkeuzebedingen duidelijk blijkt dat deze zich niet uitstrekken tot discussies gelegen buiten de uitvoering van de betreffende twee overeenkomsten. De SAS-Agreement is een overeenkomst die, zoals Technocon heeft aangevoerd, tot stand is gekomen omdat NavTrak en Technocon (International) in 2006 gezamenlijk een derde partij, Securitas Alert Services, hebben ingeschakeld voor de feitelijke afhandeling van volgdiensten. De forumkeuze in artikel 19.9 van deze overeenkomst heeft blijkens de tekst (‘… any matter under or in connection with the Agreement of the Services’) alleen betrekking op geschillen die vallen onder of samenhangen met deze overeenkomst. NavTrak heeft onvoldoende gesteld om te concluderen dat het thans gerezen geschil voortvloeit uit of samenhangt met deze overeenkomst, nog daargelaten dat het hier een drie partijenovereenkomst betreft en Security Alert Services niet is betrokken bij het onderhavige geschil in de hoofdzaak.

4.10. Ten aanzien van de Services Agreement geldt evenzeer dat uit de bewoordingen van artikel 17 van deze overeenkomst volgt dat niet alleen ten aanzien van het toepasselijke recht maar eveneens ten aanzien van de bevoegde rechter een forumkeuze is gemaakt die uitsluitend samenhangt met deze overeenkomst (‘This agreement’ in de eerste zin). Over de inhoud van de Services Agreement bestaat geen geschil, deze heeft betrekking op de sinds 2004 bestaande samenwerking tussen NavTrak en Technocon (International) over de exclusieve distributie door Technocon (International) van de hardware van NavTrak en van de bijbehorende diensten in de Benelux. Ten aanzien van deze samenwerking staat voorts genoegzaam vast dat zij (na 28 november 2007) is blijven voortduren.

4.11. De rechtbank volgt NavTrak niet in haar standpunt dat de in 2006 gemaakte afspraken over aanvullende samenwerking onderdeel uitmaken van ‘deze overeenkomst’, reeds omdat die aanvullende afspraken niet zijn vastgelegd in de Services Agreement.

NavTrak heeft voorts niet gesteld en evenmin is gebleken dat in het kader van die nieuwe afspraken wederom zou zijn gekozen voor aanwijzing van de Engelse rechter als de bevoegde instantie voor beslechting van geschillen tussen NavTrak en Technocon (International).

Technocon heeft daar tegenover verklaard dat de situatie onder de tot stand te brengen joint venture juist wezenlijk zou veranderen. Niet alleen zouden partijen volgens haar, anders dan onder de Service Agreement, gaan samenwerken op voet van gelijkheid maar tevens zou de joint venture (in ieder geval) niet in het Verenigd Koninkrijk worden gevestigd maar – gezien het fiscale klimaat – mogelijk in Nederland. Technocon betwist daarmee gemotiveerd dat partijen de bedoeling hadden al hun geschillen voor te leggen aan de Engelse rechter.

4.12. Mede gelet op deze gemotiveerde betwisting is de rechtbank van oordeel dat NavTrak haar stellingen over de bedoeling van partijen, die zou moeten afwijken van de op zichzelf duidelijke bewoordingen van de forumkeuzebedingen, onvoldoende heeft onderbouwd. Nu NavTrak evenmin heeft gesteld en niet is gebleken dat de gestelde bevoegdheid van de Engelse rechter voortvloeit uit een gewoonte of gebruik (artikel 23 lid 1 sub c van de EEX-Verordening) moet de conclusie dan ook zijn dat in het onderhavige geschil niet beheerst wordt door een forumkeuzebeding in de zin van artikel 23 van de EEX-Verordening.

4.13. Beoordeeld moet worden vervolgens worden welke rechter volgens de EEX-Verordening bevoegd is. Technocon baseert haar vorderingen tot vergoeding van schade op de stelling dat NavTrak de onderhandelingen op onaanvaardbare wijze heeft afgebroken. De vraag hoe een vordering tot schadevergoeding wegens het afbreken van onderhandelingen in het kader van artikel 5 van de EEX-Verordening moet worden gekwalificeerd, is aan de orde gesteld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) van 17 september 2002, C-334/00, NJ 2003, 46. Samengevat is het Hof tot het oordeel gekomen dat de vordering waarmee de precontractuele aansprakelijkheid van de verweerder wordt ingeroepen, in beginsel een vordering uit onrechtmatige daad is (in de zin van artikel 5 sub 3 van de EEX-Verordening). Daarbij heeft het Hof, afhankelijk van het stadium waarin de onderhandelingen tussen partijen zich bevonden ten tijde van het afbreken van die onderhandelngen, ook ruimte gelaten het gerezen geschil te benoemen als een ‘verbintenis uit overeenkomst’ (in de zin van artikel 5 sub 1 EEX-Verordening).

4.14. De rechtbank zal bij beantwoording van de vraag naar haar bevoegdheid kennis te nemen van de vorderingen van Technocon ervan uitgaan dat het geschil voortvloeit uit een verbintenis uit onrechtmatige daad. Technocon noch NavTrak hebben in het incident feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie nopen.

4.15. Artikel 5 sub 3 van de EEX-Verordening bepaalt dat de verweerder kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. In het geval van afgebroken onderhandelingen moet de schade worden geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken. Uit jurisprudentie volgt dat dit de plaats is waar de wederpartij de brief heeft ontvangen waarin de partij die de onderhandelingen heeft afgebroken, heeft meegedeeld dat zij de onderhandelingen zou beëindigen (HR 21 september 2001, C99/245HR, NJ 2002, 254). Technocon stelt dat NavTrak haar op 28 november 2007 schriftelijk heeft meegedeeld de onderhandelingen te staken. De betreffende brief (overgelegd als productie 27 in de hoofdzaak) is gezonden aan het vestigingsadres van Technocon te Tiel. Dit heeft NavTrak niet weersproken. De rechtbank acht zich daarom bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil

4.16. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

5. In de hoofdzaak

5.1. De rechtbank zal een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen.

5.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.3. Tijdens de comparitie zal aan de orde komen met wie NavTrak heeft gecontracteerd: met Technocon of met Technocon International en met welke van deze beide vennootschappen NavTrak heeft onderhandeld over uitbreiding van de samenwerking. Daarbij zal ook het ontvankelijkheidsverweer van NavTrak aan de orde komen.

Voorts zal ook de vraag welk recht op het onderhavige geschil van toepassing is ter comparitie worden behandeld.

5.4. Partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

5.5. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.

5.6. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. verklaart zich bevoegd van de vorderingen van Technocon kennis te nemen,

6.2. houdt de beslissing over de proceskosten aan,

in de hoofdzaak

6.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.P.E.E. van Groeningen op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 juni 2008 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden juli tot en met oktober 2008, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

6.6. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.7. wijst partijen er op, dat voor de zitting 3 uur zal worden uitgetrokken,

6.8. bepaalt dat beide partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is hen te vertegenwoordigen,

6.9. verzoekt de tijdige toezending van de stukken,

6.10. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse, mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2008.

coll. EdB