Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD3458

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
163389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt de stelling van Solvendi dat er door eventuele echtgenotes van de aandeelhouders geen beroep kan worden gedaan op vernietiging op grond van artikel 1:89 BW juncto 1:88 lid 1 aanhef en sub c, omdat de aandeelhouders de borgtochten zijn aangegaan in de normale uitoefening van hun bedrijf. Uit de jurisprudentie over en de wetsgeschiedenis van 1:88 lid 1 blijkt dat de daarin gebruikte formulering “in de normale uitoefening van beroep of bedrijf” eng moet worden uitgelegd. Het moet gaan om borgtochten die voor het beroep of bedrijf kenmerkend zijn, in de zin dat zij in de normale uitoefening daarvan gebruikelijk zijn. Door Solvendi zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat die situatie zich hier voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 163389 / HA ZA 07-1890

Vonnis van 28 mei 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOLVENDI B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. A.T. Bolt,

advocaat mr. C.M. de Breet te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. O.N.J. Maatje,

advocaat mr. N.J.C. Spapen te Zaltbommel.

Partijen zullen hierna Solvendi, [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd worden. [aandeelhouders] zullen samen tevens worden aangeduid als de aandeelhouders.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 februari 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Solvendi is een vennootschap die personele diensten op basis van payrolling levert.

2.2. Op 20 december 2006 heeft Solvendi een “overeenkomst tot levering van payroll¬diensten” gesloten met KCS Key-Net Communications Services B.V. (verder: KCS).

2.3. Vanaf 24 januari 2007 is [gedaagde 1] de enige bestuurder van KCS. De vennootschap naar buitenlands recht 4K& L Ltd. (verder: 4K&L) is vanaf die datum de enige aandeelhouder van KCS. De aandeelhouders en de heer [betrokkene] zijn de enige aandeelhouders van 4K&L.

2.4. Voor de door Solvendi geleverde diensten factureerde zij KCS wekelijks. De beta¬lings¬termijn bedroeg 14 dagen. Tussen Solvendi en KCS was overeengekomen dat de beta¬lings¬achterstand niet meer dan € 50.000,00 zou mogen bedragen. Deze grens werd echter wel overschreden. Omdat de achterstand in de betaling door KCS verder op liep heeft Solvendi nadere zekerheden bedongen.

2.5. Eind februari 2007 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder met Solvendi een overeen¬komst tot borgtocht aangegaan (verder: de eerste borgtochten), waarin zij zich tot een bedrag van maximaal € 200.000,00 persoonlijk borg stelden ter zekerheid van nakoming van de schulden van KCS aan Solvendi.

2.6. De beide eerste borgtochten, die voor zover hier van belang dezelfde inhoud hadden, bevatten ondermeer de volgende bepalingen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden daarin beiden aangeduid als “de borg” en KCS als “de hoofdschuldenaar”.

1. De borg verbindt zich middels deze overeenkomst jegens Solvendi, als borg voor de schuldenaar, zulks tot zekerheid voor de betaling van alle - reeds bestaande op de datum van ondertekening van deze overeenkomst en toekomstige - vorderingen voortvloeiende uit de overeenkomst tot levering payrolldiensten tussen Solvendi en hoofdschuldenaar ondertekend d.d. 20-12-2006 en daarmee samenhangende plaatsingsovereenkomsten die Solvendi van de schuldenaar te vorderen heeft.

2. Deze borgtocht is aangegaan voor een periode van 4 maanden met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst, met dien verstande dat de borgtocht ten aanzien van ten tijde van zijn beëindiging bestaande verbintenissen van de schuldenaar jegens Solvendi blijft voortduren.

4. De borg zal tot betaling verplicht zijn door het enkele feit dat de hoofdschuldenaar tekort schoot in de nakoming van zijn verbintenis(sen) jegens Solvendi zonder dat het nodig zal zijn de hoofdschuldenaar vooraf door een schriftelijke aanmaning in gebreke te stellen.

7. Solvendi mag - voor zover de wet niet dwingend anders bepaalt - andere zekerheid voor haar vordering aannemen en bestaande zekerheid […] weer prijsgeven, zonder de borg daarin te kennen […]

8. Tegenover borg strekt een door Solvendi getekend uittreksel uit haar administratie tot volledig bewijs van het bestaan en de omvang van hetgeen de hoofdschuldenaar aan Solvendi schuldig is, behoudens door de borg geleverd tegenbewijs.

2.7. Mevrouw [betrokkene] heeft, als “Echtgenote/Geregistreerd partner” van [gedaagde 2], diens borgakte ten blijke van haar toestemming meeondertekend.

[gedaagde 1] is ongehuwd.

2.8. In de maanden maart en april 2007 ging het slechter met KCS. Solvendi was bereid de vordering die zij in april 2007 had om te zetten in een geldlening. Op 25 april 2007 is Solvendi met 4K&L, KCS en de aandeelhouders een overeenkomst van geldlening aangegaan. In de overeenkomst (waarin Solvendi wordt aangeduid als “geldgever”, 4K&L en KCS als “geldnemer” en de aandeelhouders als “partijen”) is, voor zover hier van belang, het volgende vastgelegd.

De ondergetekenden […] nemen het volgende in aanmerking:

A. Geldnemer heeft uit hoofde van een overeenkomst tot levering van payrolldiensten een bedrag van tenminste € 200.000,= te vorderen van Geldnemer, hierna te noemen “de Vordering”;

B. Geldgever is bereid de Vordering om te zetten in een geldlening en dit bedrag in die vorm te verstrekken aan Geldnemer;

C. Partijen zijn bereid een akte van borgstelling te tekenen voor het nakomen van de verplichtingen van Geldnemer uit hoofde van deze overeenkomst;

D. Geldgever, Geldnemer alsmede Partijen wensen de rechten en verplichtingen uit hoofde van de Geldlening in deze overeenkomst vast te leggen.

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 De geldlening

1.1. Geldgever heeft aan Geldnemer geleend, gelijk Geldnemer van Geldgever heeft geleend, een bedrag van € 200.000,= […], hierna te noemen de “Geldlening”. […]

Artikel 2 Rente

2.1. Geldnemer is over de Geldlening een rente van 1% per maand aan Geldgever verschuldigd.

Artikel 3 Aflossing

3.1. De geldlening dient door Geldnemer te zijn afgelost uiterlijk 25 augustus 2007 door bijschrijving op de bankrekening van Geldgever.

Artikel 4 Vertragingsvergoeding

4.1. Bij niet tijdige betaling van elk bedrag dat ter zake van de aflossing van de Geldlening is verschuldigd, zal Geldnemer aan Geldgever een vertragingsvergoeding verschuldigd zijn van 1% over het niet tijdig aan Geldgever betaalde bedrag, vermeerder met 2% […]

Artikel 6 Opeising

6.2. De Geldlening is direct opeisbaar:

- indien Geldnemer een verzoek tot het verlenen van surseance van betaling indient, of haar faillissement aanvraagt, dan wel in staat van faillissement wordt;

Artikel 7 Borgstelling

7.1. Partijen hebben zich, conform een daartoe nader op te stellen borgakte borg gesteld voor terugbetaling door Geldnemer van de Geldlening.

7.2. Partijen zorgen ervoor en verplichten zich tot het correct invullen en ondertekenen van de borgakte en zullen deze borgakte uiterlijk Maandag 7 mei 2007 ondertekend, retourneren aan Geldgever.

7.3. De borgaktes zullen als bijlage 2 t/m 6 aan deze overeenkomst worden gehecht en maken integraal deel uit van deze overeenkomst.

De overeenkomst van geldlening is ondertekend namens Solvendi (door de heer [betrokkene]), KCS en 4K&L (beide door [gedaagde 1]) en door de aandeelhouders in persoon.

2.9. De aandeelhouders zijn ieder met Solvendi een overeen¬komst tot borgtocht aan¬ge¬gaan (verder: de nieuwe borgtochten), waarin zij zich tot een maximumbedrag van € 40.000,00 persoonlijk borg stelden ter zekerheid van nakoming van de schulden van KCS aan Solvendi.

2.10. In de vier nieuwe borgtochten, die voor zover hier van belang dezelfde inhoud hadden, worden de aandeelhouders ieder steeds aangeduid als “de borg” en 4 K&L en KCS als “de hoofdschuldenaar”. Voor zover hier van belang stonden daarin ondermeer de volgende bepalingen opgenomen:

1. De borg verbindt zich middels deze overeenkomst jegens Solvendi, als borg voor de schuldenaar, zulks tot zekerheid voor de betaling van alle - reeds bestaande op de datum van ondertekening van deze overeenkomst en toekomstige - vorderingen voortvloeiende uit de overeenkomst tot levering payrolldiensten tussen Solvendi en hoofdschuldenaar ondertekend d.d. 20-12-2006 en daarmee samenhangende plaatsingsovereenkomsten die Solvendi van de schuldenaar te vorderen heeft.

2. Deze borgtocht is aangegaan voor de looptijd van de lening die op dezelfde datum overeen¬gekomen is en eindigt derhalve op 25 augustus 2007,

4. De borg zal tot betaling verplicht zijn door het enkele feit dat de hoofdschuldenaar tekort schoot in de nakoming van zijn verbintenis(sen) jegens Solvendi [zonder; de rechtbank] dat het nodig zal zijn de hoofdschuldenaar vooraf door een schriftelijke aanmaning in gebreke te stellen.

7. Solvendi mag - voor zover de wet niet dwingend anders bepaalt - andere zekerheid voor haar vor¬de¬ring aannemen en bestaande zekerheid […] weer prijsgeven, zonder de borg daarin te kennen […]

8. Tegenover borg strekt een door Solvendi getekend uittreksel uit haar administratie tot volledig bewijs van het bestaan en de omvang van hetgeen de hoofdschuldenaar aan Solvendi schuldig is, behoudens door de borg geleverd tegenbewijs.

2.11. Geen van de nieuwe borgtochten is ten blijke van instemming mede ondertekend door een echtgenote of geregistreerd partner.

2.12. Op 6 juli 2007 is KCS in staat van faillissement verklaard.

2.13. Bij per reguliere en aangetekende post verzonden brieven, gedateerd 19 juli 2007, heeft Solvendi de aandeelhouders aangesproken als borg: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder voor € 240.000,00 (uit hoofde van zowel de eerste als de nieuwe borgtochten) en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ieder voor € 40.000,00 (uit hoofde van de nieuwe borgtochten). Solvendi heeft de aandeelhouders daarbij verzocht en zonodig gesommeerd de respectievelijke bedragen binnen veertien dagen te betalen. De aandeelhouders hebben daar niet aan voldaan. De brief aan [gedaagde 1] is gestuurd naar het adres waarop hij staat ingeschreven in de GBA. De feitelijke bewoonster van dat adres heeft voor ontvangst getekend.

2.14. Bij brieven van 8 februari 2008 heeft mr. Maatje namens mevrouw [betrokkene], Mevrouw [betrokkene] en mevrouw [betrokkene] met een beroep op artikel 1:88 en 1:89 BW de nietigheid ingeroepen van de nieuwe borgtochten van respectievelijk [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4].

3. Het geschil

3.1. Solvendi vordert samengevat - om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de vordering van Solvendi op KCS € 385.796,90 bedraagt, te vermeerderen met rente;

II. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 241.735,89;

III. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 241.735,89;

IV. [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van € 40.289,89;

V. [gedaagde 4]] te veroordelen tot betaling van € 40.289,89;

een en ander vermeerderd met rente en met de hoofdelijke veroordeling van de aandeelhouders tot betaling van incassokosten, proceskosten en nakosten.

3.2. Solvendi stelt - kort weergegeven - dat KCS per faillissementsdatum een schuld bij haar had van € 374.294,52, inclusief rente en kosten. Daarna zijn nog enkele facturen verschul¬digd geworden zodat de vordering van Solvendi op KCS per 1 september 2007 € 385.796,90 bedraagt. Aangezien KCS haar verplichtingen niet is nagekomen, en zij, nu zij failliet is, niet meer kan nakomen, is zij in verzuim. De aandeelhouders kunnen daarom uit hoofde van de nieuwe borgtochten en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarnaast nog uit hoofde van de eerste borgtochten tot betaling worden aangesproken. Dit is op 19 juni 2007 gebeurd. Nu zij niet binnen de gestelde termijn van twee weken hebben betaald zijn zij zelf ook in verzuim en op grond van artikel 7:856 lid 1 BW naast de hoofdsom rente verschuldigd.

3.3. De aandeelhouders voeren - kort weergegeven - het volgende verweer. Zij betwisten de hoogte van de gestelde schuld van KCS. De eerste borgstellingen moeten voorts buiten beschouwing worden gelaten, nu deze vervangen zijn door de nieuwe borgstellingen. De nieuwe borgstellingen van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn vernietigd door hun echtgenotes. Solvendi heeft, zo voeren de aandeelhouders aan, pas bij dagvaarding een beroep gedaan op de nieuwe borgtocht van [gedaagde 1]. Op dat moment was de duur van deze borg¬tocht echter al verstreken. Deze liep, zoals blijkt uit artikel 2 van de borgtocht, immers tot 25 augustus 2005. Voorts voeren de aandeelhouders aan dat de totale vordering op de de aandeelhouders € 560.000,00 bedraagt terwijl de schuld van KCS volgens de stellingen van Solvendi € 385.796,90 bedraagt. De vordering op grond van de borgstellingen kan nooit de totale vordering van Solvendi op KCS overschrijden.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Niet in geschil is dat mevrouw [betrokkene], Mevrouw [betrokkene] en mevrouw [betrokkene] geen toestemming hebben gegeven voor de nieuwe borgtochten van respectievelijk [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. Evenmin is betwist dat zij met een beroep op artikel 1:88 en 1:89 BW een beroep hebben gedaan op de nietigheid van die borgtochten.

4.2. De rechtbank verwerpt de stelling van Solvendi dat er door eventuele echtgenotes van de aandeelhouders geen beroep kan worden gedaan op vernietiging op grond van artikel 1:89 BW juncto 1:88 lid 1 aanhef en sub c, omdat de aandeelhouders de borgtochten zijn aangegaan in de normale uitoefening van hun bedrijf. Uit de jurisprudentie over en de wetsgeschiedenis van 1:88 lid 1 blijkt dat de daarin gebruikte formulering “in de normale uitoefening van beroep of bedrijf” eng moet worden uitgelegd. Het moet gaan om borgtochten die voor het beroep of bedrijf kenmerkend zijn, in de zin dat zij in de normale uitoefening daarvan gebruikelijk zijn. Door Solvendi zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] een beroep of bedrijf uitoefenden waarbij het, in de normale uitoefening daarvan, gebruikelijk is borgtochten aan te gaan.

4.3. Voor zover Solvendi stelt dat ten aanzien van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] sprake was van de uitzondering van het vijfde lid van artikel 1:88 BW wordt deze stelling eveneens verworpen. Dit artikellid bepaalt, kort gezegd, dat geen toestemming van de echtgenoot nodig is voor rechtshandelingen als het aangaan van een borgtocht, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap die tevens met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt, indien dit geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Vast staat echter dat vanaf 24 januari 2007 [gedaagde 1] de enige bestuurder is van KCS. [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren geen bestuurders van KCS. Dit brengt met zich dat, voor zover er al sprake was van een borgtocht die is aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van KCS, de uitzondering van 1:88 lid vijf niet van toepassing is. De vraag of [gedaagde 2], [betrokkene] en [gedaagde 4] bestuurders waren van 4K&L, kan onbeantwoord blijven nu niet, althans niet met feiten onderbouwd, is aangevoerd dat de nieuwe borgtocht is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van de bedrijfsvoering van 4K&L.

4.4. Solvendi betwist voorts dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] (met hen) gehuwd zijn. De rechtbank zal de aandeelhouders daarom, op grond van de hoofdregel van 150 Rv, opdragen bewijs te leveren van hun stelling dat [betrokkene], Mevrouw [betrokkene] en mevrouw [betrokkene] op het moment van het aangaan van de nieuwe borgtochten, gehuwd waren met respectievelijk [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. De rechtbank overweegt daarbij dat deze bewijsopdracht zich bij uitstek lijkt te lenen voor schriftelijke bewijsvoering.

4.5. Het verweer van de aandeelhouders dat Solvendi pas na afloop van de gestelde loop¬tijd van de borgtocht (tot 25 augustus 2007) en daarmee te laat een beroep heeft gedaan op de nieuwe borgtocht van [gedaagde 1] wordt verworpen. Immers, niet in geding is dat Solvendi [gedaagde 1] op 19 juli 2005 een aangetekende brief, waarin zij een beroep deed op de borgtochten, heeft ver¬zon¬den naar het adres waarop [gedaagde 1] staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De feitelijke bewoonster van dat adres heeft voor ontvangst getekend. De door de aandeelhouders aangevoerde omstandigheden dat [gedaagde 1] zelf feitelijk niet op dat adres verblijft, dat hij daar slechts zo nu en dan zijn post ophaalt en dat de feitelijke bewoonster hem de desbetreffende brief niet heeft gegeven, zijn omstandigheden die zijn persoon betreffen en die voor zijn rekening dienen te komen. Dit betekent dat de inhoud van de brief van 19 juli 2005, ook indien deze [gedaagde 1] niet heeft bereikt, op grond van het bepaalde in artikel 3:37 BW haar werking heeft. Nu daarmee vaststaat dat Solvendi vóór 25 augustus 2007 een beroep op de borgtochten heeft gedaan, kan in het midden gelaten kan worden of de stelling van de aandeelhouders juist is dat Solvendi dat na die datum niet meer zou kunnen doen.

4.6. De aandeelhouders voeren voorts aan dat de eerste borgtochten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn vervallen, nu zij zijn vervangen door de nieuwe borgtochten. Dit was, zo stellen zij, de bedoeling van beide partijen. Met het aangaan van de nieuwe borgtochten in plaats van de eerste, werd beoogd dat niet alleen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maar ook de andere aandeelhouders van 4 K&L (waaronder de heer [betrokkene], die daar echter uiteinde¬lijk niet mee akkoord is gegaan) het risico zouden dragen. Dat dit de bedoeling was blijkt, aldus de aandeelhouders, ook uit de overeenkomst van geldlening. De nieuwe borgtochten zijn aangegaan in het kader van die overeenkomst van geldlening. In die overeenkomst staat dat het debiteurensaldo werd omgezet in een geldlening van € 200.000,00. Dit bedrag komt, op € 70.000,00 na, overeen met het totaal van de dat moment bestaande schuld van KCS (€ 270.000,00). De € 70.000,00 zou worden afgelost met een verwachte teruggave van te veel afgedragen BTW. Dit is ook gebeurd, zij het later dan verwacht. Het restant van de achterstand van € 200.000,00, waarop de eerste borgtochten zagen is, zo stellen de aandeelhouders derhalve in de overeenkomst tot geldlening en de daaraan verbonden borgtochten “geïncorpereerd”. Voorts blijkt, aldus de aandeelhouders, uit bepaling 1 van de nieuwe borgtochten dat deze de eerste vervingen, omdat het gaat om dezelfde schuld.

4.7. Solvendi betwist dat het de bedoeling van partijen was dat de nieuwe borgtochten de eerste zouden vervangen. Solvendi was, in verband met de problemen die KCS met het vinden van financiering had, bereid om haar vordering op KCS vanwege de achterstallige betalingen om te zetten in een lening. Daarbij wilde zij wel extra zekerheden van alle vijf de betrokkenen. Dat is de reden dat de nieuwe borgtochten zijn aangegaan. Het was daarbij niet de bedoeling dat de eerste borgtochten zouden vervallen, wat zou betekenen dat Solvendi minder zekerheid zou krijgen. Op het moment van tekenen van de nieuwe borgakten was de schuld inmiddels opge¬lopen tot € 300.000,00. Het zou vreemd zijn indien genoegen werd genomen met borg¬stel¬lin¬gen van vier maal € 40.000,00, zonder dat de eerste borgstellingen zouden blijven gelden.

4.8. De rechtbank stelt vast dat in de nieuwe borgstellingen noch in de overeenkomst tot geldlening uitdrukkelijk is bepaald dat de eerste borgstellingen vervielen. Dit kan ook niet wor¬den afgeleid uit de omstandigheid dat in zowel de eerste als de nieuwe borgtochten is bepaald dat de borgtochten zijn aangegaan “tot zekerheid voor de betaling van alle - reeds bestaande op de datum van ondertekening van deze overeenkomst en toekomstige - vorderingen voortvloeiende uit de overeenkomst tot levering payrolldiensten tussen Solvendi en hoofdschuldenaar ondertekend d.d. 20-12-2006 en daarmee samenhangende plaatsingsovereenkomsten die Solvendi van de schuldenaar te vorderen heeft.” Solvendi stelt terecht dat er geen algemene regel is waaruit volgt dat als er tussen partijen een nieuwe borgtocht wordt overeengekomen daarmee de oudere borgtochten komen te vervallen, ook niet indien de oudere en nieuwe borgtochten zien op dezelfde hoofdschuldenaar en op de nakoming van dezelfde verbintenissen. De aandeelhouders voeren aan, althans zo begrijpt de rechtbank hun stellingen, dat in dit geval tussen partijen overeenstemming bestond dat het aangaan van de overeenkomst tot geldlening en de daaraan verbonden nieuwe borgtochten met zich bracht dat de eerste borgtochten kwamen te vervallen, althans dat zij uit de verklaringen en/of gedragingen van Solvendi redelijkerwijze mocht afleiden dat daarover overeenstemming bestond. Nu dit door Solvendi wordt betwist zal de rechtbank, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, de aandeelhouders opdragen daarvan, conform hun uitdrukkelijke aanbod, bewijs te leveren.

4.9. Solvendi vordert verklaring voor recht dat de vordering van Solvendi op KCS € 385.796,90 bedraagt, te vermeerderen met rente vanaf 2 september 2007. Aangezien KCS in de onderhavige procedure geen partij is, gaat de rechtbank er (vooralsnog) vanuit dat het belang van Solvendi bij de gevraagde verklaring voor recht er in ligt dat zij wil vast te stellen voor welk bedrag zij de gezamenlijke borgen kan aanspreken (voor zover de verweren van de aandeelhouders niet slagen en met in achtneming van de in de borgtochten opgenomen maxima). Niet in geding is dat de eerste borgstellingen zijn aangegaan voor een periode van 4 maanden met ingang van de datum van ondertekening, met dien verstande dat zij blijven voortduren ten aanzien van op het moment van afloop van die periode bestaande verbintenis¬sen van KCS jegens Solvendi. Evenmin is in geding dat de nieuwe borgtochten eindigen op 25 augustus 2007.

4.10. Het vorenstaande brengt met zich dat uit de hoogte van de vordering van Solvendi op KCS per 1 september 2007 (vermeerderd met rente vanaf 2 september 2007) niet zonder meer kan worden afgeleid voor welk bedrag Solvendi de borgen gezamenlijk kan aanspreken (voor zover de verweren van de aandeelhouders niet slagen en met in achtneming van de in de borgtochten opgenomen maxima). Daarvoor is immers, naar het voorlopige oordeel van de rechtbank, mede bepalend wat de vordering van Solvendi op KCS was op het mo¬ment van het eindigen van de respectievelijk in de eerste en de nieuwe borgtochten genoemde duur van die borgtochten. Indien over voornoemde zaken geen duidelijkheid bestaat is zonder nadere toelichting niet duidelijk wat het belang is van de voornoemde verklaring voor recht.

Ook voor de beoordeling van de onderdelen II t/m V van de vordering van Solvendi en van de stelling van de aandeelhouders dat Solvendi hen gezamenlijk niet voor een hoger geldbedrag kan aanspreken dan de schuld van KCS aan Solvendi, is het van belang om inzicht te krijgen in hoe groot de vordering van Solvendi op KCS was op voornoemde momenten. Daarbij zal moeten worden vastgesteld op welke data de looptijd van de beide eerste borgtochten eindigde, nu het einde van de looptijd afhankelijk is van de datum van ondertekening. Wat de datum van ondertekening van de beide eerste borgtochten was is thans niet eenduidig vast te stellen.

4.11. Aangezien partijen zich over het in r.ov. 4.10 overwogene nog niet expliciet hebben uitgelaten zal de rechtbank hen daartoe (eerst Solvendi) in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door Solvendi over de voornoemde punten. De aandeelhouders zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren.

4.12. De rechtbank overweegt voorts dat de bewijslast ten aanzien van de hoogte van de schuld van KCS aan Solvendi op grond van de hoofdregel van 150 Rv in beginsel bij haar ligt. De aandeelhouders erkennen slechts een schuld ten hoogte van het in de overeenkomst tot geldlening genoemde bedrag van € 200.000,00. De rechtbank zal echter de beoordeling op dit punt aanhouden in afwachting van de in r.ov. 4.11. genoemde aktewisseling.

Om proces-economische redenen zal de rechtbank ook de in r.ov. 4.1. en 4.8. aangekondigde bewijsopdrachten aanhouden tot na de voornoemde aktewisseling en de afhankelijk daarvan eventueel te formuleren bewijsopdracht aan Solvendi over de hoogte van haar vordering op KCS. Ook alle overige beslissingen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 juni 2008 voor het nemen van een akte door Solvendi over hetgeen is vermeld onder 4.10 en 4.11,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2008.