Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD3466

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
150460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De conclusie van de rechtbank is dat de relevante omstandigheden noch elk afzonderlijk noch in samenhang bezien leiden tot de conclusie dat bij een van de gedaagden sub 2 tot en met 8 sprake was van ontbreken van goede trouw zoals bedoeld in de bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150460 / HA ZA 07-13

Vonnis van 28 mei 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

gevestigd te [woonplaats]

eiseres,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. E.G.M. van den Heuvel te Breda,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. I.P. Rietveld,

advocaat mr. B.W.M. Toemen te Boxtel,

2. de vennootschap onder firma

[gedaagde 2].,

gevestigd te [vest.plaats],

gedaagde,

procureur mr. K.J. Verrips,

advocaat mr. R.C. Vermeer te Rhenen,

3. [gedaagde 3],

vennoot van gedaagde sub 2,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. K.J. Verrips,

advocaat mr. R.C. Vermeer te Rhenen,

4. [gedaagde 4],

vennoot van gedaagde sub 2,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. K.J. Verrips,

advocaat mr. R.C. Vermeer te Rhenen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 5].,

gevestigd te [vest.plaats],

gedaagde,

procureur mr. C.M. Hermesdorf,

6. de vennootschap onder firma

[gedaagde 6].,

gevestigd te [vest.plaats],

gedaagde,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. M.L. Huisman,

7. [gedaagde 7],

beherend vennoot van gedaagde sub 6,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. M.L. Huisman,

8. [gedaagde 8],

beherend vennoot van gedaagde sub 6,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. M.L. Huisman.

Partijen zullen[eiseres] [eiseres], [gedaagde 1], [gedaagden 2 t/m 4] (voor de gedaagden onder 2, 3 en 4), [gedaagde 5] (voor de gedaagde onder 5) en [gedaagden 6 t/m 8] (voor de gedaagden onder 6, 7 en 8) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juli 2007

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 november 2007, waar als getuigen in enquête z[eiseres] [eiseres]s directeur [naam directeur] en mevrouw [getuige],

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 februari 2008, waar als getuigen in contra-enquête zijn gehoord partij [gedaagde 1], diens vriendin [getuige], [gedaagde 3], [getuige], [gedaagde 5]’s directeur [naam directeur], [gedaagde 7] en [gedaagde 8],

- de conclusie na getuigen[eiseres] [eiseres]

- de antwoordconclusies na getuigenverhoor van [gedaagde 1], [gedaagden 6 t/m 8], [gedaagde 5] en [gedaagden 2 t/m 4].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Samengevat houdt het tussenvonnis van 18 juli 2007 het volgende in. De rechtbank heeft overwogen dat [gedaagde 1] de DAF heeft verduisterd door hem zelf, als ware hij eigenaar, in het handelsverkeer te brengen, en dat hij daarmee onrechtmatig heeft gehan[eiseres] [eiseres]. Tevens is hij zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst niet nagekomen. Hebben de opvolgende kopers, [gedaagden 2 t/m 4], [gedaagde 5] en [gedaagden 6 t/m 8], zo heeft de rechtbank overwogen, desbewust de DAF uit handen va[eiseres] [eiseres] gebracht, dan[eiseres] [eiseres] daarmee de kans ontnomen om door de auto terug te nemen de schade geleden door het uitblijven van betaling van de koopprijs te beperken. Die beperking zou te waarderen zijn geweest op de waarde van de DAF in de relevante periode. Vervolgens is de vraag naar het ontbreken van goede trouw bij deze opvolgende kopers aan de orde gesteld. De rechtbank heeft een aantal mogelijk relevante omstandigheden reeds in het tussenvonnis behandeld en[eiseres] [eiseres] te bewijzen opgedragen dat de gedaagden [gedaagden 2 t/m 4], [gedaagde 5] en [gedaagden 6 t/m 8] als kopers van de DAF niet te goeder trouw waren in die zin dat zij zich bewust waren of behoorden te zijn van het feit dat een van hun rechtsvoorgangers de DAF had verduisterd en vervolgens verkocht en geleverd of een daarmee vergelijkbaar [eiseres] [eiseres] heeft getuigen voorgebracht en alle gedaagden hebben dit in contra-enquête gedaan, ook [gedaagde 1], die strikt genomen niet bij de bewijsopdracht betrokken was. Aangezien echter alle advocaten van de gedaagden aan alle getuigen vragen hebben gesteld, zal de rechtbank deze verklaringen wél in de beoordeling betrekken. Uiteraard geldt dit alleen voor zover de verklaringen op de bewijsopdracht betrekking hebben.

2.3. Het probandum spitst zich dus toe op het ontbreken van goede trouw bij gedaagden sub 2 tot en met 8. De getuigen hebben, voor zover relevant, het volgende verklaard.

2.4. [getuige] heeft verklaard te blijven bij zijn ter comparitie afgelegde verklaring en daaraan onder meer toegevoegd:

Ik weet dat de auto bij ons zoekgeraakt is. Het bleek dat hij verkocht was en doorverkocht werd en verder weet ik zelf niets hiervan.

Noch als getuige noch ter comparitie heeft [eiseres] concreet over feiten of omstandigheden die wijzen op het ontbreken van goede trouw bij de gedaagden sub 2 tot en met 8 verklaard. Ter comparitie heeft hij verklaard dat in de relevante periode € 72.000,00 exclusief btw een ‘redelijke prijs’ voor de DAF was.

2.5. De getuige [getuige] is de medewerkster van [naam] die in het tussenvonnis onder 2.6 is bedoeld. Zij heeft uitvoerig verklaard over het in die overweging bedoelde telefonische contact met [gedaagde 5].

2.6. Als getuige heeft [gedaagde 1] – voor zover relevant – onder meer verklaard:

Ik heb [gedaagden 2 t/m 4] verteld dat de auto van mij was en het eigendomsbewijs overhandigd (…). De prijs tegenover [gedaagden 2 t/m 4] was de dagwaarde min de schades. Er was een vertegenwoordiger van Ebag bij mij geweest voor een onderhoudscontract en om de dagwaarde vast te stellen. Die was volgens hem 48.000 á 60.000 euro (…). De auto kwam volgens [eiseres] uit een faillissement. Hij was van de weg afgetrokken. Daarom had ik alleen een noodsleutel. Ik heb bij Ebag een complete set besteld. [gedaagden 2 t/m 4] is die set komen ophalen (…). De dagwaarde zonder schade was 54.000 á 60.000 euro en met de schade 48.000 euro (…). Ook volgens [naam] lag de waarde tussen de 50.000 en de 60.000 euro. Dat was de waarde in goede staat, maar ik kocht de auto met schade. Mijn betaling aan [eiseres] was rond toen ik verkocht aan [gedaagden 2 t/m 4] (…). Ik heb de auto verkocht voor 42.000 euro incl. BTW. Ik kan niet verklaren waarom ik hem onder de waarde verkocht heb. Er waren toen al problemen met [eiseres] (…). Aanvankelijk wilde ik 38.000 á 39.000 euro excl. BTW vragen, maar [gedaagden 2 t/m 4] wilde niet meer dan 35.000 euro betalen.

2.7. De getuige [getuige] heeft verklaard:

Ik heb de truck waarover het hier gaat gezien. Mijn vriend, [naam vriend], heeft erin gereden. Ik ben in die auto mee geweest naar de mensen die hem van ons gekocht hebben. Die mevrouw zit hier op de gang. Ik weet niet voor hoeveel Jan hem verkocht heeft, het lag in de buurt van 40.000 euro. Jan had hem gekocht uit een lease situatie (…). Er was schade aan de vrachtauto. Hij was wit en op één van de portieren zat een grijs stuk. Bovendien zat er een behoorlijke barst in de voorruit.

2.8. De getuige [gedaagde 3], gedaagde sub 3, heeft verklaard:

Wij vroegen via een algemene advertentie op Marktplaats naar zaken die te koop worden aangeboden. Meneer [gedaagde 1] reageerde op die advertentie. Hij vroeg of wij interesse hadden in een DAF. Wij hadden interesse. Wij hebben rond gebeld om te vragen wat de waarde van een dergelijke wagen is, onder andere naar [gedaagde 5] te Zoetermeer. [gedaagde 5] had een waarde van 35.000 á 45.000 euro in gedachten. In dat telefoongesprek met [gedaagde 5] is nog niet besproken dat deze wagen aan hen verkocht zou worden. [gedaagde 1] vroeg 40.000 euro excl. BTW. Ik en mijn partner zijn de wagen gaan bekijken. Wij constateerden schade aan de wagen. Aan de bestuurderszijde zat er schade aan de koplamp, achter de treeplank en aan het zijpaneel. Voorts schade aan de bumper en er zat een deuk in de buitenkant van de deur en er zat een barst in de voorruit. In de wagen ontbrak een autoradio en het navigatiesysteem. Deze zaken waren eruit gehaald door de chauffeur die er mee gereden had. Wij hebben 35.000 euro excl. BTW betaald.

In het telefoongesprek vertelde [gedaagde 1] dat zijn moeder de zaak niet wilde voortzetten en hem te kennen gegeven dat deze wagen verkocht moest worden. Ik heb gevraagd of de wagen vrij was van huur of lease. Dat was zo. Bij het overschrijven zag ik dat de wagen op naam van zijn moeder stond. [gedaagde 1] vertelde mij dat de wagen geschorst was geweest, er was niet mee gereden.

[gedaagde 1] heeft de wagen naar ons toe gebracht. Wij hebben alle papieren en de sleutels van hem ontvangen. ’s Avonds hebben wij gebeld met [gedaagde 5]. De wagen is aan [gedaagde 5] verkocht voor 40.000 euro excl. BTW. [gedaagde 5] heeft de wagen niet gezien. In het telefoongesprek is aan [gedaagde 5] uitgebreid verteld hoe de wagen eruit ziet en wat er aan mankeerde. De volgende dag is de wagen naar [gedaagde 5] gebracht. Wij doen veel zaken met [gedaagde 5], al een aantal jaren. In het telefoongesprek is de herkomst van de wagen niet besproken. Dat doet er niet toe. Ik heb zelf aan [gedaagde 1] wel gevraagd of de wagen vrij was van huur of lease. Dat was puur voor de zekerheid, wij hebben nooit eerder zaken met [gedaagde 1] gedaan. Ik heb op internet gekeken in het register van de KvK naar het bedrijf van [gedaagde 1].

De wagen is door ons op 5 juli 2006 gekocht en op 6 juli 2006 naar [gedaagde 5] gegaan. Deze gang van zaken is gebruikelijk (…). De herkomst van de wagen is in een gesprek met een afnemer nooit aan de orde, wij gaan uit van de betrouwbaarheid van de wagen (…). U vraagt mij of ik aan het kentekenbewijs kon zien dat de wagen uit de schorsing kwam. Dat kon ik niet zien. Ik zag op 5 juli 2006 dat de wagen die ochtend was overgeschreven op de naam van de moeder van [gedaagde 1]. Ik vroeg [gedaagde 1] waarom hij die ochtend pas had overgeschreven. Hij vertelde mij dat de wagen al op zijn moeders naam stond. Hij had de wagen die ochtend uit de schorsing gehaald omdat zijn moeder met vakantie zou gaan (…). U vraagt mij hoe duur het schadeherstel geschat moet worden. Wij zijn geen schadeherstelbedrijf maar ik denk toch zeker 6000 á 8000 euro. Het bedrijf dat de ruit vervangen heeft, heeft een rekening gestuurd naar [gedaagde 1]. De koopprijs is op zich niet beïnvloed door de schade aan de voorruit, die was slechts 200 euro.

2.9. De getuige [getuige], commercieel medewerker bij [gedaagde 5], heeft vooral verklaard over het hierboven (2.5) bedoelde telefoongesprek met mevrouw [getuige], dat hij op 23 augustus 2006 heeft gevoerd.

2.10. De getuige [getuige], directeur van [gedaagde 5], heeft over de verwerving van de DAF verklaard:

Toen ik terugkwam van vakantie heb ik voor het eerst gehoord over de auto waar het nu om gaat. Ik hoorde dat van mijn broer Wim, die mijn mede directeur is. Hij had tijdens mijn vakantie deze auto gekocht van [gedaagden 2 t/m 4]. Hij vertelde mij hoe de auto eruit zag. Er zaten wat dingetjes aan de auto. Er was een andere bumper opgezet, er waren carrosseriedelen aan de linkerzijde vervangen en de trailerkoppeling was vervangen. Aan de deur van de chauffeurskant was een polyesterdeel vervangen en er zat een deuk in het metalen deel van die deur. Wij hadden het vermoeden dat er schade geweest was. Over de aankoopprijs vertelde mijn broer niets bijzonders. Wij deden vaak zaken met [gedaagden 2 t/m 4]. Ook de verkoop van deze auto had tijdens mijn vakantie plaatsgevonden. Hij was verkocht en geleverd aan [gedaagden 6 t/m 8] (…). Volgens mij was er niet meer schade dan ik zojuist noemde. De prijs van de auto die wij betaald hadden 40.000 euro, was in onderhandeling tot stand gekomen. Het was een reële prijs voor de auto op dat moment. De markt verandert voordurend (…). De zichtbare schade maakt (ze) voorzichtig en die voorzichtigheid speelt een rol als je onderhandelt. Ik schat in dit geval de zichtbare schade tot zo’n 2.000 euro (…). Wij hebben de auto verkocht zonder dat er herstelwerkzaamheden aan verricht waren. Wij hebben er goed aan verdiend.

2.11. Als getuige heeft [gedaagde 8] verklaard:

Ik heb de auto waar het nu om gaat op de website van [gedaagde 5] zien staan. Daar kwam ik via trucks.nl; dat is een soort zoekmachine. Ik herinner mij dat ik vrijwel direct gebeld heb. Dat was ’s morgens. Later op de dag werd ik teruggebeld of heb ik zelf weer gebeld. Ik heb toen telefonisch de auto gekocht. Ik kende de mensen van [gedaagde 5] wel. Ik weet niet meer precies hoe het ging bij de onderhandelingen over de prijs. Een paar dagen later zijn we de auto gaan ophalen. Wij hebben hem bekeken en in principe goedgekeurd. In het algemeen is er een afspraak dat je een slag om de arm houdt voor als de auto tegenvalt. Deze viel ons zeker niet mee. Achter op de trekker zit een schotel en die zat vast met nieuwe bouten. De achterbanden waren verwisseld en er waren nog wat schades. De auto moest gespoten worden, maar daarover hadden we al gesproken over de telefoon. We twijfelden om hem mee te nemen. Er zat ook een rare schade van binnenuit aan één van de portieren. Ik meen me te herinneren dat over de prijs niet meer onderhandeld kon worden. Er werd bij verteld dat de vorige eigenaar was overleden en dat de erfgenamen verkochten. Dat leek me wel een helder verhaal. We hadden geen reden voor twijfel omdat we meer zaken deden met [gedaagde 5].

Wij hebben de auto 2, 3 of 4 weken later doorverkocht. Dat gebeurde één of een paar dagen vóór de aanbetaling. De koper had de auto gezien op dezelfde website, trucks.nl. Het waren Duitsers die met vakantie in Renesse waren. Ze zijn komen kijken. Ik weet nog dat de aanbetaling met eigen geld gedaan werd en dat de rest gefinancierd zou worden. Ze zouden als de financiering rond was de auto komen ophalen. Volgens mij is hij begin september opgehaald. Toen was het geld binnen. Dat is rechtstreeks bij ons op de rekening gestort. Vlak na het storten van het geld is de auto opgehaald. Ik denk dat het geld één van de laatste dagen van augustus gestort is. Ik meen dat de Duitse koper 61.500 euro betaalde. De schade was gedeeltelijk door ons hersteld (…).

Op 23 augustus 2006 werd ik door [gedaagde 5] gebeld. [naam] of [naam] vertelde mij dat [naam] had gebeld over deze auto. Die was waarschijnlijk van lease afkomstig. Ik weet niet meer of dit toen precies zo gezegd is, maar in ieder geval is me gezegd dat er iets met de auto aan de hand was. Ik vond het vreemd dat [naam] mij niet rechtstreeks had gebeld. De auto stond bij mij en [gedaagden 6 t/m 8] is bij [naam] bekend. [naam] kon weten dat de auto bij mij stond want ik ga ervan uit dat zij de registratie kan volgen. Toen we de auto hadden opgehaald, hadden we ook direct gevrijwaard. Hij stond op mijn naam. Ik ben na het telefoontje van [gedaagde 5] gewoon aan het werk gegaan. Kort na het telefoongesprek is er een exportmelding gedaan. Waarschijnlijk zijn er toen meer exportmeldingen gedaan. Ik doe de export in principe in mijn eentje. Afmelden en dergelijke probeer je zo snel mogelijk te doen omdat de klanten willen dat de auto klaarstaat. Zo’n exportmelding kun je terugdraaien; hij is niet definitief. De auto is pas begin september weggegaan of eind augustus. Ik denk dat de exportmelding op dat moment op 23 augustus toeval was of een bepaalde herinnering.

2.12. [gedaagde 7] heeft als getuige onder meer verklaard:

De wagen is gekocht voor 54.500 euro excl. BTW. Mijn zoon en ik gingen de auto ophalen. Hij viel ons zwaar tegen. De prijs was een behoorlijke uitgave. Wij vonden het toch een redelijke prijs aangezien de auto wat beschadigd was. Ik ben verder bij de onderhandelingen niet betrokken geweest.

2.13. Bij de beoordeling van de getuigenverklaringen moet voorop gesteld worden dat het gaat om goede trouw bij de verkrijging van de DAF (mala fides superveniens non nocet: een later ontbreken van de goede trouw schaadt de positie van de desbetreffende persoon niet). Gelet op het gegeven dat de vordering op onrechtmatige daad is gegrond en geen revindicatie inhoudt – in welk geval de regel van art. 3:86 BW een rol zou kunnen spelen – dient dit voor ieder van de opvolgende kopers/verkrijgers te worden nagegaan.

2.14. In haar conclusie na getuigenver[eiseres] [eiseres] niet dat datgene wat de respectieve verkrijgers over de herkomst van de DAF te horen kregen (zie 2.7, 2.8 en 2.11) op zichzelf op het ontbreken van goede trouw duidt. De rech[eiseres] [eiseres] hierin. Hoewel, zeker achteraf gezien, de herkomstverklaringen op zichzelf tot vragen zouden kunnen leiden, zijn zij zowel in de verhouding [gedaagde 1]-[gedaagden 2 t/m 4] als in de verhouding tussen [gedaagden 2 t/m 4] en haar opvolgers, die anders is omdat de dan handelende personen steeds bekenden van elkaar zijn, niet zodanig vreemd dat de verkrijger argwaan had moeten krijgen.

2.15. Wat de achtereenvolgende verkoopprijzen betreft, vallen de sterke schommelingen op. Deze prijzen zijn, in aanmerking genomen het gegeven dat de prijzen in de tussenhandel relatief laag plegen te zijn (tussenvonnis onder 4.12), niet zodanig laag in vergelijking tot wat overigens – behoudens de s[eiseres] [eiseres] – over de waarde van de DAF is gebleken, dat zij tot argwaan hadden moeten leiden.

2.16. De schommelingen acht de rechtbank, gelet op de omstandigheden dat uiteraard ook tussenhandelaren winst proberen te maken en dat de laatste verkoop ([gedaagden 6 t/m 8] aan [betrokkene]) de DAF kennelijk van de tussenhandel weer naar de gebruikers brengt, niet zodanig dat zij wijzen op het ontbreken van goede trouw bij degenen die een opvallende winst hebben gemaakt.

2.17. [gedaagden 2 t/m 4] heeft de DAF het goedkoopst gekocht, van [gedaagde 1]. Er lijkt sprake van een buitenkansje. Gelet echter op de getuigenverklaringen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] kan de vraagprijs van [gedaagde 1] niet als zo laag worden gezien dat [gedaagden 2 t/m 4] op grond daarvan geacht moet worden te hebben begrepen dat een van haar rechtsvoorgangers de DAF had verduisterd of dat zich een daarmee vergelijkbaar feit had voorgedaan. Het resultaat van de onderhandelingen tussen [gedaagden 2 t/m 4] en [gedaagde 1] dwingt evenmin tot die conclusie.

2.18. In verband met de prijs is de schade waarover getuigen verklaren, van belang.

2.19. Op het moment dat de omstandigheden voor deze beoordeling relevant worden, dat is nádat de DAF uit[eiseres] [eiseres] is geraakt, is er, gelet op de getuigenverklaringen van [gedaagde 1], [getuige], [gedaagde 3], [getuige], [gedaagde 8] en [gedaagde 7], naar het oordeel van de rechtbank, sprake van schade. De schade waarover zij verklaren is zichtbaar hersteld en de stelling – want het is geen verklaring over waargenomen feiten – van [getuige] ([gedaagde 5]) dat zulke schade kopers beducht maakt voor méér, maar dan verborgen schade, is op zichzelf niet weersproken terwijl de juistheid ervan naar algemeen bekende ervaringsregels voor de hand ligt. Dat de gehanteerde prijzen voor een schadevrije auto laag w[eiseres] [eiseres] stelt, is dus een stelling waaraan voorbij gegaan moet worden omdat reeds [gedaagde 1] een auto met schade aanbood.

2.20. Dat de door [gedaagde 5] gemaakte winst hoog is, valt op. Wellicht is het geluk of een zakelijk instinct van [gedaagde 5] waardoor zij inderdaad ‘goed verdiend’ heeft op de DAF, zoals [getuige] verklaart. De rechtbank vindt echter in geen van de bewijsmiddelen een aanwijzing die deze relatief hoge winst koppelt aan een wetenschap bij [gedaagde 5] ten tijde van de verkrijging van de auto van het feit dat een van hun rechtsvoorgangers de DAF had verduisterd en vervolgens verkocht en geleverd of een daarmee vergelijkbaar feit.

2.21. Wellicht kan geconcludeerd worden dat [gedaagden 6 t/m 8] na het telefoontje van [gedaagde 5] over het bericht van [naam] vermoedde dat er met de auto iets aan de hand was. Dit is echter, zoals reeds onder 2.13 is overwogen, niet relevant voor de beantwoording van de vraag of [gedaagden 6 t/m 8] of enig andere gedaagde bij de verkrijging van de DAF te goeder trouw was, omdat het gaat om – mogelijke – wetenschap achteraf.

2.22. De conclusie van de rechtbank is dat de relevante omstandigheden noch elk afzonderlijk noch in samenhang bezien leiden tot de conclusie dat bij een van de gedaagden sub 2 tot en met 8 sprake was van ontbreken van goede trouw zoals bedoeld in de bewi[eiseres] [eiseres] is niet geslaagd in haar bewijs. Van geen van de gedaagden sub 2 tot en met 8 zal onrechtmatig hand[eiseres] [eiseres] komen vast te staan. De vorderingen tegen hen moeten daarom worden afgewezen.

2.23. Toewijsbaar is de vordering tegen [gedaagde 1]. Daarover is reeds overwogen dat € 76.983,68 het uitgangspunt is voor de vaststelling van de[eiseres] [eiseres] door het tekortschieten en het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] heeft geleden (tussenvonnis onder 4.7).

2.24. [gedaagde 1] betwist niet dat hij op grond van verrekening van facturen tu[eiseres] [eiseres] € 3.946,39 verschuldigd is. Aan dit bedrag liggen blijkens het t[eiseres] [eiseres] overgelegde ‘verrekeningsoverzicht d.d. 15-08-2006 facturen van [geda[eiseres] [eiseres] ten belope van in totaal € 19.035,00 en f[eiseres] [eiseres] aan [gedaagde 1] ten belope van in totaal € 22.981,39 ten grondslag.

2.25. [gedaagde 1] stelt € 19.035,00 te hebben aangewend voor de betaling van de DAF. Daarnaast zou hij € 20.000,00 contant hebben [eiseres] [eiseres]. Dit laatste verklaart hij ook als getuige, welke verklaring wordt bevestigd door de getuige [getuige]. In dit verband is [getuige] gewezen op productie 1 bij [eiseres] [eiseres] van 17 januari 2006, waarop een kwitantie voor € 20.000,00 lijkt te staan, die [eiseres] [eiseres] betwist wordt.

2.26. De rechtbank concludeert uit het voorgaande

- dat [gedaagde 1] de verschuldigdheid van € 3.946,39 niet betwist en daarmee ook niet het totaal van zijn f[eiseres] [eiseres] van € 19.035,00 en het totaal van de f[eiseres] [eiseres] aan hem van € 22.981,39,

- dat uit het betoog van [gedaagde 1] niet volgt dat hij de ko[eiseres] [eiseres] voldaan zou hebben,

- dat uit het betoog van [gedaagde 1] niet duidelijk is wat de relatie is tussen het verrekende bedrag van € 19.035,00 en het volgens hem op de DAF aanbetaalde bedrag van dezelfde grootte,

- dat voor de contante betaling van € 20.000,00 geen onbetwiste kwitantie voorhanden is, maar wel een getuigenverklaring van [gedaagde 1] die door de verklaring van [getuige] wordt gesteund.

2.27. De rechtbank vindt dat de [eiseres] [eiseres] en [gedaagde 1] nog zoveel onduidelijkheden en hiaten laten zien op dit punt dat het wijzen van een eindvonnis op dit moment niet zou stroken met een juiste taakopvatting van de feitenrechter. Beide partijen zullen nog één maal in de gelegenheid worden gesteld om, aan de hand van hetgeen onder 2.23-2.26 is overwogen en binnen de kaders van de door de rechtbank in deze zaak genomen beslissingen, hun standpunten toe te lichten.

2.28. Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden. Dit geldt ook de afwijzing van de vorderingen tegen de gedaagden sub 2 tot en met 8. De rechtbank merkt reeds thans op dat tegenover dez[eiseres] [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten zal worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 juni 2008 voor het nemen van ee[eiseres] [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 2.27,

3.2. verstaat dat [gedaagde 1] hierop op een termijn van eveneens twee weken zal kunnen reageren,

3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2008.